7.1.9 Koning David en zijn zonen

 Stapsgewijs kennismaken met David, die als de hoofdspeler fungeert

in het tweede gedeelte van de boekrol Samuël.

Natan kreeg van JHWH de opdracht om koning David te confronteren met zijn wangedrag. Hij deed dat zeer efficiënt. Een door hem verteld verhaaltje maakt heel wat los bij David, die uiteindelijk, ontmaskerd, zijn misstappen bekent. JHWH vergeeft hem onmiddellijk, maar de gevolgen krijgt hij niet cadeau. De bijbelverteller laat die via verschillende opeenvolgende keuzes en handelingen van David en zijn zonen over een lange periode de revue passeren. In de meeste gevallen draaien ze op lust en zwaard uit, die beide – in de zaak Batseba en Uria – Davids gedrag hebben getypeerd.  

1. Onmiddellijke gevolgen – 2 Samuël 12:15-23

Het kind wordt ernstig ziek

Natans opdracht zit erop. Hij gaat naar huis en verdwijnt daarmee voor een hele tijd van het toneel (15a). De bijbelverteller richt de focus volledig op de achtergebleven David. Israëls God heeft hem vergeven, maar keert hem de rug niet toe. Hij blijft zijn relatie met David in stand houden, maar hij doet dat niet met fluwelen handschoenen. De bijbelverteller interpreteert het ziek worden van het jongetje, dat ‘de vrouw van Uria’ aan David heeft gebaard als een ingreep van JHWH: ‘hij treft het kind, zodat het erg ziek wordt’ (15a). Hij noemt Batseba’s naam niet, maar hij laat duidelijk uitkomen, dat toen zij zwanger werd zij nog steeds met Uria was getrouwd. Lezers mogen dus niet vergeten dat het om een kind gaat dat uit hun overspelige relatie is voortgekomen. Het blijkt een dodelijke ziekte te zijn.

Hoewel Natan tegen David had gezegd dat de zoon, die zou geboren worden, zal sterven (12:14), wekt de koning de indruk dat hij niet gelooft dat het echt zal gebeuren. ‘Hij zocht God’ betekent, dat hij bij herhaling bidt en dus een dringend beroep op God doet – zoals de tekst zegt – ‘omwille van het kind’ (16a). Hij begeleidt zijn bidden met vasten en met ’s nachts op de vloer te liggen (bij de baby, in de armen van Batseba?). De vervoegde werkwoorden binnenkomen, liggen en de nacht doorbrengen geven aan dat hij dit bij herhaling doet. Lezers kunnen zo – bij wijze van spreken – Davids gemoedstoestand bijna concreet gewaarworden. Zij kunnen zich ook afvragen waarom hij geen beroep doet op de hofarts. Hij lijkt de baby volledig in de handen van God over te laten.

Hardnekkig weigert hij echter met zowel het vasten als met het op de vloer liggen op te houden. Hij blijft hopen. Hij probeert met alles wat hij in zich heeft ervoor te vechten dat het kind de ziekte overleeft. Later verklaart hij zijn opvallend gedrag duidelijk met de woorden: ‘wie weet is JHWH mij genadig, zodat het kind in leven blijft’ (22d). Ergens denkt David God te kunnen vermurwen, zodat deze zijn voornemen niet uitvoert. Pogingen van de belangrijkste dienaren in het paleis om hem toch te doen eten draaien op niets uit.

Het kind sterft

De woordgroep ‘en het gebeurde dat’ gebruikt de verhaalverteller om aan te geven dat Davids steeds weer terugkerende handelingen plotseling tot stilstand zijn komen. De melding dat het kind sterft op de zevende dag, maakt helder dat de maximale tijd, die JHWH hem en het kind heeft gegeven voorbij is. Davids tijd van bidden en hopen zit er op. JHWH heeft er een punt achter gezet alleen weet David het nog niet. Doordat zijn dienaren hebben gezien hoe hij die hele week heeft geleden, durven zij hem niet te vertellen dat het kind overdag tijdens zijn afwezigheid is gestorven. Zij vrezen het ergste. Met ‘hij zou iets kwaads kunnen doen’, bedoelen zij dat hij misschien zelfmoord zou kunnen plegen. David merkt het aan hun gedrag en vraagt hen daarom of het kind inderdaad dood is. Op die vraag antwoorden zij (in het Hebreeuws) niet met ‘ja’, maar met één enkel woord: ‘dood’.

Davids vasten, wenen en smeken hebben dus niet geholpen. JHWH’s voorzegging is snel uitgekomen. Natan had immers tegen hem met veel nadruk gezegd: ‘het kind zal sterven, ja sterven (12:14).  

Deze ervaring leert David dat zijn eerder gedrag tegenover Batseba en Uria absoluut niet kan. Jakobus’ wijsheid in het Nieuwe Testament wordt in Davids ervaring realiteit: ‘Iedereen komt in verleiding door zijn eigen begeerte, die hem lokt en meesleept. Is de begeerte bevrucht, dan baart ze zonde; en is de zonde volgroeid, dan brengt ze de dood voort (1:14-15 NBV). Bovendien hoort koning David als Gods vertegenwoordiger een modelgelovige te zijn. Hij wordt echter er de oorzaak van dat zijn tegenstanders God en zijn volk belachelijk maken. Door zijn gedrag heeft David de niet-Israëlieten koren op de molen tegen Israëls God gegeven (12:14).

Onbegrijpelijk gedrag

Als het bij David inzinkt dat het kind werkelijk dood is, komt hij tot actie. Negen supersnel opeenvolgende werkwoorden sommen zijn handelingen op en slaan zijn dienaren met verstomming: David staat op, wast zich, zalft zich, kleedt zich om, gaat naar JHWH’s tentheiligdom, buigt er zich neer, gaat naar huis, vraagt brood en eet het op! Hij heeft dus intensief rouw bedreven terwijl het kind noch in leven was. Wie inderdaad in rouw is, eet niet, wast en zalft zich niet en wisselt ook niet van kleding. David doet het in omgekeerde volgorde. Terwijl het kind nog leeft, bedrijft hij rouw en meteen na het overlijden gaat hij over tot de orde van dag. Aan zijn uiterlijk kan niemand zien dat hij een kind heeft verloren.

Zij begrijpen er werkelijk niets van en kunnen het niet laten om de koning een verklaring te vragen.

2. Een nieuw begin – 2 Samuël 12:24-25

De koning geeft een heel eenvoudige verklaring. Gedaan is gedaan. Het is voorbij. Aan de dood van het kind valt toch niets meer te veranderen. Het tot leven terugbrengen kan hij niet. Het enige dat hij wel kan, is naar het kind toe te gaan als het zijn beurt is om te sterven. Het is een uitdrukking, die verwant is aan de opmerking over Abraham, die stierf en bij zijn voorgeslacht vergaderd werd (Genesis 25:8). Over God rept David geen kwaad woord en hij verwijt hem ook niets. Hij laat er geen traan voor en hij klaagt ook niet. Hij aanvaardt de werkelijkheid, zoals die zich aandient en zet zijn leven gewoon voort. Dat maakt de verteller meer dan duidelijk:

Nu de hele episode van overspel en moord, die tot het verleden hoort en David zijn straf heeft gehad, wordt zij niet meer ‘de vrouw van Uria’ genoemd. De verteller noemt haar nu bij haar naam Batseba met de bijstelling ‘zijn vrouw’. Het lijkt erop dat dit de eerste keer is sinds de geboorte van het kind dat David met haar slaapt. Hier staat niet – zoals eerder dat hij haar ‘neemt’ (11:4) – maar haar troost en ‘tot haar komt’. Het komen tot een vrouw en bij haar liggen, duidt op de gebruikelijke omgang van een man met een vrouw. Nu blijkt ook JHWH zijn goedkeuring te geven aan hun huwelijk.

Batseba wordt zwanger en baart een tweede zoon voor David. In de geschreven tekst in de Hebreeuwse tekstuitgave staat: ‘hij geeft hem de naam Salomo’, De uit te spreken tekst (die in de kantlijn staat) vermeldt echter ‘zij geeft hem de naam Salomo’. Lezers kunnen dus niet met zekerheid achterhalen wie de naam aan het kind heeft gegeven: David of Batseba?

De naam Salomo kan vertaald worden met ‘vrede van hem’ (sjālōm-ō) of als ‘zijn vrede’. Zien de ouders dit kind als een uiting van de vrede, die hen nu van God toekomt, omdat de zaak nu tot het verleden behoort? Of verwijst hij naar Davids (innerlijke?) vrede? Of gaat het om een hint naar die zoon, die later  ‘zijn eigen vrede’ zal blijken na te jagen. Het nauwkeurig lezen van de verhalen over koning Salomo (in 1 Koningen 1-11) kan daarvoor mogelijk een bevredigend antwoord opleveren.

De verteller vermeldt dat JHWH het jongetje liefheeft en dat hij naar David zijn profeet Natan stuurt. Deze geeft het kind een tweede naam: Jedidja. Het betekent ‘de geliefde van JHWH’. Onder de bijbelgeleerden is er discussie of die laatste verwijst naar zijn bijnaam of naar zijn roepnaam in de familie. Het heeft er alle schijn van dat Salomo zijn troonnaam is. Mogelijk wil de bijbelverteller zijn lezers doen begrijpen dat JHWH David effectief een nieuwe start wil gunnen. De koning moet zijn voorbije gedrag niet meer als een last met zich meezeulen. Hij mag opgelucht ademhalen en samen met Batseba aan een nieuw leven beginnen.

3. De oorlog met de Ammonieten – 2 Samuël 12:26-31

Generaal Joab is nog steeds met het leger van Israël in het land Ammon (2 Samuël 11:25) en hij heeft het nog steeds druk met de belegering van de hoofdstad Rabba. Hij maakt echter goede vorderingen en brengt David daarvan op de hoogte (12:26-27). Hij spoort zijn koning aan om met een ander deel van Israëls leger naar Rabba te komen. Hij wil de inname aan de koning overlaten, zodat deze de eer van de overwinning op zijn conto kan schrijven (28). David gaat in op dit voorstel, komt met het leger dat bij hem is gebleven naar de stad Rabba toe, die hij stormenderhand inneemt (29). Nadat hij de zowat 33 kilogram wegende kroon met een schitterende kostbare steen van het hoofd van de Ammonitische koning heeft afgenomen, wordt deze op zijn hoofd gezet. Zo laat hij zich tot koning over de natie Ammon kronen (30). Hij verlaat  haar niet met lege handen, want hij maakt er zeer veel buit. Ook brengt de bijbelverteller een allesbehalve verkwikkend relaas:

Tegenover de verslagen vijanden stelt hij zich bijzonder hard op. Volgens sommige bijbelgeleerden zou men de tekst niet met het voorzetsel onder zagen, pinnen en bijlen’ moeten lezen als zou hij hen martelen tot de dood erop volgt. Zij gebruiken het voorzetsel met, zodat hij hen tot dwangarbeid zou hebben veroordeeld. Deze specialisten moeten dan wel in de Hebreeuwse bijbeltekst ingrijpen en er één letter in wijzigen. Laat men de brontekst echter onaangeroerd, dan stuit deze vorm van executeren uiteraard tegen de borst van huidige lezers. Het parallelverhaal over deze episode (1 Kronieken 20:3) bevestigt eerder de eerste mogelijkheid. Davids gedrag komt enigszins overeen met zijn vorige optreden tegen de Moabieten, waarbij hij van de overwonnenen er maar één op drie laat leven (2 Samuël 8:2). Het lijdt geen twijfel dat David duidelijk een kind van zijn tijd is. In vergelijking met sommige andere overwinnaars, zoals o.a. de Assyriërs, die zich als de nazi’s van het Oude Midden-Oosten gedragen en gewoonlijk alle gevangenen van het leven beroven, kan zijn gedrag als iets minder wreed worden gekwalificeerd. In de veel later geschreven boekrol Kronieken staat dat God Davids bloedvergieten in ieder geval afkeurt (1 Kronieken 22:7-8). Zou het kunnen dat zijn agressie tegenover de Ammonieten nog sporen vertoont van zijn gewelddadig gedrag tegenover Uria toen zijn innerlijk behoorlijk uit evenwicht was?

4. Seks en zwaard (1) – 2 Samuël 13:1-22

De volgende hoofdstukken vertellen een aantal van Davids ervaringen met enkele van zijn zonen. Zij tekenen zich alle af binnen het kader van wat de profeet Natan David heeft voorzegd (12:11-12).

Amnon en Tamar, Absalom en Amnon

Seksueel misdrijf en gewelddaad gingen bij David hand in hand. Later herhaalt zich dit duo binnen zijn gezin. En warempel in zijn eigen paleis verkracht zijn zoon Amnon diens halfzus Tamar (13:1-19)! En koning David? Die is razend, maar … hij doet niets (21). Geen straf voor Amnon! Zijn halfbroer Absalom en Tamars volle broer kan het niet verwerken. Hij reageert niet, maar hij zint wel op wraak (20-22). Amnons misdaad vereffent hij twee jaar later.

In de periode van het schaapscheren wordt er altijd feestgevierd. Absalom heeft schapen in Baäl-Chasor op zo’n dertig kilometer ten noorden van Jeruzalem. Hij nodigt zijn vader uit om mee te gaan vieren, maar die slaat de uitnodiging af. Absalom vraagt dan of zijn broers mogen meekomen. De koning staat hem dat toe. (23-26). Tijdens het feest herhaalt Absalom Davids misdaad tegen Amnon nadat deze flink heeft gedronken. Net zoals zijn vader doet hij dat niet-door-eigen-hand, maar door die van zijn dienaren. Helemaal ontzet, vluchten alle andere zonen van de koning terug naar Jeruzalem (27-29). David denkt te vernemen dat al zijn zonen dood zijn, maar zijn neef Jonadab stelt hem gerust. Alleen Amon is gedood en dit in opdracht van Absalom! Dat komt niet als een verrassing, zegt Jonadab, want het stond al op diens gezicht te lezen, toen hij vernam dat Amnon Tamar had verkracht (34-37).

Absalom rent voor zijn leven naar zijn grootvader Talmai in Gesur ten oosten van de Zee van Gennesaret (1 Samuël 3:3) . En wat doet vader David? Opnieuw niets! Hij treurt wel over Amnon, maar Absalom laat hij niet straffen! Na zijn rouwproces om Amnon, lijdt de koning enorm om de afwezigheid van zijn lievelingszoon Absalom. Drie volle jaren verkeert deze in een soort van ballingschap (38-39).

5. Seks en zwaard (2) – 2 Samuël 14:1-18:15

Absalom en Davids bijvrouwen, Joab en Absalom

Joab merkt dat de koning zijn lievelingszoon enorm mist. Daarom roept de generaal een wijze vrouw naar het paleis. Zij komt uit Tekoa dat op zo’n vijftien kilometer ten zuidoosten van Jeruzalem ligt. Met een verhaal doet zij – enigszins op Natans manier – David inzien dat hij zijn zoon terug moet roepen (14:1-20). Joab mag Absalom uit Gesur halen, maar de koning geeft hem geen warme ontvangst. Absalom mag niet in zijn nabijheid komen (21-24).

Na twee jaar zet Absalom Joab onder druk. Hij wil en zal zijn vader zien om zich met hem te verzoenen. Als de koning weigert, dan wenst hij nog liever geëxecuteerd te worden. Joab doet het nodige en David stemt toe. De toenadering tussen vader en zoon komt moeizaam op gang. Geweend wordt er niet, noch wordt er een woord gesproken. Absalom kijkt naar de vloer en David brengt het eindelijk op om zijn zoon te kussen (25-33).

Kroonprins Absalom laat het hier niet bij. Terwijl hij zijn vader bij het volk in diskrediet bent, spant hij zich in om hun bewondering en sympathie te winnen. Ook bereidt hij een samenzwering voor om zijn vader van de troon te kunnen stoten. Uiteindelijk komt hij na vier jaar met een leger naar Jeruzalem, zodat David in allerijl de hoofdstad moet verlaten (15:1-37).

De man, die in het verleden van alle kanten was gezegend, moet voor zijn eigen zoon vluchten! Zijn bijvrouwen laat hij achter om op het paleis te passen, zijn getrouwen gaan met hem mee. Hij weet maar al te goed dat zijn terugkeer in Jeruzalem van JHWH zal afhangen. De verbondskist, die Gods aanwezigheid vertegenwoordigt, stuurt hij terug naar de stad. Daar moet zij hoe dan ook blijven onafhankelijk van of hij al dan niet in zal terug kunnen keren.

David ziet dus zeer goed in dat Natans voorzegging werkelijkheid wordt. Hij ondergaat die grootmoedig. Gelaten laat hij aan God over wat er met hem zal gebeuren. Erg emotioneel ervaart hij al wat hem overkomt en hij doet boete (15:30).

Na zijn aankomst in Jeruzalem bedrijft Absalom voor het oog van het volk in een tent op het dak van het paleis seks met Davids tien bijvrouwen (16:20-23). Zo gebeurt precies wat Natan namens JHWH had voorzegd.

Kort daarop treffen de legers van vader en zoon zich, waarbij Joab erin slaagt Absalom dodelijk te verwonden. Hierop vermoorden tien van zijn soldaten de weerloze Absalom (18:15). Ook hier gaan seksueel vergrijp en bloedvergieten hand in hand.

6. Seks en zwaard (3) – 1 Koningen 1-2

Adonia en Davids vrouw, Salomo en Adonia

Het duo seks en zwaard blijft maar zegevieren. Davids boemerang gaat voort met het maken van agressieve buitelingen. Zijn zes oudste zonen – die hij al in Hebron had toen hij daar koning van Juda was – zijn achtereenvolgens Amnon, Kileab, Absalom, Adonia, Sefatja en Jitream. Amnon en Absalom zijn al dood en over zijn tweede zoon Kileab vernemen lezers helemaal niets. De volgende in lijn is Adonia. Daar David zijn opvolging niet heeft geregeld, koestert deze de ambitie om na zijn vader koning te worden (1:5).

Als David hoogbejaard is, wordt hij ziek. Hij moet in bed door een mooie jonge vrouw worden opgewarmd (1 Koningen 1:1-4). Als blijkt dat hij maar niet beter wordt, gaat Adonia aan de slag. Hij benadert twee sterke figuren uit de entourage van de koning, die zich enigszins uitgerangeerd voelen. Priester Abjatar en generaal Joab steunen hem dan ook in zijn voornemen. Collega-priester Sadok, kapitein Benaja van de koninklijke garde, Davids helden en de profeet Natan doen dat niet (1:6-8).

Adonia organiseert een groot feest. Hij nodigt zijn broers uit, maar niet de laatstgenoemden noch zijn broer Salomo (1:9-10). Natan de hofprofeet is de eerste, die aan de bel trekt. Hij schakelt Batseba, de grote liefde van de koning in, die hij aanspoort om bij David binnen te gaan. Deze weet nog niets van Adonia’s initiatief. Natan wil dat Batseba David laat beamen dat hij haar gezworen had, dat Salomo zijn opvolger zou worden. En dit, terwijl van een dergelijke eed in de boekrol Samuël nergens sprake is! Dan komt Natan zelf binnen en hij vult haar woorden aan, alsof zij beiden niets met elkaar te maken hebben. De profeet doet dat meesterlijk (11-27) en David trapt erin. Hij geeft de opdracht om Salomo tot koning uit te roepen en te zalven. En zo gebeurt het (28-40).

Als Adonia het bericht daarover hoort, kan hij niet anders dan inbinden. Hij vreest voor zijn leven en vlucht naar het altaar met een beroep op het asielrecht. Koning Salomo verleent hem dat, maar eist dat hij zich betrouwbaar tegenover zijn koning zal gedra­gen (41-53). Toch blijkt Adonia na de dood van vader David zijn ambities niet op te geven. Na verloop van tijd vraagt hij via Batseba toestemming aan Salomo om te mogen trouwen met de jonge vrouw, die de zieke David moest opwarmen. Zijn verzoek wordt door Salomo begrepen als een machtsgreep naar de troon en daarom laat hij Adonia zonder pardon door Benaja executeren (13-25)!

Ter afronding

Davids zonen Amnon, Absalom en later ook Adonia sterven door het zwaard. Absalom en Adonia plegen een staatsgreep. De laatste had blijkbaar niet van Absaloms ervaring geleerd. Alle drie worden ze door familieleden gedood. Amnon door Absalom, Absalom door zijn achterneef Joab en Adonia in opdracht van zijn broer Salomo. Bij alle drie spelen er seksuele handelingen of intenties een belangrijke rol. Sinds Davids eigen vergrijp tegenover Batseba en Uria, die hij liet ombrengen, zijn seks en zwaard dus effectief niet van zijn gezin geweken! Zijn zonen Amnon en Absalom volgen ieder op hun eigen manier hun vaders voorbeeld. Gebrek aan Davids kordaat optreden verergert alleen maar de zaken. De koning heeft het niet getroffen met zijn zonen. Mogelijk had hij dit – net zoals Eli en Samuël vroeger – ook aan zichzelf te danken door hun opvoeding te verwaarlozen en zich tegenover hen te toegeeflijk op te stellen.

Wordt vervolgd

error: Alert: Content is protected !!