4 – Er is oorlog op til!

Amos 3:3-8

Amos is op ramkoers met zijn Israëlitische toehoorders. Zijn overtuiging staat als een rots in de branding! Volgens hem kan JHWH onmogelijk blijven toezien, wanneer zijn Israël zijn thora aan de kant zet. Gewetenloos en doelbewust treedt het de meest elementaire mensenrechten met voeten. Zijn verontwaardiging stijgt ten top, wanneer hij merkt, dat zijn uit de Egyptische slavernij bevrijde volk de eigen onderdanen op menson­waardige manier uitbuit en onderdrukt!

Het is heel goed denkbaar dat Amos’ toehoorders op zijn toespraak over de torenhoge schuld van Israël verontwaardigd reageren. Zo van … ‘dat kan toch niet. God is toch met ons! Dat merk je echt aan alles. Wij hebben succes op economisch en op militair vlak. Wij worden werkelijk gezegend. Kijk maar! Het gaat ons heel goed. Bovendien besteden wij in onze tempels toch veel aandacht aan JHWH. Hij kan zich onmogelijk tegen ons keren! Wij Israëlieten zijn toch zijn verbondsvolk!’

Israëls rampen komen echt van God

Een dergelijke redenering kan er bij de zuiderling Amos niet in. Juist omdat Israël zijn verbonds­volk is, vraagt JHWH rekenschap van zijn partner (3:2). Dát is de correcte logica! De Israëlieten moeten hun ogen openen en inzien dat de rampen uit het verleden zich kunnen herhalen. Volgens de profeet is het glashelder: die rampen komen recht­streeks van JHWH (3:6-7). Zoals eerder (1:2) gebruikt hij leeuwengebrul om zijn toehoorders te doen sidderen. Drie keer laat hij een leeuw brullen: een volwassen leeuw in het bos en een jonge leeuw in zijn hol over hun prooien (3:4). Tenslotte voert hij een niet gespecificeerde derde leeuw op, die uitermate angstaanjagend is (3:8ab).Hij doet dat met een passievolle toespraak (3:3-8). Met amper 72 woorden solliciteert hij heel energiek zijn publiek. Eigenlijk verplicht hij hen om met hem mee te denken. Dat klinkt als volgt:

Dit is natuurlijk een korte, maar niettemin een bijzonder prachtige toespraak van een zeer hoge literaire kwaliteit.[1] Hij begint met een serie van zeven snel op elkaar volgende levendige retorische vragen, die Amos aan zijn Israëlitische toehoorders stelt (3:3-6). Daarna zorgt hij met een verklaring voor een rustpunt (3:7), die hij onmiddellijk laat volgen door twee zeer korte uitspraken, allebei vergezeld van een dito korte retorische vraag (3:8).

Echt vanzelfsprekend

Met dit salvo van zeven opeenvolgende retorische vragen wil hij zijn Israëlitisch publiek laten inzien dat hun logica over hun relatie met JHWH onjuist is. Hij maakt vanzelfsprekende stellingen in de vragende vorm, waarmee hij naar de (mogelijk) binnensmondse instemming van de aanwezigen solliciteert.

Deze zeven opeenvolgende vragen verwijzen naar universele waarheden, die – op de laatste na – een spreekwoordelijk karakter hebben. Zij zijn zó duidelijk van karakter, dat de hoorders in hun denken moeiteloos met ‘ja’ of ‘nee’ kunnen instemmen. Op elk van die vragen geldt toch slechts één logisch én voor de hand liggend antwoord. De eerste vijf ervan zijn directe vragen, waarop zij wel met ‘nee’ of ‘natuurlijk niet’ moeten reageren. Wie wandelaars, brullende leeuwen, een neerduikende vogel en een opspringend klapnet opmerkt, snapt meteen dat er duidelijke aanleidingen aan de basis van liggen: ontmoeting, prooi, gevangen prooi, lokaas en vangst.

Plotseling verandert de spreker Amos zijn vraagvorm. De zesde (6ab) en de zevende vraag (6cd) leidt hij in met ‘indien, als, in het geval dat …’[2] en maakt ze zo tot indirecte vragen[2], die hij door de ontkenning ‘zou dan niet …?’ laat volgen. Als er een sjofar of ramshoorn in een stad weerklinkt, dan suggereert dat een onmiskenbaar naderend gevaar. Zo’n vraag triggert bij de toehoorders onmiddellijk een ontegenzeggelijk ‘ja’! Dat is glashelder. Handig laat Amos er een volmaakt parallelle vraag op volgen over eveneens een onheil in een stad. Hij wijst daarbij niet naar de sjofar als de oorzaak ervan, maar …  naar JHWH! Voor de aanwezigen het goed en wel beseffen, ontfutselt hij hen ook hier een reactie met ‘ja!’. Normaal zouden zij zich tegen een dergelijke stelling krachtig hebben verzet. Hier worden zij echter door Amos’ redekundige strategie in snelheid gepakt en in de val gelokt. Normaal gezien zouden hun hoogmoed en zelfvoldaanheid over hun pompeuze cultus, onbegrensde welvaart en militaire macht dat anders hebben verhinderd. Vanuit hun perspectief zien zij ook niet in waarom JHWH tegen hen zou optreden. Het gaat hen toch voor de wind! Of niet soms?

Het zijn dus zeven zeer sterk met elkaar verbonden vragen. Zij onderschrijven Amos’ rotsvaste overtuiging: onheil in een stad kan alleen van JHWH afkomstig zijn! Het samenspel van deze opeenvolgende vragen is een dichterlijke stijlfiguur, zoals men die bijvoorbeeld ook aantreft in Job 8:11-13 (en in 28:1-21):

11 Schiet de bieze op,                                                      waar geen moeras is?

    Groeit het oevergras,                                                waar geen water is?

12 Nog is het in volle groei,                                           

    het kan nog niet worden afgesneden,                      of het verdort vóór enig ander gras.

13 Zo gaat het allen die God vergeten,                         en vergaat de verwachting van de goddeloze.

– Job 8:11-13 NBG

In de antieke literatuur noemt men deze stijlfiguur een priamel. Daarin worden een aantal parallelle begrippen onder één relatie gebracht.[3] Het wordt ook wel een aaneengesloten voorbeeldenreeks[4] genoemd. Het aantal beelden in zo’n serie kan de verteller of schrijver naar believen wijzigen. Amos presenteert hier zeven beelden. Dat aantal, waar deze profeet vaak gebruikt maakt, verwijst – zoals eerder opgemerkt – naar volledigheid of een totaliteit. In zijn boek komt Amos nog met andere zevenvoudige reeksen: zeven fenomenen (2:14-16) en zeven onheilen (4:6-12).[5] Het lijkt wel of hij er zijn merknaam van heeft gemaakt

Na de snelle opeenvolging van zijn retorische vragen die bij de toehoorders en/of de lezers aan het eind een dubbel ‘ja’ losmaken, gaat hij in één vloeiende beweging verder met:

Met deze stelling beoogt Amos zijn hoorders achter de schermen van de geschiedenis te laten kijken. Hij licht een tip van de sluier op. Zo claimt hij dat de rampen, waarin JHWH een hand heeft, vooraf worden gegaan door een andere, een onzichtbare, een geheime gebeurtenis. Daartoe besloot JHWH en lichtte zijn profeten erover in (3:7). Dat voltrekt zich in de vier stappen:

  1. JHWH heeft een geheim plan;
  2. hij ontvouwt dit aan zijn dienaar-profeet;
  3. deze maakt  dit plan bekend aan het volk;
  4. het onheil vindt plaats.

De hoorders kunnen eruit afleiden dat een bepaalde categorie van mensen op de hoogte is van wat er gaat gebeuren. Op deze manier kunnen zij niet alleen deze ongelukkige gebeurtenissen interpreteren, maar zij worden ook de ‘gelukkigen’, die ze kunnen voorspellen en aankondigen.

Dat Adonai of de Heer zijn dienaren op de hoogte brengt, impliceert hun wederzijdse ontmoeting. Er is dus weinig voorstellingsvermogen voor nodig om dit met het beeld van de twee wandelaars te verbinden:

Leggen zij samen hetzelfde traject af in de woestijn, op het platteland of in een schraal bergachtig gebied? Niemand weet het, maar … ze zijn met z’n tweeën en ze lopen samen. De hoorders weten niet waar zij naar toe gaan en naar hun identiteit is het raden. Ergens moeten ze elkaar hebben ontmoet. Het hier gebruikte Hebreeuwse werkwoord (jā`ad) kan drie dingen betekenen: dat ze hebben overlegd, dat ze samen zijn gekomen en dat ze elkaar hebben ontmoet. Het valt enigszins op te vatten zoals het beeld in Psalm 48:5, waarbij koningen samenkomen, elkaar ontmoeten en beraadslagen, voordat ze samen ten strijde trekken.

Koningen sloten zich aaneen,                                          samen trokken zij ten strijde.

Psalm 48:5 NBV

De harmonie, die dit beeld suggereert, correspondeert met mensen die eenzelfde doel voor ogen hebben. Van een heer en zijn dienaar: de een voorspelt het onheil en de ander wekt het op. De Heer JHWH spreekt en zijn dienaar profeteert onmiddellijk.

Amos voelt zich in deze klasse van dienaren opgenomen voor wie JHWH hun ’adōnāj (heer of meester) is. Deze haalde hem van achter de kudde om te profeteren (7:15). Voor de schaapherder was dat een erg onverwachte en eigenlijk een onprettige ervaring. In twee zeer korte zinnen legt hij uit dat hij geen kant meer op kon! JHWH’s spreken overviel hem (8cd). Net zo plotseling als het gebrul van een leeuw dat mensen, die het horen, op slag beangstigt (8ab). Deze onontkoombare dwang mondt dan uit in een samenspel van de dienaar-profeet en zijn meester-JHWH.

De twee versregels, waarin hij daarvan getuigt, lopen in al hun onderdelen perfect parallel. In literaire vaktaal noemt men dit een parallellismus membrorum of een in al hun delen evenwijdige of parallelle zinnen:

In het Hebreeuws speelt er bovendien een duidelijk staccato ritme: twee woorden (8a) plus drie woorden (8c) en dan drie woorden (8b) plus drie (8d) woorden. Het mist zijn effect niet! Brullen en spreken (8a en 8c) aan de ene kant en angstig zijn en profeteren (8b en 8d) aan de andere kant. In een snel tempo tekenen ze zich perfect parallel af. Te vergelijken met een duo schoonspringers, die volgens de regels van de kunst volledig identiek en onmiddellijk opeenvolgend van een duiktoren het zwembassin induiken! Een opmerkelijk voorbeeld van synergie! Er blijkt zich dus een maximaal nauwe samenwerking af te spelen tussen de spreker JHWH en zijn hoorder Amos, die door deze plotselinge overmacht wel moet profeteren. Hij getuigt van zijn totaal onderworpen en overgeleverd zijn aan JHWH’s woord. Op hetzelfde ogenblik wordt hij de spreekbuis van JHWH, die zich als meester opdringt en met wie hij als willoze één wordt.

Amos’ brullende leeuw in 3:8a koppelt terug naar de metafoor van de leeuwen in 3:4. Samen voeren zij de lezer terug naar JHWH’s eigen gebrul in 1:2.

Opmerkelijke overeenkomsten met identieke handelingen: brullen en stem verheffen en dat met of hun uitwerking (1:2 en 3:8) of hun aanleiding (3:4). Wat een kracht en intensiteit dat JHWH’s geluid de berg Karmel zo’n 120 km verder bereikt! Hoe zou dát geklonken hebben? Iemand hoorde in de savanne vlakbij achter zijn tent een vijftal leeuwen brullen. Het ging door merg en been en veroorzaakte een hevige pijn in de borst. Gelukkig trokken de leeuwen zich terug omdat Masai bij de tent de wacht hielden! Amos accentueert maximaal JHWH’s geluid en het effect van het gebrul.

brult – Sion X Jeruzalem – zijn stem (1:2) // brult – een leeuw X een jonge leeuw – zijn stem (3:4)

De laatste twee versregels aan het eind van zijn kunstige toespraak (3:8) vormen dus de conclusie van Amos’ opklimmende reeks van zeven vragen. Hij wendt er al zijn talige en literaire vaardigheden voor aan. Als een intellectueel wil hij zijn publiek overtuigen. Bovendien bouwt hij als redenaar zijn bewijsvoering uit met een zo grote vanzelfsprekendheid dat hij zijn doel weergaloos bereikt. Met behulp van beelden, vergelijkingen, stellingen (premissen) en gevolgtrekkingen, dringt hij zijn logica aan zijn toehoorders op.

Hij doet dat met een overtuigende argumentatie.[6] Eerst poneert hij een algemene stelling (of premisse) met behulp van het beeld van de onheilspellende luid klinkende sjofar, die de bewoners in de stad opschrikt: onheil staat voor de deur (6a). Daarop laat hij een specifieke stelling (of premisse) volgen: dat onheil is van JHWH afkomstig (6b). Hij rondt af met de onvermijdelijke conclusie: JHWH heeft gesproken (8ab)! En dat heeft deze als een brullende leeuw gedaan!

Heel bewust voert Amos in zijn toespraak (3:3-8) de spanning op tot een voor de toehoorders onontkoombare emotionele ervaring:

Absoluut vanzelfsprekend

De onheilsbeelden, die Amos de revue laat passeren, spelen zich af in verschillende leefmilieus: in de samenleving (twee wandelaars), in het bos (twee leeuwen), in het open veld (vogel en vogelvanger) en uiteindelijk in de stad (inwoners). Zo brengt de profeet het onheil stap voor stap dichter bij zijn stedelijk publiek. Met het eerste beeld over de twee wandelaars voelen zij zich erg vertrouwd. Het tweede beeld van de leeuwen is voor hen eerder een ver-van-mijn-bedshow. De beelden van vogel en jager komen al wat dichterbij. Wie probeerde er toch als kleine jongen nooit om een vogel(tje) te vangen? Echter, met het beeld van de stad staat het onheil vlak voor de deur!

De eerste vijf beelden hebben dus geen (be)dreigend karakter. Het zesde beeld daarentegen komt sterk bij de toehoorders binnen, omdat zij in de stad wonen. Het geluid van de sjofar of ramshoorn doet in hun leefwereld effectief dienst als onheilspellend en bedreigend. Het geluid ervan kondigt ontegenzeglijk de komst van de vijand aan. Hoewel dit instrument ook voor feestelijke gelegen­heden werd gebruikt – zoals voor het jubeljaar en de nieuwe maan (Leviticus 25:9 en Psalm 81:4) – diende het hoofdzakelijk om minder aangename zaken aan te kondigen zoals: een aanval (Jozua 6:4) of een opstand (2 Samuël 20:1), de mobilisatie van het leger (1 Samuël 13:3), een aansporing om zichzelf in veiligheid te begeven (Jeremia 4:5 en 6:1) en het einde van de strijd (2 Samuël 2:28).

Bij de profeet Joël wordt de sjofar uitsluitend geblazen als er wat voor soort vijand dan ook in aantocht is. Zelfs als het JHWH zelf is, die zich als vijand voor de strijd klaarmaakt (2:1)!

1 Blaas de ramshoorn op de Sion,

  blaas alarm op mijn heilige berg;

 laat alle inwoners van het land beven van ontzetting:

 de dag van JHWH! Hij is nabij!

– Joël 2:1 NBV

Eigenlijk gebruikt Amos in zijn toespraak een techniek, die leerkrachten en didactici gebruiken. Eerst zet hij aan met algemeenheden, die slechts een oppervlakkige aandacht vergen. Geleidelijk brengt hij de beelden dichter bij de toehoorders, zodat ze hun aandacht toespitsen. Uiteindelijk heeft hij hun volledige belangstelling, omdat het henzelf aangaat.

Overweldigend zevenvoudig effect

Amos’ levendige retoriek en ontegenzeggelijke argumentatie laten zelfs zijn lezers meeliften. De sprekende beelden en de opbouwende spanning katapulteren hen als het ware in het gezelschap van zijn toehoorders. Niet minder dan zeven onheilsbeelden komen in evenzoveel versregels op hen af (4-6, 8ab). Bovendien worden zij, over het drieste duo waarneming-oorzaak, met zeven vragen (3-6) plus daarna twee heel korte vragen (8ab, 8cd) in een snel tempo bestookt. De lezers zijn gelukkig bevoorrecht, want zij kunnen zijn toespraak herlezen en over elk onderdeel rustig nadenken, overdenken en op zich laten inwerken. En alsof dit allemaal nog niet genoeg is, creëert de profeet een intens depressieve sfeer bij zijn toehoorders met zeven versregels in de specifieke qina-versmaat. Dit metrum met zijn 3 + 2 heffingen is typerend voor een klaaglied en een dodenzang en met 2 + 2 heffingen (8ab) veroorzaakt hij een heftig crescendo!

Binnen zijn korte bewijsvoering van tien versregels telt de lezer dus niet minder dan drie series van zeventallen. Daardoor suggereren deze dus een maximale volheid van een intens depressieve sfeer van onontkoombaarheid, onheil en rouw!

Laten de lezers Amos’ korte toespraak nog verder op zich inwerken, dan kunnen zij echt niet aan de indruk ontkomen van de opbouw ervan die hieronder duidelijk in het oog springt:  A-B-C-X-C’-B’-A’.

Aan de ene kant zijn er de parallelle auditieve effecten (van het leeuwengebrul) in B en B’. Aan

het begin (4ab) van het leeuwenpaar (B), dat in de verte bij hun prooien brult en aan het einde (8a) van het gebrul van de heel dichtbij zijnde leeuw (B’), dat door merg en been gaat.

Aan de andere kant zijn er in C en C’ de aan beiden zijden van het centrum mysterieuze agenten, die achter de schermen opereren. Er is de onzichtbare jager met zijn instrumenten (klapnet en lokaas), die in zijn opzet is geslaagd, omdat hij gevangen heeft (5ab). En dan is er bovendien de onzichtbare JHWH, die achter de schermen aan het werk is (6b) en zijn plan door zijn profeten laat uitvoeren (7).

zijn profeten laat uitvoeren (7).

Al deze tweeledige gegevens (leeuwen + prooien; jager + klapnet; JHWH + profeten) komen samen in A-A’. Het duo wandelaars (3) harmonieert namelijk als metafoor voor de synergie van de sprekende heer en zijn communicerende dienaar-profeet (8b).

Hoewel de beelden over de jacht in 3:3-5 het meest tot de verbeelding spreken, creëren alle andere in 3:6-8 een oorlogssfeer. Die laatste wordt vooral getriggerd door die ene versregel 6a die – in tegenstelling tot alle andere – geen tegenhanger (X) heeft. Dáár – in het hart van Amos’ betoog met aan weerskanten de drie parallelle alinea’s (A-B-C en C’-B’-A’) – roept die specifieke versregel bij zijn toehoorders angst op: er is oorlog op til, want de sjofar wordt in de stad geblazen!

JHWH en profeet zijn één

Amos’ publiek in Israël moet begrijpen dat hij als JHWH’s nauwe medewerker op de hoogte is van wat zijn meester voor heeft met hun volk. Als profeet geniet hij toch het voorrecht diens plannen of beslissingen van tevoren te kennen (3:7). Na hun ontmoeting gaan zij samen op weg, zoals de eerste retorische vraag suggereert (3:3). De daarin geopperde beeldspraak of metafoor staat voor het moment dat JHWH zijn potentiële medewerker van achter de kudde weghaalde (7:15). Daarvan getuigde Amos tegenover Betels hoofdpriester Amasja:

De relatie tussen meester en dienaar die samengaan, blijkt ook als Amos het ‘Heer JHWH’ (8b) in de mond neemt. De naamgeving ‘Heer’ is de vertaling van het Hebreeuwse Adonai (’adōnāj) dat letterlijk ‘heer’ betekent. Wanneer de profeet dit uitspreekt, dan klinkt daarin ook mee alsof hij ‘mijn heer’ (’adōnī of heer-van mij) zegt. Zijn standpunt is daarom ondubbelzinnig: wie de woorden van de dienaar profeet verwerpt, wijst ook JHWH’s woorden van de hand. In zijn ogen is JHWH in hoogst eigen persoon zijn meester!

Amos kan dan wel beweren dat hij en JHWH één zijn en dat hij diens profeet is, maar kunnen zijn toehoorders hem wel op zijn woord geloven? De thora gaat er niet meteen van uit dat iemand, die beweert dat hij een profeet is, dat hij dat ook werkelijk is. Mozes stipuleert daarover een doorslaggevend criterium. Iemand die zich profeet noemt, maar tegen de thora ingaat, diskwalificeert zichzelf op staande voet als JHWH’s profeet:

1 U daarentegen moet alles wat ik u gebied strikt naleven;

  voeg er niets aan toe en doe er ook niets van af.*

2 Wanneer een profeet of een droomuitlegger uit uw midden

  een teken of een wonder voorspelt,

3 dat vervolgens uitkomt,

  en hij verbindt daaraan een oproep

  om andere, u onbekende goden te volgen en te dienen –

4 luister dan niet naar wat hij zegt.

  Want JHWH, uw God, wil u daarmee op de proef stellen,

  om te ontdekken of u hem wel met hart en ziel liefhebt.

– Deuteronomium 13:1-4 NBV

Als een voorspeller met wat hij zegt afval van JHWH in het vooruitzicht stelt, dan kunnen de hoorders er gif op innemen, dat zij niet met een profeet hebben te maken, die één met zijn heer JHWH is. Dit criterium moeten zij dan maar op Amos toepassen. In welk opzicht zou hij als zijn voorvechter JHWH’s thora dan wel overtreden?

Amos uit zich heel absoluut over zijn opdracht. ‘Met andere woorden beste toehoorders’, stelt hij, ‘wat ik jullie allemaal onder de aandacht breng, komt niet van mijzelf. Ik heb het uit een bijzonder betrouwbare bron. De dingen die jullie tegenzitten – de oorlogsrampen in de steden – moeten jullie beslist niet luchtig opvatten. Integendeel! JHWH heeft er werkelijk alles mee te maken. Wat hij zal doen, laat hij jullie van tevoren weten. Als zijn dienaar moet ik jullie die dingen bekendmaken. Onderschat jullie God JHWH vooral niet! Hij brult namelijk als een woedende leeuw’. En Amos zegt met een bijzondere poëtische kracht: ‘hoe zou ik dan niet profeteren?’ Met het versgewijs staccato-effect – 3 + 2 en 2 + 2 (in 8ab en 8cd) – roept hij dramatisch uit: ‘Ik Amos, onderga zijn spreken als een machteloze!’

Ter afronding

In Amos kleine meesterwerk 3:3-8 demonstreert hij zijn geniale schrijfkunst. Met zijn talige en literaire vaardigheden verbindt hij de door hem opgeroepen beelden en ideeën harmonisch en organisch met elkaar. Resultaat? Een beargumenteerde bewijsvoering met een concrete onheilsboodschap en een aanzwellende spanning. Met zijn retorische vragen en beelden probeert hij zijn publiek te overtuigen van zijn – of beter JHWH’s – filosofie van de geschiedenis: zó gaat het nu eenmaal!

Met zijn sluitende bewijsvoering zet Amos zijn publiek en zijn lezers verstandelijk en emotioneel schaakmat. Zij moeten wel inzien dat:

  1. JHWH een hand heeft in de rampen die Israël treffen;
  2. hijzelf als profeet en JHWH’s woordvoerder hier als alarmklok fungeert;
  3. hij zich als diens heraut niet kan onttrekken aan de dwang van zijn opdrachtgever. In zijn toespraak zet hij drie concrete spelers in: volk, JHWH en profeet. Zijn literaire middelen helpen hem de overwegingen, verbeeldingen en emoties van zijn publiek te activeren.

Bijgevolg kunnen zij nauwelijks negeren dat:

  1. hij hen verkondigt dat JHWH gesproken heeft;
  2. hij als profeet die boodschap moet brengen;
  3. zijn publiek er alle reden toe heeft om angstig te zijn;
  4. en tenslotte: … dat de oorlog voor hun deur staat!

Amos’ of JHWH’s beargumenteerde onheilsaankondiging laat er dus geen twijfel over bestaan. De sjofar kondigt in 3:6ab niet zomaar een onheil aan. Het viseert heel concreet een op de hand zijnde oorlog en de daarmee gepaarde dodelijke angst. Zijn Israëlitische toehoorders zijn gewaarschuwd!

Wordt vervolgd


[1] De meeste exegeten zien vers 7 als een toegevoegde verklaring of glosse.

[2] Jammer dat zoveel vertalingen (NBG, NBV, GNB, SV, HSV, KJ, …) geen onderscheid maken tussen het directe in

[3] Lexicon van literaire termen, Groningen & Deurne 1998, 352.

[4] Of zoals W.M. Roth dit een example sequence, noemt.

[5] M. Weiss, “The Pattern of Numerical Sayings in Amos 1-2. A Re-examination”, JBL 86 (1967), 420.

[6] Dit is een wetenschappelijk twistgesprek dat men in het Duits een Disputationswort noemt.

[7] In sommige vertalingen zijn de verzen 13:1-19 als 12:32-13:18 genummerd.

error: Alert: Content is protected !!