AMOS

5 – Israëls tenhemelschreiend gedrag 1

Amos 3:9-4:13

In 3:3-8 heeft Amos zijn geniale schrijfkunst gedemonstreerd. Met zijn sluitende bewijsvoering zet hij zijn toehoorders verstandelijk en emotioneel schaakmat. Door JHWH gedwongen om als diens spreekbuis op te treden, probeert hij hen te overtuigen en te waarschuwen dat er oorlog op til is. Zijn Israëlitische toehoorders zijn gewaarschuwd!

Filistijnse en Egyptische leiders als ooggetuigen

Dodelijke ernst is het JHWH en zijn profeet. Wat daar allemaal in Israël gebeurt! Het moet aan de kaak worden gesteld. Het gewelddadige gedrag van Israëls leidinggevenden is voor een weldenkend mens nauwelijks te bevatten. Daarom stuurt JHWH zelfs een uitnodiging naar de Filistijnse en de Egyptische machthebbers in hun burchten. Hij nodigt deze vijanden van Israël uit om een kijkje te komen nemen in Israëls burchten. Laten zij maar komen en zich verzamelen op de bergen rondom Samaria. Dan kunnen zij zien hoe het er in Israëls hoofdstad aan toegaat.

Gedragen deze Filistijnse en Egyptische leiders zich dan zo voorbeeldig? Uiteraard niet, maar desondanks mogen zij het veel ergere gedrag van hun Israëlitische collega’s komen vaststellen hoe die zich tegenover hun heel arme bevolking gedragen! In hun onderlinge relaties hadden de Israëlieten voor de Filistijnse en Egyptische samenlevingen een hartgrondige minachting. Toch roept de profeet die buitenlandse onbarmhartige leidinggevenden als getuigen op voor het proces tegen Israël. Hiermee onderstreept Amos de afschuwelijke manier van doen van de Israëlitische machthebbers. Schrikbarend!

Israëls heren beschuldigd

Onder de inwoners van de stad Samaria heerst een ‘grote verwarring’ (3:9 – NBG). Een chaos, een ontwrichting. De genoemde ‘onderdrukking’ moet worden opgevat als ‘geweld en afpersing’ van kwetsbaren en onschuldigen. In deze hoofdstad van Israël heerst een zéér gewelddadig bloedvergieten. Het gaat om verpletterende afpersingen, plunderingen en vernielingen door de bovenlaag van de maatschappij. Bondig karakteriseert Amos de daders met ‘zij weten niet correct te handelen’. Concreet rechtvaardig en betrouwbaar gedrag – in overeenstemming met de wetten van Mozes – blijkt hun totaal vreemd. Deze scherpe beschuldigingen legitimeert de profeet met ‘uitspraak van JHWH’. Zo claimt hij dat deze regelrecht van God zelf afkomstig zijn.

Israëls straf aangekondigd

Meedogenloze machthebbers? Meedogenloze straf!

Nadat Amos als JHWH’s dienaar de Filistijnse en Egyptische getuigen opriep en Israël van meedogenloosheid beschuldigde (3:9-10), presenteert hij een voor hen een overeenkomstige straf. In Samaria’s burchten stapelen de welgestelden hun rijkdom op door armen, weerloze en geringe mensen af te persen. Zij schromen er niet voor om deze mensen met geweld te verpletteren en hun huizen leeg te plunderen. Echter, opgelet! Die zelfgenoegzame machthebbers staat echter een vergelijkbare verschrikking te wachten. Terwijl zij zich nog neervlijen op hun gemakkelijke en overdadig versierde en rijkelijke divans – zij kochten die nota bene met afgeperst en ontfutseld geld – komt de vijand hun burchten belegeren. Die worden tot op de grond vernietigd en totaal geplunderd. Zullen de Israëlitische machthebbers daarbij de dans kunnen ontspringen? Niets daarvan! Slechts luttele sporen zullen ervan overblijven: twee afgerukte poten of een stukje van een oor!

             Wat een heftig beeld! Amper enkele botten of een oorlel weet een herder van de prooi van een leeuw te redden. Hiermee houdt Amos Samaria voor dat het absoluut geen kans zal maken om aan de vijand te ontkomen (3:12). Deze dubbele metafoor leert dat het schaap dood is en Israël dus volledig wordt vernietigd. De Israëlitische machthebbers verdwijnen van het toneel. Figuurlijk gesproken zou er nog iets – de poten en de oorlel? – van Israël overblijven. JHWH zou nog een schamele rest uit de macht van de vijand redden. Met deze metaforische leeuw schildert Amos JHWH’s oorlogsingang tegen Israëls steden (5:1-2) en tegen haar hoofdstad Samaria (3:9-11).

Daar Israëls leidinggevenden geen recht (mīsjpat) en geen gerechtigheid (tsedāqā) in Israël toepassen (5:7), maar juist onderdrukking (chāmās) en geweld (sjōd) in Samaria niet doen ophouden (3:9-10), heeft Israëls God redenen te over om te straffen. Eigenlijk past de Heer JHWH op de Israëlitische machthebbers een voorschrift van Mozes toe: het vergeldingsrecht of het oog-om-oog en tand-om-tand (of ius talionis):

17 Ook wie een mens doodt moet ter dood gebracht worden,

18 en wie een dier uit andermans veestapel doodt,

   moet het vergoeden: een leven voor een leven.

19‑20 Wanneer iemand letsel toebrengt aan een ander,

   moet hem hetzelfde letsel worden toegebracht:

               een breuk voor een breuk,

               een oog voor een oog,

               een tand voor een tand.

   Wat hij de ander heeft aangedaan zal ook hem aangedaan worden.

– Leviticus 24:17-20 NBV

18 De rechters moeten de zaak zorgvuldig onderzoeken.

   Als blijkt dat de getuige heeft gelogen en een vals getuigenis heeft afgelegd,

19 Dan moet u hem de straf opleggen die hij de ander had toebedacht.

   Zo moet u het kwaad dat zich bij u aandient in de kiem smoren.

20 De anderen moeten daardoor worden afgeschrikt,

   zodat dergelijke wandaden zich niet herhalen.

21 Heb geen medelijden en eis

   een leven voor een leven,

   een oog voor een oog,

   een tand voor een tand,

   een hand voor een hand,

   een voet voor een voet.

– Deuteronomium 19:21 NBV

Wat men vandaag van een dergelijke straf ook mag denken (zie ook Exodus 21:23-27), in Amos’ tijd, waarin Israëls machthebbers en consorten doelbewust kwaad doen, lijkt het de enige juiste en meest rechtvaardige straf.

Tempels en paleizen afgebroken

Met ‘het huis van Jakob’ bedoelt Amos ‘Jakobs nakomelingen’. Zo verwijst hij naar de stammen, die zich onder de leiding van Jozua in het land Israël settelden. De bevolking van dit Groot-Israël moet nu aanhoren wat JHWH zegt. De profeet wendt daarvoor verschillende titels voor Israëls God aan. Elk van deze (Hebreeuwse) namen heeft een bijzondere betekenis:

a.  ‘Adonai’ of ‘Heer’ is de meester en heer over zijn ondergeschikten;

b.  ‘JHWH’ (of letterlijk ‘Jahweh’, dat men beter niet uitspreekt) is de persoonlijke eigennaam van Israëls God. Hij verwijst naar hem als Israëls bevrijder uit Egypte. Sinds het Sinaïverbond is hij hun verbondsgod;

c.   ‘Elohim’ of ‘God’ is de schepper van alle mensen en volken in de wereld;

d.  ‘God van de strijdmachten (of legers)’ duidt op hem als de soevereine strijder en legeraanvoerder van zijn aardse (en hemelse) legers, die hij naar believen kan inzetten.

Amos presenteert zijn heer en meester dus als JHWH, de (nationale) God van alle Israëlieten en tegelijk ook als de universele God van de volken. Met ‘God van de legers’ legt de profeet dus de nadruk op diens strijderscapaciteiten. Net als een opperbevelhebber verheft JHWH zich gewoonlijk tegen Israëls vijanden. Hier maakt hij een uitzondering! Hij doet het tegen zijn eigen verbondspartner Israël en reageert daarmee op diens wangedrag en hij zet daarvoor vijandelijke (Assyrische) legers in.

Niet alleen Israëls machthebbers (3:10) en hun vrouwen (4:1) moeten het ontgelden. JHWH viseert ook hun tempels, hun prachtige winter- en zomerhuizen en hun ivoren en grote huizen die er als paleizen uitzien. Hij laat ze – als met een bulldozer – met de grond gelijkmaken. Niets blijft ervan overeind! De vele werkwoorden in deze toespraak leren de toehoorders (en de lezers) dat JHWH een totale vernietiging aankondigt! Met zijn driemaal ‘ik zal’ (in 3:13-15) informeert Amos zijn toehoorders dat JHWH zich bij deze afstraffing zeer persoonlijk engageert.

Voor zijn publiek lagen deze gebeurtenissen nog in de toekomst. Dat het geen ijdele woorden waren, blijkt uit Israëls latere geschiedenis. De verteller van de boekrol Koningen geeft ze aan zijn lezers ten beste. De door Amos voorspelde vernietiging van Israël wordt daarin bijzonder sober vermeld:

3 Koning Salmanassar van Assyrië rukte tegen Hosea op

  en onderwierp hem …

5 Hij viel het land binnen,

  trok op tegen Samaria

  en belegerde de stad drie jaar lang.

6 In het negende regeringsjaar van Hosea nam de koning van Assyrië Samaria in.

  Hij voerde de Israëlieten als ballingen mee naar Assyrië.

  Sommigen wees hij een woonplaats aan in Chalach,

  anderen aan de rivier de Chabor in Gozan,

  en weer anderen in de steden van Medië.

7 Dit alles gebeurde omdat de Israëlieten zondigden tegen JHWH, hun God,

  die hen had bevrijd uit de handen van de farao, de koning van Egypte,

  en hen uit Egypte had weggeleid.

  Ze waren andere goden gaan vereren

8 en volgden de levenswijze van de volken

  die de HEER voor hen verdreven had

  en de bepalingen die de koningen van Israël zelf uitvaardigden

23 Uiteindelijk verstootteJHWH Israël,

   zoals hij bij monde van alle profeten, zijn dienaren, had voorzegd,

   en de Israëlieten werden in ballingschap van hun grondgebied weggevoerd naar Assyrië,

   waar zij wonen tot op de dag van vandaag.

2 Koningen 17:1-8 en 20,23 NBV

Voorname dames aangeklaagd

Niet alleen de leidinggevende en kapitaalkrachtige mannen van Israël zijn schuldig en moeten de gevolgen van hun misdaden incasseren. Ook hun vrouwen worden erbij betrokken.

Amos richt zich tot de welgestelde vrouwen van Samaria met ‘koeien van Basan’! Hoe schril steken deze vrouwen af tegen de ideale vrouw, die zich inzet voor armen en behoeftigen en juist haar handen uit de mouwen steekt voor minderbedeelden:

20 Haar handen strekt zij uit naar de behoeftigen                   ze geeft de armen hulp.

– Spreuken 31:20 NBV

Deze luxe vrouwen uit Noord-Israël tonen geen spatje medeleven noch medelijden met de zwakken van de samenleving. Integendeel. Zij zijn er juist mee de oorzaak van dat geringe en behoeftige mensen via uitbuiting en mishandeling worden onderdrukt. Luxueus en vadsig kunnen leven is de enige zorg van deze ‘ladies’. Amos vergelijkt hen met het vee in de landstreek Basan aan de overzijde van de Jordaan! Dat vee dat zich – door de goede zorgen van hun herders – tegoed doet aan het gras van de vruchtbare weiden. Zijn jongere collega-profeet Micha verwoordt het zo:

14 Weid uw volk met uw staf, de schapen van uw erfdeel

    die eenzaam wonen in een woud, te midden van een vruchtbare landouw.

    Laat hen weiden in Basan en in Gilead als in de dagen van ouds.

Micha 7:14 NBG                                                               

De gevestigde dames in Samaria zorgen ontzettend goed voor zichzelf. Zij laten zelfs hun mannen opdraven met wijnen, die deze zich onrechtmatig hebben toegeëigend. De weerzin van Amos is bijzonder groot. Daarom vergelijkt de profeet deze vrouwen niet alleen met vadsige koeien. Hij durft hen zelfs als zodanig toe te spreken! Zijn verontwaardiging over de mensonwaardige behandeling van uitgebuite en vertrapte armen klinkt dan ook cynisch concreet. Dat hij ze met lome zwaarlijvige koeien vergelijkt, zal bij deze dames ongelooflijk hard aankomen. Maar niet als … zij hun schouders ophalen voor wat zo’n veeboertje uit Juda tegen hen uitkraamt.

Meedogenloze dames? Meedogenloze straf!

De vadsige en zelfzuchtige vrouwen van Samaria leiden hun luxueuze leventje dus ten koste van arme, weerloze en geringe mensen. Zij laten hen vertrappen en leegzuigen. Eigenlijk zouden juist die vrouwen voor weduwen, wezen en vreemdelingen moeten zorgen om wie JHWH zich altijd zo bekommert:

12 Hij zal bevrijden wie arm is en om hulp roept wie zwak is en geen helper heeft.

13 Hij ontfermt zich over weerlozen en armen, wie arm is, redt hij het leven.

– Psalm 72:13 NBV

Na de strafaankondigingen, die Israëlitische machthebbers te horen krijgen, komen ook hun vrouwen aan de beurt. Tegen deze egocentrische dames gaat de profeet met vissen, vishaken en angels op dezelfde metaforische toer voort:

             Amos verduidelijkt voor zijn toehoorders (en lezers) dat een vijand deze uitdrijving en deportatie zal uitvoeren. Door de vele bressen, die hij in de muren van de stad Samaria maakt, zullen deze verdwaasde dames worden uitgespuwd. Deze ladies zullen als vee recht vooruit naar Ha-harmon worden voortgedreven. Dat is ‘de berg Hermon’, waarlangs de handelsroute naar het noorden loopt. Op die weg waren de Assyriërs gewoon hun gevangenen weg te voeren naar een – voor nu moeilijk te lokaliseren – regio binnen Assurs wereldrijk. Onder de ballingen zullen er hoe dan ook vele weggesleepte vrouwen de dood vinden. Als zij al het geluk hebben het er levend van af te brengen, aan de gebruikelijke en verschrikkelijk pijnlijke vernederingen in gevangenschap zullen zij niet ontsnappen

             JHWH is blijkbaar bloedserieus, want de profeet moet Israëls leidinggevenden vertellen, dat zij niet aan diens voornemen moeten twijfelen. Als rechter confronteert hij Israël met dit proces. Daarbij zweert hij zelfs met zijn eigen naam. Amos bedoelt hier dat JHWH zijn eigen persoon inzet, die hij zelf als heilig kwalificeert.

Spoorde Mozes Israël niet aan om zich als een heilig volk te gedragen?

2 Wees heilig, want ik, JHWH, jullie God, ben heilig.

– Leviticus 19:2 NBV

Te midden van alle volken hoort JHWH’s verbondsvolk een andersoortige natie te zijn, omdat Israëls God nu eenmaal heilig is. Met deze term ‘heilig’ kwalificeert JHWH zich als helemaal anders dan alle andere goden. In Amos’ context vormt o.a. Leviticus 25:35-36 de achtergrond van JHWH’s eed. Deze past volledig bij het bestraffen van de Israëlitische machthebbers en hun vrouwen. Bestalen en bedrogen zij niet hun arme volksgenoten? Hielden zij hun lonen niet in? Weigerden zij niet om hen te helpen? Eisten zij geen rente?

35 Wanneer een van jullie tot armoede vervalt en zich niet kan handhaven,

   moet je hem bijstand verlenen,

   zoals je ook een vreemdeling zou helpen die bij je te gast is;

   je mag hem niet laten verkommeren.

36 Toon ontzag voor je God en laat je volksgenoten niet verkommeren.

   Wanneer je een volksgenoot iets leent,

    mag je hem vooraf noch achteraf rente vragen.

37 Je mag van hem geen rente vragen als je hem geld leent,

  en geen winst maken als je hem voedsel geeft

– Leviticus 25:35-36 NBV

Wordt vervolgd