7-Bijbelse figuren7.1-Kennismaken

7.1.10 Voor en tegen koning David

 Stapsgewijs kennismaken met David, die als de hoofdspeler fungeert in het tweede gedeelte van de boekrol Samuël.

Inleiding

Eenmalige dingen hebben soms verreikende gevolgen. Davids misstap met Batseba, zijn uit de weg ruimen van Uria, zijn tekortschieten in het  opvoeden van zijn zonen Amnon en Absalom kunnen niet worden gebagatelliseerd. De klappen, die hij als gevolg daarvan incasseert, zijn bijna ondraaglijk. Amnon verkracht zijn halfzus en David neemt geen strafmaatregelen. Absalom vermoordt Amnon en David weigert zich nauwelijks met eerstgenoemde te verzoenen. Absalom kan dat niet verwerken en hij wil zijn gram halen. Vol haat ontpopt hij zich als zijn vaders directe tegenstander. Hij pleegt een efficiënte staatsgreep om zijn vader van de troon te verdrijven. Op zijn vlucht uit zijn paleis in de hoofdstad leert de koning wie zijn echte vrienden en wie zijn geduchte tegenstanders zijn.

1. Absaloms staatsgreep – 2 Samuël 15:1-12

Davids oudste zoon Absalom neemt vier jaar de tijd om zijn coup voor te bereiden (15:7). Na zijn onbevredigde verzoening met zijn vader (14:33) werkt hij dagelijks aan zijn status in Israëls samenleving (15:1). Hij betracht vriendschap met teleurgestelde burgers en ondermijnt het gezag van zijn vader de koning (2-3). Met een valse bescheidenheid (5) en een geveinsde vroomheid bouwt hij zijn populariteit uit onder de bevolking (7).

Na die voorbereidingsperiode gaat Absalom onder een vals voorwendsel op pelgrimstocht naar Hebron. Terwijl zijn naam letterlijk ‘vader is sjālōm’ betekent, krijgt hij van zijn vader een ‘ga in sjālōm ‘ te horen (9). Dit is bijzonder ironisch, omdat Absalom juist op oorlog uit is! Dicht bij het ‘uur nul’ stuurt hij spionnen naar alle stammen (10). Hij nodigt ook 200 vooraanstaande burgers van Jeruzalem uit (11). Het wordt een machtige samenzwering waar een groeiend aantal Israëlieten, die echter niets van Absaloms plannen afweten, zich bij aansluiten. Ook Israëls en Davids politieke zwaargewicht Achitofel (12) dagvaart hij. Dit is Davids belangrijkste raadsman uit Gilo, zo’n 5 km in het noordwesten van de stad Hebron (16:23). Prof. Dr. A.R. Hulst becommentarieert terecht als volgt: “Dat Absalom blijkbaar een zo grote aanhang kon krijgen … kan slechts ten dele verklaard worden uit de persoonlijke invloed van de prins … maar moet ook worden toegeschreven aan het feit dat het zo nu en dan in Davids grote rijk hier en daar ‘kraakt’; er was in sommige kringen ontevredenheid; de veroveringspolitiek komt het land duur te staan; oorlog voeren is kostbaar; de oude rivaliteit tussen de stammen ‘Israël’ en Juda spreekt min of meer verborgen onbewust een woordje mee.” (II Samuël, Commentaar op de Heilige Schrift, p. 287, Amsterdam 1956).

2. Ittai, Sadok en Abjatar – 2 Samuël 15:13-29

De plotselinge machtsconcentratie, die Davids oudste zoon Absalom op maar 30 km van Jeruzalem te Hebron verwezenlijkt, komt voor zijn vader als een complete verrassing. Hij wordt erover bericht door mogelijk een van de 200 genodigden, die zich van Absaloms plannen distantieert (15:13). Meteen organiseert de vorst in allerijl zijn vlucht uit de hoofdstad. Hij wil geen beleg door Absaloms leger riskeren. Noch wil hij in de handen van zijn zoon vallen en blijkbaar wil hij ook geen bloedvergieten onder de inwoners (14). Zijn dienaren zeggen heel duidelijk, dat zij zullen doen wat hij van hen verlangt. Hij besluit tien bijvrouwen achter te laten om op het paleis te passen. Een indicatie dat hij ervan uit gaat om er later in terug te keren (15-16)? Zijn hofhouding en zijn lijfwacht van Keretieten en Peletieten vergezellen hem op deze met grote spoed georganiseerde uittocht (17-18).

De Filistijn Ittai

Vooraleer de koning de Kedronvallei oversteekt, houdt hij halt bij het laatste huis vlak bij de Oostpoort. Mogelijk doet hij dat om zicht te krijgen op wie hem loyaal blijven en wil hij zijn strijdkrachten inspecteren. De verteller legt heel veel nadruk op wie ‘aan hem voorbijtrekken’: zijn hele huishouden, al het volk, al zijn dienaren, alle Keretieten en alle Peletieten en alle mannen van Gat. Het lijkt erop dat hij wil benadrukken dat David er echt niet alleen voor staat. De koning blijkt op veel medestanders te kunnen rekenen.

Ook de 600 Filistijnse huurlingen onder leiding van Ittai trekken aan hem voorbij (18). David spreekt deze Gatiet aan en probeert hem te overreden om met zijn mannen terug naar hun militaire basis in Jeruzalem te keren. Ittai wil daar echter niet van weten en verklaart omstandig waarom hij daar niet op wil ingaan.

Klinkt er gelatenheid of ironie in de woorden, die David zegt tegen Ittai, de Filistijnse huurlingenleider uit Gat? Hij spoort hem immers aan om bij ‘de koning’ (Absalom dus) te blijven (19-20). David laat heel sterk uitkomen dat hij het welzijn van deze generaal op het oog heeft. Hij wil hem niet meeslepen in een avontuur waarvan hij de uitkomst niet kent. Hij dringt er bij hem op aan om terug te keren naar Jeruzalem, naar zijn militaire thuisbasis, met het argument dat hij daar toch al in een uitzonderingspositie verkeert. Is hij immers niet verbannen uit zijn land Filistea? Verblijft hij niet als een vreemdeling in Israëls hoofdstad? De koning wenst dat JHWH aan deze niet-Israëliet zijn goedheid en trouw zal doen blijken.

Davids uitgesproken zorg om en solidariteit met Ittai beantwoordt deze met een evenredige uiting van trouw en solidariteit. Ittai wil voor geen geld ter wereld van David scheiden. Hij doet dat met een dubbele eed: ‘zo waar JHWH leeft en zo waar mijn heer de koning leeft!’ Hij wil zijn lot aan dat van David verbinden en dit tot de dood. Hierbij spreekt deze niet-Israëliet ontroerende woorden uit (21). Zij doen regelrecht denken aan Davids overgrootmoeder Ruth toen zij weigerde om Noömi te verlaten. En dit ondanks het herhaaldelijke aandringen van haar schoonmoeder (Ruth 1:8-18). De koning heeft hier, net als Noömi toen tegenover Ruth, niet van terug. Bijgevolg laat hij Ittai dan maar meegaan. Deze wordt niet alleen vergezeld van al zijn 600 strijders, maar ook van al hun (vrouwen en) kinderen. Samen zijn dat er al gauw ruim tweeduizend (15:22)!

Sadok en Abjatar

Er heerst een grote verslagenheid bij al wie met David meegaat (23). Ook de priesters Sadok en Abjatar vergezellen de koning. De Levieten volgen in hun zog en dragen de verbondskist met zich mee. Zij symboliseert JHWH’s aanwezigheid. Bij de koning aangekomen, zetten zij haar neer, totdat al het volk eraan voorbij is getrokken. Hun gedrag suggereert, dat zij ervan uitgaan dat JHWH achter hun koning staat en niet achter Absalom. Blijkbaar hopen zij dat God zijn zegen aan David zal geven. De koning zegt duidelijk dat beide priesters met Gods verbondskist terug naar de stad moeten gaan. Hij vindt dat zij in de hoofdstad van Israël thuishoort. David wil JHWH niet voor zijn karretje spannen, maar diens wil gelaten afwachten. Nederig brengt hij zijn gevoelens onder woorden met ‘als ik genade vind in JHWH’s ogen, dan zal hij mij doen terugkeren en mij haar en haar plaats doen weerzien’ (24-26). Het lijkt er sterk op alsof David er schuldbewust van uitgaat dat hij de ellende, die hij nu ondergaat, aan zijn vroegere misstappen en fouten heeft te wijten. Hij geeft zich hier volledig aan JHWH over.

Toch blijft hij niet bij de pakken neer zitten. Hij denkt vooruit en treft maatregelen. Hij wil dat beide priesters ‘in vrede’ terug naar de hoofdstad keren. Van daaruit kunnen zij hem helpen en een ‘ondergrondse’ verzetshaard organiseren. HogepriesterSadok kan er met zijn kwaliteiten van ‘ziener’ in de onmiddellijke nabijheid van Absalom, uitstekende diensten voor David verrichten. Verder draagt hij hem op om zijn zoon Achimaäs en Jonatan, de zoon van Abjatar te instrueren om hem op de hoogte te brengen van de ontwikkelingen, die zich in Jeruzalem zullen voordoen. Beide priesters doen wat David zegt. Zij keren samen met de Levieten en de verbondskist terug naar de hoofdstad. Zoals Ittai zijn trouw aan David bewijst door niet op zijn advies in te gaan, bewijzen zij hun trouw door precies te doen wat de koning hen opdraagt (27-29).

3. Chusai komt als geroepen – 2 Samuël 15:30-37

Hierna zet David zijn vlucht voort. Na zijn afdaling van de berg Sion tot in de vallei van de Kidron beklimt hij de helling van de Olijfberg. Deze geografische verplaatsing symboliseert Davids gemoedstoestand. Eerst van hoog de diepte in om daarna heel moeizaam proberen op te klimmen. Het wordt een rouwprocessie, waarin hij zich als een geslagene voortbeweegt. Zijn gemoed schiet vol: hij weent, bedekt zijn hoofd en loopt op blote voeten (15:30). In die gemoedsgesteldheid krijgt hij het bericht dat Achitofel zich onder de samenzweerders bevindt. Op de actie van zijn zoon weet hij wel wat te verzinnen, maar als hij hoort dat Achitofel partij heeft gekozen voor Absalom, dan voelt hij zich echt verloren. Hij bidt dan ook om hulp van boven (31). Geen wonder! Van zijn vroegere onnavolgbare raadsman kan hij volop de nederlaag vrezen (16:23). Vol innerlijke angst smeekt hij: ‘JHWH zorg er alsjeblief voor dat Achitofels raad als onzinnig overkomt!’

Op de top van de Olijfberg met zicht op Jeruzalem, dat hij achter zich heeft gelaten, verschijnt heel onverwacht zijn vriend Chusai. Het lijkt wel op een gebedsverhoring! Een redder in nood? Chusai’s trouw lijkt grenzeloos. Dat blijkt o.a. uit zijn gescheurde kleren en de aarde die hij op zijn hoofd heeft (32). Chusai gaat helemaal mee in de rouw van David. Chusai’s opdagen brengt iets bij de koning in beweging. Van een hulpeloze en in groot verdriet verkerende man komt hij tot zijn zinnen. Zijn hersenen beginnen opnieuw op volle toeren te werken. De priesters had hij al naar Jeruzalem teruggestuurd om in zijn voordeel actie te ondernemen. Nu echter komt hij met een doelgericht plan, waarbij ook Chusai naar de hoofdstad terug moet. Allesbehalve eenvoudig en bovendien doodsgevaarlijk (33-36)!

Chusai gaat akkoord om met Achitofel een vervaarlijk spel te spelen. In zijn spionfunctie zal hij via de priesters de koning informeren. Dat hij net aankomt als Absalom met zijn leger Jeruzalem binnentrekt, betekent dat de afstand tussen de vader op de Olijfberg en de zoon in de hoofdstad bijzonder kort is (37). Het scheelt niet veel of Absalom had de koning ingehaald. Chusai moet zijn trouw aan Absalom veinzen en hopen dat hij erin trapt. Wat een risicovolle opdracht! Wat als Absalom Chusai niet vertrouwt? Hij kan zijn initiatief met de dood bekopen! Hier wordt in ieder geval duidelijk wat Chusai’s vriendschap voor David inhoudt! Het lijkt op een vriendschap van het kaliber van die van Jonatan. Die heeft immers ook zijn leven voor David in de waagschaal gesteld 1 Samuël 19:4-7 en 20:27-34).

4. Siba en Mefiboset, Simi en Abisai – 2 Samuël 16:1-14

Siba de weldoener

Na zijn instructies aan Chusai op de Olijfberg en diens terugkeer naar Jeruzalem trekt David met zijn manschappen oostwaarts. Plotseling verschijnt Siba, Sauls vroegere majordomus (9:1-13). Hij komt aanzetten met een paar ezels, 200 broden, 100 rozijnenkoeken, 100 rijpen vruchten en een kruik wijn. Een kolossale voedselbevoorrading voor de vluchtende David (16:1-2). Wat een weldaad!

Er kleeft echter iets onfris aan diens optreden. Hij beschuldigt zijn meester Mefiboset van verraad (3-4). Deze zou volgens hem in de hoofdstad zijn gebleven om er zich van de troon meester te maken. Als kleinzoon van de voormalige koning Saul zou dat theoretisch natuurlijk kunnen. Mefiboset is echter wel de zoon van Davids beste overleden vriend Jonatan. Bovendien is hij door de koning uit zijn pariabestaan ergens in een uithoek van Israël naar het paleis gehaald. David heeft hem alle goederen van zijn grootvader Saul teruggegeven. Verder mag hij in het paleis dagelijks aanschuiven aan de tafel temidden van de zonen van de koning. Zou deze Mefiboset David een mes in de rug willen steken? Weinig plausibel, maar David, die emotioneel onder grote druk staat, reageert zonder aarzelen. Dankbaar om Siba’s materiële steun in zijn grote nood geeft hij Mefibosets hele bezit aan Siba. En of deze dankbaar is! Hij buigt niet alleen als een knipmes voor David, maar attendeert de koning heel nadrukkelijk op zijn buiging. Bovendien vraagt hij hem om zijn gunsten aan hem te blijven bewijzen. Allesbehalve onbaatzuchtig en het is trouwens de vraag of David wel koning zal blijven (4). Of David hier een juiste beslissing neemt, valt nog te bezien. Doet hij er niet beter aan om eerst Mefibosets kant van het verhaal te horen (19:24-30)?

Simi de lasteraar

Even later daagt Simi van Sauls stam van Benjamin op (16:5-8). Deze man uit kwaadwillige beschuldigingen aan Davids adres. Als Sauls familielid en mogelijk vooraanstaand lid in diens voormalige paleis blijkt hij niet te kunnen verkroppen dat David koning over Israël is geworden. Vanaf de helling aan de overkant – en dus op afstand – vervloekt hij David genadeloos. Hij noemt hem ‘bloedvergieter’ en ‘nietswaardige’. Hij spreekt de wens uit ‘dat JHWH je al het bloed van het huis van Saul moge vergelden’ (NBG) en ‘dat JHWH het koningschap aan Absalom zal toekennen’. Tegelijkertijd gooit hij stenen naar de koning en naar al diens manschappen, die links en rechts van hem meelopen. Wat een bravoure! Eén enkele man neemt het op tegen een heel leger!

Abisai, de broer van generaal Joab, vraagt aan David toestemming om Simi – die hij een dode hond noemt – een kopje kleiner te maken (9). De koning wijst dit resoluut van de hand. Hij negeert Simi en wil zich niet verlagen door hem van repliek te dienen. David kan zich echter best voorstellen dat God met deze vervloekingen te maken heeft (10-12). Simi stopt niet met zijn actie. Hij blijft zich parallel aan David en de zijnen voortbewegen, terwijl hij erop los vloekt en stenen gooit (13). Hij speelt daarmee hoog spel en dat zal later overtuigend blijken (19:15-20)!

5. Chusai en Achitofel – 2 Samuël 16:15-23 en 17:23

Chusai, die grote faam aan het hof geniet, zet in aanwezigheid van Absalom en Achitofel zijn ondermijnende operatie in gang (16:15-19).

Achitofels openingszet

Op het moment dat Absalom Achitofel om raad vraagt, kwijt deze zich als raadsman voortreffelijk van zijn taak. Hij komt met een overtuigend en gevaarlijk plan. Nogal logisch dat David al beeft bij de gedachte dat dit genie aan Absaloms kant staat! Achitofel adviseert de kroonprins om zijn greep naar de macht te bezegelen door de liefde te bedrijven met Davids tien bijvrouwen. Achitofel suggereert om dit in een tent op het dak van het paleis te doen, zodat de hele stadsbevolking het kan zien. In de landen van het Oude Midden-Oosten was het een gebruikelijk politiek teken dat een volledige machtsovername bewees. In Jeruzalem mist het allesbehalve zijn doel (20-22). Absalom doet wat Achitofel hem voorstelt, want diens raad weegt in die dagen even zwaar als wanneer men een woord van God zou vragen (23).

Vervolgens vraagt Achitofel aan Absalom om 12.000 man met hem mee te sturen om David nog diezelfde nacht te achtervolgen. Hij gaat er immers vanuit dat de koning als een opgejaagd dier doodmoe is en zich machteloos voelt. Achitofel wil hem daarom overvallen, zodat Davids volk hem in de steek laat en er vandoor gaat. Absalom en de in het paleis aanwezige oudsten van Israël vinden het een uitstekend idee (17:1-4).

Chusai’s tegenzet

Vooraleer Absalom er groen licht voor geeft, richt hij zich tot Chusai. Hij wil weten wat hij van Achitofels plan vindt (5-6). Uitgekookt zegt Chusai dat ‘slechts voor deze keer’ diens raad niet goed is (7). Hij steekt hem de loef af door Davids moed, bitterheid en krijgshaftigheid bijzonder groot uit te meten. Daarom dringt hij erop aan dat Absalom een algemene mobilisatie op touw zet. Voorwaar een knap stukje schaakspeldiplomatie! ‘Koning’ Absalom gaat er op in en verliest door die mobilisatie kostbare tijd. Precies wat Chusai wil en David nodig heeft. Gefeliciteerd Chusai (8-14)!

Hierop zendt Davids vriend Chusai via de priester Sadok twee spionnen naar de koning toe. Deze Jonatan en Achimaäs ontsnappen ternauwernood aan een onderschepping door Absaloms soldaten (15-21). Zij bereiken de koning en brengen verslag uit. De voortgejaagde David kan nu, dankzij de neutralisering van Achitofels plan, opgelucht de Jordaan oversteken en zich opmaken voor de strijd. Terwijl hij daarmee bezig is, weet hij nog niet van Achitofels zelfmoord. Met Davids overwinning in het vooruitzicht verwacht deze geweldige raadsman geen dageraad meer voor zichzelf. Hij maakt een einde aan zijn leven (21-23). Opnieuw, dank je wel, Chusai!

5. Joab en Absalom – 2 Samuël 17:24-19:8

David reist naar Machanaïm (17:22). Hij wordt er vanuit drie kanten overvloedig bevoorraad. De initiatiefnemers zijn Sobi uit Ammon, Makir uit Lo-Debar en Barzillai uit Gilead (17:27-29). Intussen is Absalom de Jordaan overgestoken en komt met zijn leger dichterbij (24-26). Het belooft spannend te worden. Er barst een ware burgeroorlog los. Als kemphanen staan tegenover elkaar: twee koningen (vader en zoon), twee generaals Joab en Amasa (elkaars neven) en veel volksgenoten, die aan de ene of aan de andere kant vechten. Een zwarte dag voor JHWH en ‘zijn volk’ (24-29).

Alles gaat nu bliksemsnel. David neemt strategische maatregelen. Hij stuurt er drie legerafdelingen op uit. Zij staan onder de leiding van de zeer bekwame aanvoerders, Joab, Abisai en Ittai. Zelf mag hij niet mee. Zijn leger, dat zeer op hem is gesteld, wil hem voor geen goud verliezen. Tijdens de generale stafvergadering dringt David er bijzonder sterk op aan om zijn zoon Absalom te sparen. Letterlijk zegt hij tegen de grote drie in het bijzijn van het volk: ‘Behandel de jongeman Absalom met zachtheid’ (18:1-5).

Absalom vermoord

Het wordt een klinkende overwinning in het woud Efraïm, maar er vallen veel slachtoffers (6-8). Een close-up beschrijft Absaloms dood. Eerst wordt hij door de takken van een boom geveld, waarna de ijzervreter Joab de weerloze Absalom als een hond afmaakt (9-16). Hij krijgt een hoop stenen op zijn lijk. Een cynisch gedenkteken (17-18)!

Ongeduldig wacht David op nieuws. Niet zozeer over de strijd, maar over het lot van zijn zoon. Joab stuurt een Ethiopiër om hem de overwinning te melden. Sadoks zoon Achimaäs dringt erbij Joab op aan om zelf ook het nieuws te brengen. Hij rent de Ethiopiër voorbij, omdat hij de koning voor de grote schok wil behoeden. Hij vertelt dat het allemaal goed is verlopen, maar blijft heel vaag over Absalom. Kort daarop komt de Ethiopiër aan met het bericht over Absaloms dood (19-32).

Onmiddellijk gaat David in de rouw en manifesteert een hartverscheurend verdriet (33). Zijn manschappen schrikken enorm. Vreugde slaat om in schaamte en schuldgevoel. Geen optocht maar een rouwprocessie trekt de stad binnen (19:1-4). De sterke man Joab accepteert echter niet dat David zich afsluit voor de soldaten. Die hebben immers hun leven voor hun koning geriskeerd. Keihard en onverbloemd wijst hij zijn koning terecht. De generaal dwingt de rouwende David als koning op te treden en zich niet als vader te gedragen (5-8). Punt uit! Deze psychologische invasie van Joab in het emotionele leven van de koning zal David hem nooit meer vergeven (1 Koningen 2:5-6).

6. Simi en Mefiboset – 2 Samuël 19:9-39

In Jeruzalem heerst chaos. Gevoelens van verslagenheid en van overwinning tekenen de tweedracht. Men moet David wel laten terugkeren. De koning hoort van de malaise en spoort zijn eigen (stam) Juda aan om hem als eerste te verwelkomen. En Absaloms generaal Amasa? David geeft hem het algemeen opperbevel en Joab schuift hij aan de kant (9-14). Heeft de koning intussen vernomen dat hij zijn zoon eigenhandig heeft afgemaakt? Of wil David politiek overleven?

Doodsbenauwde Simi

Bij de Jordaan komt Simi ‘in allerijl’ met hangende pootjes met een vurig pleidooi om vergeving vragen (15-20). Opnieuw wil Joabs broer, de vechtersbaas Abisai, korte metten met Simi maken (21). Ook nu houdt David hem energiek op afstand (22). In de lijn van zijn voorganger koning Saul – na diens overwinning tegen de Ammonieten (1 Samuël 11:13) – neemt ook hij geen wraak op zijn tegenstanders. David vergeeft Simi, hoewel de meesten wraak zouden nemen (19:15-23).

Grootse Mefiboset

Een blije Mefiboset komt vanuit Jeruzalem de koning tegemoet. Hij draagt sporen van rouw vanwege Davids vlucht, waarop hij als verlamde niet mee kon (24). Mefiboset pleit onschuldig. Hij heeft echt geen verraad gepleegd (24-28). Zijn dienaar Siba is de boosdoener! Hij is er immers met de ezels en de voorraad van zijn meester vandoor gegaan. Opnieuw neemt David direct een beslissing. Mefibosets goederen en bezittingen, die hij op de heenweg aan Siba heeft toegekend, laat hij nu door beiden delen. Zo spaart de koning de kool en de geit. Siba’s materiële steun in nood zet de koning op gelijke voet met Mefibosets morele en emotionele trouw (29-30). Echt groots is de kreupele Mefiboset als hij verklaart dat Siba wel alles mag houden. Voor hem telt alleen dat David ongedeerd is. Wat een trouw! Wat een liefde! Eigenschappen van het kaliber van die van zijn vader Jonatan, die zich volledig voor zijn ‘rivaal’ David wegcijferde (1 SamuëI 18:1-4)!

Verder bedankt David zijn tachtigjarige oude getrouwe vriend Barzillai om diens materiële ondersteuning in de voorbije crisis. De koning wil hem mee naar Jeruzalem nemen om er als vergoeding voor de rest van zijn leven op de kosten van het paleis te leven. Beleefd wijst Barzillai deze gunst van de hand, maar verzoekt dat zijn zoon Kimhan met David mag meegaan (31-39). En zo gebeurt het ook.

7. David terug op de troon in zijn hoofdstad – 2 Samuël 19:40-43

Bij Davids verwelkoming in de hoofdstad gaan Israëlieten en Judeeërs zeer gespannen met elkaar om (40-43). Beide groepen concurreren op het vlak van hun trouw en vermeende rechten op de teruggekeerde koning. Wat echter telt, is dat David weer als koning zijn intrek in de hoofdstad kan innemen en in de nabijheid van God en zijn verbondskist kan verkeren. Het leven gaat door!

Ter afronding

Koning David komt door zijn zoon Absalom in een enorme crisis terecht. Na afloop kan hij erop terugblikken als een uitloper van zijn eigen misstappen en fouten. David toont zich daarbij groots omdat hij: 1) bloedvergieten in Jeruzalem vermijdt; 2) zijn koelbloedigheid behoudt; 3) gelaten afwacht wat God voor hem in petto heeft; 4) JHWH’s hulp inroept waar hij zelf geen raad meer weet (Achitofel!); 5) zich niet wreekt op wie hem kwaad doet (Simi) en 6) dankbaarheid toont aan wie hem helpen (Barzillai).

Het is wel jammer dat hij 1) een beslissing neemt na het horen van slechts één partij (Siba) ; 2) geen verschil maakt tussen Siba’s materiële (belanghebbende) en Mefibosets emotionele (belangeloze) steun en 3) zijn verdriet boven de inzet van zijn volk stelt.

David dankt zijn terugkeer op de troon aan de inzet van: 1) zijn God; 2) zijn trouwe vrienden Ittai, Chusai, Barzillai; 3) zijn generale staf (Joab en de zijnen); 4) zijn priesters (Sadok en de zijnen) en 5) uiteraard zijn eigen inzet.

Al bij al bewijst David enerzijds een nederige aanvaarding van de gevolgen en anderzijds een eigen inzet en een beroep op God. In de nood leert hij wie het goed met hem voor hebben en wie kwaad in de zin hebben.

Wordt vervolgd