7.1.6 Een koning naar Gods hart

Stapsgewijs kennismaken met David, die als de hoofdspeler fungeert in het tweede gedeelte van de boekrol Samuël.

Inleiding

Drie maanden na Davids mislukte poging om de ark van God naar Jeruzalem te brengen (7. Bijbelse figuren 7.1. Kennismaken 5. Driemaal ‘Lang leve koning David!), doet hij een nieuwe poging. Deze keer slaagt hij er wel in om deze kostbare kist – die Gods aanwezigheid symboliseert – volgens de richtlijnen van de thora op zijn bestemming te brengen. Lezers doen er goed aan om de bijbelgedeelten 2 Samuël 6-10, die in deze bijdrage aan bod komen, parallel mee te lezen. Dit helpt om de beeldvorming van David door de verteller in deze hoofdstukken op de voet te volgen.

  1. JHWH God met triomf onthaald – 2 SamuëI 6:11-23

Davids nieuwe poging

Koning David heeft zijn les geleerd (6:1-10). De ark of kist van God – als zichtbaar teken van zijn aanwezig zijn – laat hij deze keer wel precies volgens de Mozes’ richtlijnen naar zijn hoofdstad Jeruzalem vervoeren. Hij brengt haar naar de Davidsburcht. De priesters begeleiden hem en de Levieten dragen hem. In de optocht danst koning David vol overgave voor de kist uit.

15 Onder gejuich en stoten op de ramshoorn brachten David en de Israëlieten de ark van JHWH de berg op …. 17 De ark van JHWH werd neergezet in de tent die David ervoor had opgericht, en David bracht JHWH brandoffers en vredeoffers. 18 Na afloop daarvan zegende hij het volk in de naam van JHWH van de hemelse machten. 19 Aan heel het volk, aan alle aanwezige Israëlieten, zowel de mannen als de vrouwen, liet hij brood, gedroogde dadels en rozijnen uitdelen. Daarna ging iedereen naar huis – 6:15-19 NBV

Het steeds herhaalde ‘voor het aangezicht van JHWH’ (NBG) wijst erop dat het om een religieuze dans gaat (14, 16, 22). De eerste keer danst het volk (5), maar nu is het David die ‘huppelt en danst’ (16). Muziekinstrumenten (5) en het gejubel van de mensen begeleiden hem daarbij (15). Tevens worden er, na zes stappen te zijn vooruitgegaan, brandoffers gebracht. De burgeroorlog is voorbij en daarom worden er, nadat de stoet in Jeruzalem is aangekomen, brandoffers en vredeoffers gebracht, waarna David het volk zegent (17-19). JHWH’s aanwezigheid in de hoofdstad geeft haar de wettigheid van heilige stad voor het hele land. David brengt de ark onder in de tent, die hij in zijn stad heeft opgericht. Ongetwijfeld gaat het om de tabernakel – waarvan de beschrijving uitvoerig in Exodus 26 aan bod komt – die de Israëlieten door de woestijn meevoerden.

David heeft zich als een priester gekleed (14) en hij offert dieren (13). In JHWH’s naam zegent hij het volk (18) en gedraagt hij zich hier (op het dansen na) als Samuël. Bij deze gelegenheid verenigt koning David diens functies van richter en priester. Samuël hoorde bij de stam Levi, maar David is van de stam van Juda! Bijbelgeleerden gaan ervan uit dat hij als opvolger van de koning van de oude stad Jebus ook priesterlijke taken bezat en daarom kon David zich priesterlijke handelingen veroorloven. Er kan hier sprake zijn van een verbindende lijn met Melchisedek, de koning-priester van Salem. Als priester van de allerhoogste God kwam hij Abram met brood en wijn tegemoet en zegende hem (Genesis 14:18). De uitdrukking ‘naar de wijze van Melchisedek’ (NBG) in Psalm 110:4 (NBG) lijkt te doelen op de overdracht van diens priesterlijke waardigheid op de davidische koningen.

Mikals ongenoegen

Davids vrouw Mikal wordt hier ‘dochter van Saul’ genoemd en gewoon als toeschouwster gepresenteerd. Zij is niet zo gecharmeerd over zijn (in haar ogen) ‘belachelijk’ dansend gedrag in het bijzijn van alle jonge vrouwen van Israël (20). Haar woorden klinken flink sarcastisch. Hebben die te maken met het feit dat zij na haar verplichte terugkeer bij David geen aandacht van hem heeft gekregen? Of ligt haar jaloersheid – die mogelijk seksueel getint is – aan de basis van haar ongenoegen? Haar man draagt immers het linnen efod, zoals de jonge Samuël er een droeg (1 Samuël 2:18). Het is een zeer minuscuul kledingstuk met een soort korte rok, zodat de priester zich daardoor makkelijk gedeeltelijk kan ontbloten. Bij Davids dansen ziet niet alleen zij maar zien ook ‘alle jonge vrouwen’ het mogelijk opwaaien. Mikal kan ook vinden dat hij een koninklijke mantel had moeten dragen.

De reden kan ook wel dieper liggen. David verdedigt zich immers niet alleen door haar erop te wijzen dat hij boven haar vader en diens nakomelingen is uitverkoren en door JHWH als koning over Israël is aangesteld. Bovendien wil hij zich ‘voor JHWH’ nederig gedragen, waardoor juist die jonge vrouwen hem zullen eren. De verteller laat David dubbel zoveel woorden uitspreken dan dat hij er aan Mikal toestaat. David laat haar trouwens niet toe te reageren en de verteller geeft hem – zoals het nu eenmaal bij een koning hoort – het laatste woord. Een teken dat eerstgenoemde de zijde van de koning kiest en diens vrouw in het ongelijk stelt.

Er wordt gefeest

Mikals reactie kan Davids vreugde niet bederven (20-22). Het wordt een waar feest als de ark met gejubel in de stad van David wordt onthaald. Bovendien krijgt werkelijk iedereen Iekkernijen te eten. Voor elke man en elke vrouw is er één broodkoek, één dadelkoek en één druivenkoek. Daarna gaat al het volk naar huis. Het zal dit feestelijke gebeuren niet gauw vergeten! Mikal trouwens ook niet, want zij blijft vanaf die dag kinderloos. De vraag is of er een natuurlijke reden voor is of dat het door de lezers als een straf voor haar gedrag moet worden opgevat. Het kan natuurlijk ook dat David van dat moment niet meer intiem met haar omgaat (23). De boekrol Samuël geeft nergens aan dat hij van Mikal hield, terwijl dat van haar tweede man wel met veel nadruk wordt gezegd. Over haar bijzondere liefde voor David bestaat er geen twijfel. Dat had zij immers vroeger heel duidelijk bewezen (1 Samuël 18:28 en 19:11-17).

Het valt in dit tekstgedeelte op dat de twee hoofdspelers een gelijk aantal keren bij hun naam worden genoemd: David 14x en JHWH 12x plus God 2x). Enerzijds wijst deze 2×7 keer voor elk van hen op een volheid of totaliteit van hun aandeel in het gebeuren. Anderzijds drukt dit – zoals dat bij de Hebreeuwse vertelkunst vaak het geval is – de sterke onderlinge hechte band uit tussen koning David en zijn God, tussen JHWH en zijn gezalfde.

  1. Het initiatief is aan God – 2 Samuël 7:1-17

Koning David woont in een paleis dat van cederhout is gebouwd. Hij gedraagt zich niet zoals zijn voorganger Saul, die aanvankelijk op zijn akker werkt. Als David uit zijn raam kijkt, ziet hij dat de God van Israël een onderkomen heeft in een tent. David voelt aan dat de verhouding niet klopt. De Koning der koningen kampeert, terwijl hij als diens koning-representant comfortabel in een mooi cederen gebouw woont. Hij heeft er dan ook geen vrede mee dat de verbondskist, die Israëls God vertegenwoordigt, in een gewone tent staat. De profeet Natan, die in zijn dienst staat – en dus zijn hofprofeet is – steunt David in diens voornemen die situatie te verhelpen (1-3).

Natan wordt echter door zijn goddelijke opdrachtgever JHWH teruggefloten.

4 Maar diezelfde nacht richtte JHWH zich tot Natan: 5 ‘Zeg tegen mijn dienaar, tegen David: “Dit zegt JHWH: Wil jij voor mij een huis bouwen om in te wonen? 6 Ik heb toch nooit in een huis gewoond, vanaf de dag dat ik de Israëlieten uit Egypte heb geleid tot nu toe! Al die tijd trok ik rond in tent en tabernakel. 7 Overal heb ik met de Israëlieten rondgetrokken, en heb ik ooit aan een van de herders van Israël, die ik had aangesteld om mijn volk te weiden, gevraagd om voor mij een huis van cederhout te bouwen?” 2 Samuël 7:4-7 NBV

Het is niet aan de koning van Israël om te bepalen of de universele koning in een tent of in een huis dient te wonen. Israëls hemelse majesteit heeft trouwens nooit opdrachten in die richting gegeven. En … zolang dat niet gebeurt, hoeft het ook niet. JHWH bepaalt zelf wel als er iets op dat vlak moet worden ondernomen (4-7). David hoeft zich daar niet mee in te laten. Bovendien zal diens nakomeling een huis van JHWH bouwen, hoort hij Natan namens God zeggen (12-13). Lezers moeten daar echter niet uit afleiden dat JHWH zijn verblijf in een tent nu wel wil inruilen voor een stenen gebouw. Dat heeft hij in het verleden niet gewild en dat wil hij nu ook niet. Tegenover de koning en zijn profeet stelt hij gewoon dat in de toekomst Davids troonopvolger zo’n huis voor hem zal bouwen. Net zomin als het JHWH’s wens was om plaats te moeten maken voor een koning uit het volk om er in zijn plaats over te regeren. In dat specifieke geval gaf hij toe aan de wens van het volk, zoals hij dat ook nu ook doet met betrekking tot de wens om voor hem een tempel te bouwen.

Terwijl David een huis voor JHWH wil bouwen, heeft deze andere plannen. Hij timmert aan de weg om een huis vóór David te bouwen! Een koningshuis of dynastie voor het volk van Israël. Niet Davids plannen, maar Gods plannen hebben voorrang (8-11). Daarin ligt tegelijkertijd de garantie dat JHWH zich zal ontfermen over Davids dynastie. Als een vader zal JHWH zich tot hem en diens nakomelingen opstellen en met zorg omringen. Daar hij zich aan die dynastie met een belofte verbindt, zullen Davids troon en koningschap rotsvast komen te staan (13-16). Bijgevolg moet de profeet Natan zijn eigen eerdere woorden corrigeren (2) en buigen voor JHWH’s woorden (17).

  1. Davids reactie – 2 SamuëI 7:18-29

Diep onder de indruk over wat hij net heeft gehoord, gaat David naar de tent waar JHWH kist staat. Hij gaat erbinnen en zet zich ervoor neer. Dan bidt hij en zegt: ‘Wie ben ik, Here JHWH, en wat is mijn huis, dat Gij mij tot hiertoe gebracht hebt?’ (NBG). De NBG-vertaling gebruikt hier het woord ‘Here’ dat naar een meester, heer of gebieder verwijst. Tegenover zijn heer JHWH drukt koning David eerst zijn gevoelens van verwondering uit. Hij begrijpt niet dat Israëls God zich in hem interesseert en in zijn nakomelingen of zijn huis (18-19). Hij is gewoon sprakeloos (20) en daarom roemt hij JHWH bovenmate (21). Zichzelf ziet hij louter als een dienaar. Hij beseft en erkent dat JHWH’s woord (of besluit) en diens hart (of keuze) de aanleiding vormen voor deze bijzondere bekendmaking (19-21). Daarom kan hij niet anders dan ‘God’ – als gebruikelijke naam voor de schepper van de wereld – te loven voor wat hij voor Israël heeft gedaan. Hij heeft Israël immers temidden van alle volken uitgekozen (Exodus 19:5) en uit de macht van Egypte en zijn goden losgewrikt (of vrijgekocht – Exodus 19.3,4). Bovendien stelt zijn heer JHWH heel duidelijk dat hij Israël onwankelbaar zal doen staan en dát nog wel voor altijd (22-24)!

Gods eerdere daden nopen koning David ertoe om die weldaden ook af te smeken voor hemzelf en voor zijn beginnende dynastie. Nu noemt hij hem ‘JHWH van de heerscharen’ (NBG). Dit zijn Israëls legermachten of (letterlijk) legers. Met die aanspreking erkent de koning JHWH voor de zoveelste keer als Israëls opperbevelhebber. David benadrukt tevens dat Gods woorden ‘waarheid zijn’ en dat wil zeggen dat men op diens woorden kan vertrouwen (25-28). Hij eindigt zijn gebed met een bijzondere aandacht voor zijn eigen koningshuis met het drievoudige ‘zegenen’, ‘zegen’ en ‘gezegend’. Zo komt zijn verzoek wel bijzonder indringend en met veel nadruk over (29).

  1. Davids groeiende macht – 2 SamuëI 8:1-14

Machtig …

De heerschappij van ‘Gods gezalfde’, de messiaanse koning David, breidt zich snel verder uit. Eerst schaart hij twaalf stammen achter zich, dan onderwerpt hij één voor één Israëls zeven buurvolken. Hij doet dat naar de vier windrichtingen toe. In het noorden gaat het om Aram in Zuid-Syrië en Soba in Noord-Syrië. In het oosten zijn dat de volken Ammon en Moab in Transjordanië. Verder betreft het Edom en Amalek (in de Negevwoestijn) in het zuiden en Filistea (in de Gazastrook) in het westen. In het verleden hebben de meesten van die buren één of meerdere keren Israëls bestaan bedreigd. David wil veilige grenzen en op deze manier legt hij de basis voor Groot-Israël. Een land voor Israël, het volk van Jakobs nakomelingen én een plaats voor de zeven buurvolken. Deze vertegenwoordigen – volgens Genesis 10 – de zeventig volken van de wereld, die via Abraham gezegend kunnen worden (Genesis 12:1-3). David fungeert in dit Groot-Israël als de representant van JHWH God, de hoogste koning over Israël en over alle volken (Exodus 19:5).

… maar ook wreed

Wie de verhalen over Davids handelingen leest, moet wel vaststellen dat hij soms wreedaardig optreedt en dat schokt veel lezers. Zo laat hij bijvoorbeeld tijdens zijn oorlogen twee op de drie Moabitische krijgsgevangenen doden (8:2). Ook laat hij de pezen van de paarden voor de strijdwagens van de koning van Soba doorsnijden (3-4). Doet hij dat, omdat hij dan niets meer voor deze sterke strijdmacht te vrezen heeft of, omdat de thora hem als koning verbiedt om veel paarden te hebben (Deuteronomium 17:16)?  Nadat zijn generaal Joab Rabba, de hoofdstad van de Ammonieten heeft belegerd, neemt David deze in en verplicht haar inwoners tot dwangarbeid met zagen, ijzeren pinnen en ijzeren bijlen (12:29-31).

En toch een man naar Gods hart?

Bij lezers rijst dan ongetwijfeld de vraag of zij David wel een man naar Gods hart kunnen noemen (1 Samuël 13:17). Staat hij echt model voor een messiaanse koning? Het argument dat hij een kind van zijn tijd is – waarin weinig fijngevoeligheid voorkwam – gaat slechts ten dele op. De vraag blijft of hij door zó te handelen werkelijk Gods opdrachten uitvoert. Dat JHWH David overal de overwinning schenkt, betekent niet dat hij achter al diens verrichtingen staat. Meerdere handelingen van zijn dienaar verdienen echt geen schoonheidsprijs. En dat is … dan nog heel zwak uitgedrukt. Het enige wat David niet kan worden verweten, is dat hij JHWH ontrouw zou zijn geweest. Zijn hele leven heeft hij zijn God trouw gediend en zijn hart volkomen aan hem gewijd (1 Koningen 11:4 en 6). Hij heeft ‘recht gedaan in diens ogen’ (1 Koningen 15:1). Dat betekent dat hij werkelijk nooit andere goden is nagelopen. Samuël beschuldigt Saul ervan tegenover JHWH weerspannig en ongehoorzaam te zijn en stelt dat dit gelijk staat met afgoderij (1 Samuel 15:23). Zijn hart was niet met JHWH en dat mogen lezers gerust ook van Davids zoon en opvolger Salomo zeggen. Die heeft zijn hart van JHWH afgewend door niet alleen afgoden achterna te gaan, maar er zelfs heiligdommen voor te bouwen (1 Koningen 11:4-8)!

  1. Davids barmhartigheid – 2 Samuël 8:15-9:13

Davids regering

David zit als drievoudige koning (van Juda, Israël en Jeruzalem) stevig in het politieke zadel. In het binnenland draagt het volk hem op handen en de door hem onderworpen buurvolken vrezen hem. De verteller deelt zijn lezers mee wie David in zijn regering opneemt.

15 David regeerde over heel Israël. Hij behandelde zijn onderdanen goed en rechtvaardig. 16 Joab, de zoon van Seruja, was opperbevelhebber van het leger; Josafat, de zoon van Achilud, was kanselier; 17 Sadok, de zoon van Achitub, en Abjatar, de zoon van Achimelech, waren priester; Seraja was hofschrijver; 18 Benaja, de zoon van Jojada, was bevelhebber van de Keretieten en Peletieten. Davids zonen waren ook priester. – 2 Samuël 8:15-18 NBV

De belangrijkste figuren, die daarin een grote rol spelen, zijn diens neef Joab als generaal van Israëls leger en Benaja, de bevelhebber van Davids lijfwacht. Deze laatste bestaat uit Filistijnse huurlingen, die Keretieten en Peletieten worden genoemd. Daarnaast zijn er de twee hoofdpriesters Sadok en Abjatar, die de koning altijd trouw blijven. Zij doen dat zelfs als hij in allerijl voor zijn zoon Absalom op de vlucht moet. Tot slot zijn er Davids zonen, die als priesters fungeren. Zij doen dat niet op de manier van de priesters, die Levieten zijn en van Aaron afstammen. Davids zonen hebben hun functie klaarblijkelijk te danken aan het feit dat hun vader koning-priester van de oude stadstaat Jebus is.

Recht en gerechtigheid

De opmerking in vers 15 is zeer belangrijk: David blijkt recht en gerechtigheid onder zijn hele volk te praktiseren (8:15). Dat betekent dat hij zich bij zijn rechtspraak niet laat leiden door persoonlijke voorkeur of eigenbelang. Hij houdt zich aan de door God gestelde normen in de thora (zie o.a. Exodus 23:2,8). Samuëls zonen deden juist het tegenovergestelde: ‘zij waren op winstbejag uit, namen geschenken aan en bogen het recht’ (1 Samuël 8:3 NBG). Als messiaans koning handelt David volkomen in overeenstemming met de thorarichtlijnen, die JHWH op de berg Sinaï aan zijn volk heeft gegeven. Deze beperken zich niet tot een zuivere rechtspraak, maar schrijven ook het omzien naar armen en zwakken voor.

Hij handhaafde recht …

Het verhaal dat Davids regeringsstijl volgt, illustreert deze op een bewogen manier. Eerst een stelling, een korte mededeling of een informatie met daarna een verhaal, dat er handen en voeten aan geeft. Het is een methode die vertellers in de Hebreeuwse Bijbel wel meer hanteren

Juist op het hoogtepunt van zijn macht blijkt de door God gezegende David met recht en gerechtigheid naar Sauls huis of familie om te kijken (9:1).

1 David vroeg: ‘Is er nog iemand over van de familie van Saul? Die zal ik dan goed behandelen, dat ben ik aan Jonatan verplicht.’ 2 Nu was er bij de familie van Saul een zekere Siba in dienst. Hij werd bij David geroepen, en de koning zei tegen hem: ‘Bent u Siba?’ ‘Uw dienaar, heer,’ antwoordde hij. 3 De koning vroeg hem: ‘Is er nog iemand over van de familie van Saul? Die zal ik goed behandelen, zoals God dat voorschrijft.’ Siba antwoordde: ‘Er is nog een zoon van Jonatan, een kreupele.’ 4 ‘Waar is hij?’ vroeg de koning hem, en Siba antwoordde: ‘Hij woont bij Machir, de zoon van Ammiël, in Lo-Debar.’ – 2 Samuël 9:1-4

‘Is er soms nog iemand over van het huis van Saul? Dan zal ik hem ’trouw bewijzen ter wille van Jonatan’ (NBG). David wil weten of er na Sauls dood en die van zijn zonen nog iemand van diens familie in leven is. Dan kan hij zijn belofte ten aanzien van zijn boezemvriend Jonatan alsnog inlossen.

Na wat navraag komt men terecht bij een vroegere dienaar van koning Saul. Deze Siba weet te vertellen, dat er nog een zoon van Jonatan in leven is en Mefiboset heet (2 Samuë14:4). Ongevraagd voegt hij eraan toe dat hij aan beide voeten verlamd is en dus eigenlijk geen aandacht verdient. Siba weet ook nog te vertellen dat hij woont in Lo-Debar (letterlijk: ‘geen zaak’ of ‘niets’). Dus een plaats zonder enige betekenis die in het noordoosten ligt aan de overkant van de Jordaan op ruim 90km van Jeruzalem.

Ondanks deze allesbehalve positieve introductie laat David Mefiboset vandaar halen. Wanneer deze voor de koning verschijnt, werpt hij zich voor Davids troon ‘op zijn aangezicht’ (9:6 NBG). Jonatans kreupele zoon verootmoedigt zich voor koning David met een knieling, die hem een hele pijnlijke inspanning kost. Geen fraai gezicht in het bijzijn van de hofhouding! Wat een vernedering.

7 Daarop zei David tegen hem: ‘Wees niet bang, ik verzeker u dat ik u goed zal behandelen, dat ben ik aan uw vader Jonatan verplicht. Ik zal u het land van uw grootvader Saul teruggeven, en voortaan bent u aan mijn tafel te gast.’ 8 Opnieuw boog Mefiboset, en hij zei: ‘Wie ben ik, heer, dat u zich bekommert om een dode hond als ik?’ – 2 Samuël 9:7-8 NBV

Met ‘vrees niet, want ik zal u voorzeker trouw bewijzen ter wille van uw vader Jonatan’ (NBG), probeert David hem op zijn gemak te stellen. Mefiboset heeft echter alle reden om ongerust te zijn! In het Oude Nabije Oosten rekenen nieuwe heersers meestal heel drastisch af met de overlevende familieleden van hun rivalen. Immers, zolang Mefiboset leeft, is een eventuele staatsgreep door hem en diens aanhang niet uitgesloten. David stelt hem werkelijk gerust! Hij geeft Mefiboset zijn grootvaders landerijen terug, hoewel die intussen tot zijn eigen kroondomein behoren. Hij staat dus een deel van zijn bezit af en bewijst daarmee dat hij – conform de thora – ‘recht doet’ aan Mefiboset.

… en gerechtigheid

Wat voor nut hebben akkers voor een kreupele? Dat vraagt David zich blijkbaar ook af en daarom geeft hij Siba, eens Sauls majordomus, een concrete opdracht. Samen met zijn vijftien zonen en twintig dienaren moet hij de akkers van die kreupele bewerken.

9 Toen liet de koning Siba komen, de dienaar van Saul, en zei tegen hem: ‘Alles wat aan Saul en zijn familie behoorde, geef ik aan de kleinzoon van uw meester. 10-12 U zult voor hem de grond bewerken, samen met uw zonen en knechten, en de opbrengst afdragen aan de kleinzoon van uw meester, zodat hij ervan leven kan. 2 Samuël 9:9-12 NBV

Davids empathie, die hij via deze concrete gerechtigheid aan Mefiboset bewijst, stopt daar niet. Volgens hem hoort deze kleinzoon van koning Saul en zoon van kroonprins Jonatan niet op het platteland te leven.

12 … Zo werd Mefiboset aan het hof opgenomen en behandeld als een van de koningszonen. Hij had een zoontje, dat Micha heette. Siba, die zelf vijftien zonen en twintig knechten had, was met alle leden van zijn huishouding in dienst bij Mefiboset. 13 Mefiboset woonde in Jeruzalem en was opgenomen aan het hof. Hij had een gebrek aan beide benen. – 2 Samuël 9:12-13 NBV 

Recht én gerechtigheid

Israëls koning laat zien dat de ‘barmhartigheid of goedgunstigheid Gods’ consequenties heeft voor de manier waarop mensen met elkaar dienen om te gaan. Bij Siba ontbreekt een dergelijk positief gedrag ten aanzien van Mefiboset, die hij als enige nakomeling van wijlen koning Saul noemt. Uit 2 Samuël 21:8 blijkt echter dat Sauls dochter Merab wel vijf zonen heeft. Vermeldt Siba hen niet om bij David minachting voor de gebrekkige Mefiboset op te wekken?

Desondanks neemt de koning Mefiboset in zijn paleis op, terwijl David juist de reputatie heeft een afkeer van gehandicapte mensen te hebben (2 Samuël 5:8). Hij moet Gods ‘goedgunstigheid’ echt hebben begrepen. Hij toont zich groots en scheept de kreupele niet af met alleen zijn erfdeel, dat hem trouwens als kleinzoon van Saul van rechtswege sowieso toekomt (d.i. recht). David zorgt ervoor dat deze van het vruchtgebruik kan genieten (d.i. gerechtigheid). Bovendien heeft hij aandacht voor de persoonlijke noden van de mens Mefiboset, die van troonsopvolger tot verschoppeling in de maatschappij is geworden. Hij krijgt een plaats tussen de prinsen van het koninkrijk (d.i. extra gerechtigheid). Deze twee samen – recht en gerechtigheid – noemt de Hebreeuwse Bijbel Gods goedgunstigheid of barmhartigheid.

  1. Davids eer aangetast – 2 Samuël 10:1-19

Davids goedgunstigheid, die op die van God lijkt, bewijst hij niet alleen ten aanzien van zijn eigen onderdanen, maar ook aan zijn vijanden. Als de zoon van de koning van Ammon wegens het overlijden van zijn vader de troon bestijgt, wil David zijn ‘vriendschap’ – in het Hebreeuws hetzelfde woord als ‘goedgunstigheid’ en ’trouw’ – betonen (1-2). De ontvanger van deze wensen vertrouwt het zaakje niet. Op een grove manier beledigt hij David door diens boden te schande te zetten (2-5). “In het Oosten is de baard het sieraad en de trots van de man, die ten tijde van rouw en boete geschoren of bedekt wordt; hier stond het scheren gelijk met brandmerken … Voor de kleding afknippen vgl. Jesaja 20.4; daar tot en met het zitvlak.” – A. van den Bom, Samuël, Roermond 1956, 166.

David laat dit niet op zich zitten. Zijn eer en reputatie staan op het spel. Hij zendt zijn generaal met het leger ten oorlog. Joab toont zich voor de zoveelste keer een uitmuntend strateeg. Samen met zijn broer Abisaï pakt hij de vijand succesvol aan (8-14). Koning David verschijnt zelf ook op het slagveld. De door de Ammonieten te hulp geroepen Arameeërs leren hun lesje en druipen af. De Ammonieten staan er nu alleen voor, maar ze hebben nog wat respijt. Het seizoen om oorlog te voeren zit er op. Een volgende ronde zal uitsluitsel moeten geven (15-19).

Ter afronding

Mefiboset wijst er al bij Davids eerste weldaad op, dat hij slechts ‘een dode hond’ is. In die tijd beschouwen mensen een hond als een verachtelijk dier. Deze woordgroep klinkt David bekend in de oren! Heeft hij niet tegen koning Saul gezegd: ‘Wie achtervolgt gij? Een dode hond?’ (1 Samuël 24:15 NBG). Mefiboset benadrukt daarmee, dat hij, in vergelijking met koning David, niet meetelt en een ten dode opgeschreven mens is! Toch nodigt David hem aan zijn tafel uit temidden van alle hoogwaardigheidsbekleders, regeringsfunctionarissen en koninklijke familieleden. En dit alles ’ter wille van Jonatan’. David is de liefde en trouw van zijn boezemvriend echt niet vergeten, noch zijn eigen gezworen eed aan hem. Resultaat? Eerst recht door zijn eigendom terug te geven. Dan gerechtigheid in crescendo: landbouwers in zijn dienst én mogen zitten aan de tafel van de koning! Met onder andere zijn maatregelen ten gunste van de kreupele bewijst David dat hij een modelkoning is. De ‘machtige’ David bekommert zich juist om de ‘machteloze’ Mefiboset (1-6)!

Uit dit verhaal leren lezers dat ‘recht doen’ gewoon een must is. Die soort liefde schrijft de thora nu eenmaal voor. Het mag echter bij die voorgeschreven liefde niet stoppen. Wie de thora echt heeft begrepen – zoals David dat deed – blijft niet bij de verplichting om lief te hebben hangen, maar gaat net zoals David verder op dat elan en ‘doet gerechtigheid’. Pas dan wordt Gods goedgunstigheid echt tastbaar ervaren.

Wordt vervolgd

error: Alert: Content is protected !!