6.3.2 Drie cruciale dagen van Pasen

Marcus 16:1-8

 

Verdiepen van de betekenis en de rol van de zesde, de zevende dag en de eerste dag van het Paasweekend

 

Inleiding

Het evangelie van Marcus brengt een beknopt verhaal over Jezus van Nazaret dat van zijn niet-synagogale lezers veel voorkennis vergt. Drie belangrijke episoden springen eruit, waarin God zich concreet in zijn leven manifesteert. De eerste is die bij de Jordaan (Marcus 1:1-11), waarin Jezus wordt gedoopt en waar God ‘tegen hem zegt: ‘jij bent mijn zoon. In de Hebreeuwse Bijbel hoort die uitspraak bij de zalving van de koning van Israël. Jezus kan eruit afleiden dat God hem de queeste of levenstaak meegeeft om Gods koningschap onder het volk te realiseren. Na een korte voorbereiding in de woestijn gaat Jezus op een sabbat aan de slag (1:21-22). Vanaf die dag bestrijdt hij allerlei manifestaties van ziekten en van het kwaad, die hij op zijn weg tegenkomt.

 

In het midden van het evangelie komt de tweede episode aan bod, waarin Jezus met drie leerlingen op een berg is (Marcus 9:2-13). Dit gebeurt na zes dagen, waarop God zich dus op een zevende dag vanuit een wolk over Jezus tegen de leerlingen zegt: ‘dit is mijn geliefde zoon, luister naar hem!’  (9:7). Synagogale lezers zullen de parallel opmerken met zes dagen op de berg, waarop God zich op de zevende dag vanuit een wolk tot Mozes richt (Exodus 24:15). De leerlingen kunnen eruit afleiden dat ze hun rabbi als profeet moeten kwalificeren. Vanaf dat moment legt Marcus alle nadruk op Jezus’ thoraonderwijs (o.a. omtrent Gods koningschap) en op zijn profetisch optreden. Aan het eind van de lijdensweek zet de  derde episode in, die in het teken van het graf staat.

 

De derde episode

De overheersende thematiek in deze slotepisode vormt het drama dat in drie dagen zijn beslag krijgt: de zesde dag (vanaf donderdagavond), de zevende dag (vanaf vrijdagavond) en de eerste dag (vanaf zaterdagavond). Op de zesde dag wordt Jezus gekruisigd, op deze zevende ligt hij in het graf en op de eerste dag wordt hij uit de dood opgewekt. Het aspect van zijn lijden komt al op de voorgrond van vóór zijn gevangenneming en zet zich in stijgende lijn door in de volgende scènes. Daarin krijgen allerlei figuren een rol toebedeeld: hogepriester, procurator, soldaten, voorbijgangers en aanwezige Sadduceeën. Daar middenin ontstaat een schril contrast tussen de verzetsstrijder ‘Bar-abbas’ – of letterlijk ‘zoon van de vader’ – en Jezus – de zogenaamde ‘koning van de Joden’ – die volgens Pilatus niets kwaads heeft gedaan. Anderzijds komt de kwestie omtrent Jezus’ koningschap zeer nadrukkelijk aan de orde. Daarbij klinken allerlei elkaar opvolgende termen als mens, zoon van de mens, zoon van God, koning van de Joden, christus en koning van Israël. Zijdelings komt Jezus’ profetenrol aan bod en worden zijn laatste woorden met Elia in verband gebracht. Marcus laat als laatste figuur een Romeinse hoofdman aan het woord, die Jezus met nadruk kwalificeert als (letterlijk) ‘een zoon van God’.

 

Op de schedelplaats buiten Jeruzalem wordt hij naakt op het derde uur gekruisigd en vanwege zijn onmacht bespot. Op het zesde uur komt er een drie uur durende duisternis over het hele land. Al die tijd laat God niets van zich horen, waarop Jezus met ‘grote’ of luide stem zijn godverlatenheid uitschreeuwt. Zijn geest laat hij los. Bedoelt Marcus zijn levensadem[1] of mag er ook aan de geest worden gedacht, die hij bij zijn doop ontvangt (Marcus 1:10)? De wijze waarop hij zijn geest laat gaan, brengt de Romein tot bovengenoemde kwalificatie.

 

Aan het einde van de namiddag op de zesde dag verkrijgt Jozef van Arimatea – voor zonsondergang en dus voor de sabbat is begonnen – van Pilatus toestemming om Jezus’ lichaam van het kruis te nemen. Jozef legt het in een graf waar hij een zeer grote steen voor wentelt. Twee vrouwen zijn getuigen van die graflegging. Ná de sabbat (d.i. na de zonsondergang op zaterdagavond) kopen drie vrouwen specerijen om het lichaam te zalven. Zeer vroeg in de ochtend op de eerste dag bij zonsopgang treffen zij een leeg graf aan.

 

Een niet te verklaren omslag

Hoe komt het toch dat Marcus zoveel schrijfvolume (664 woorden in ‘t Grieks) inruimt voor wat er op de zesde dag gebeurt (15:1-47) en voor de spectaculaire opstanding op de eerste dag in de hof slechts 137 woorden (16:1-8) waarvan een derde voor de instructies van de jongeman (16:6-7)? In een nog schriller contrast worden er nauwelijks 19 woorden aan de zevende dag besteed: ‘en toen de sabbat voorbij was, kochten Maria van Magdala en Maria, (de moeder) van Jakobus, en Salome specerijen om hem te gaan zalven (16:1).

 

Wat een tegenstelling! Terwijl het toch gaat om zo’n totaal onverwachte omslag van dood naar leven! Hoe moeten lezers die omslag begrijpen? Het lijkt alsof een gehaaste Marcus zijn lezers aan hun lot overlaat. Marcus’ beide collegae Matteüs en Lucas helpen hen niet echt verder om die radicale omslag te verklaren. Dáárvoor moeten zij bij Johannes zijn. Hij brengt de gebeurtenissen van de zesde en de eerste dag veel uitgebreider. Bovendien tilt hij het verhaal – zoals lezers dat van hem gewend zijn – op een hoger (theologisch) niveau. De accenten die hij aanbrengt, vereisen van zijn lezers, dat zij uit hun geheugenreservoir putten en verbanden leggen, die niet-synagogale lezers zeker ontgaan.

 

 

Van Marcus naar Johannes

Johannes werkt vertelaspecten van Marcus uit en voegt er een aantal aan toe. Sommige brengt hij met een dosis dramatiek en nadruk, die de  lezers bij de duiding ervan op weg helpen.

a) markante tegenstellingen

Binnen het lijdensverhaal ervaren lezers een zich opdringende spanning met opvallende tegenstellingen. In de eerste plaats heerst de schuldvraag: wie is er schuldig en wie wordt er vrijgesproken? Drie keer benadrukt Pilatus dat hij geen schuld in Jezus vindt (18:38; 19:4,6), terwijl die van Barabbas vaststaat.

 

Dan is er de kwestie van het koningschap, waarbij Jezus veelvuldig én in drie talen ‘koning van de Joden’ wordt genoemd, terwijl hij zelf claimt een koning te zijn van een andere wereld. Door de soldaten wordt hij als een spotkoning ten tonele gevoerd met een purperen mantel en een doornenkroon, die de gebruikelijke stralenkrans van de keizer uitbeeldt. De opperpriesters en hun dienaren uiten met luid geroep hun steun en voorkeur voor die keizer. Ook speelt de tegenstelling van Pilatus’ macht over deze Joodse koning en tegelijk zijn onmacht tegenover deze koning van wie hij niet weet, waar hij vandaan komt.

 

Ten slotte zijn er de gegevens (a) omtrent Jezus als ‘de mens’ en ‘de zoon van God’ (19:6,7)[2], (b) zijn naaktheid en zijn gekleed zijn met de koninklijke mantel en (c) de uitgesproken twijfel over wat waarheid is.

b) intrigerende overeenkomsten

Johannes coacht zijn synagogale lezers zodanig, dat zij tijdens het lezen vanzelfsprekend terugkoppelen naar de eerste drie hoofdstukken van de boekrol Genesis. Zij merken daarbij stimulerende overeenkomsten op. Allerlei verhaalmotieven – hoewel van een ongelijkwaardig gewicht – suggereren, wanneer zij samen worden genomen, een parallelle beeldvorming. Deze vallen lezers bijzonder sterk op als zij de gebeurtenissen vergelijken omtrent Jezus’ sterven en opstanding met de verhalen over de schepping van de mens.

 

In zijn evangelie presenteert Johannes Jezus aan zijn lezers enerzijds als het licht, het leven, de waarheid, de zoon van God, die zonder zonden is en de dood weet te overwinnen. Anderzijds als het Woord dat verbonden is met de schepping van de wereld én als de eniggeboren zoon van de Vader, die maakt dat mensen toegang krijgen tot de titel van zonen en dochters van God.

 

Zesde en eerste dag van Pesach

De kruisiging op de zesde dag vertegenwoordigt een failliet: een ‘goed’ mens wordt terechtgesteld  en een ‘fout’ mens wordt vrijgelaten. De duisternis zonder christus, messias of koning van Israël symboliseert de macht van het kwaad, die de dood baart.

 

Het contrast tussen de zesde dag, waarop alles fout gaat en de eerste dag, waarop alles nieuw wordt, is dus bijzonder groot. De duisternis, het beklemmende, het bedreigende, het pijnlijke, het onrechtvaardige en het sterven worden zó sterk in de verf gezet, dat de tegenhanger ervan in het oog springt met het ochtendgloren, het licht en de zon die opgaat, de blijdschap, ‘hij is opgewekt’ en het ‘vrede zij jullie’ (20:19,21).

 

Van Marcus hadden de lezers al begrepen dat op die vrijdag van Pesach – die een positieve en goede dag van voorbereiding had moeten zijn – alles op z’n kop wordt gezet. De (hoogstwaarschijnlijke) verzetsstrijder Barabbas wordt immers vrijgelaten en de man over wie Pilatus zich afvraagt wat voor kwaad hij dan wel heeft gedaan (15:13), wordt geëxecuteerd. Deze zesde dag – waarop vanwege de kruisiging van deze mens én zoon van God – een onverklaarbare duisternis over het land komt, krijgt met de eerste dag een markante tegenhanger met de expliciet vermelde zonsopgang en de uit de dood opgewekte, maar afwezige Nazarener (16:6).

 

Tussen zesde en eerste dag

De vraag is wat er tussen de gebeurtenissen met hun respectievelijke kenmerken op de zesde dag en de eerste dag is voorgevallen? Wat is de functie van de tussenliggende dag? Speelt die zevende dag dan helemaal geen rol bij die overgang van dood naar leven, van duisternis naar licht? Elke evangelieschrijver bericht er anders over.

 

Marcus schrijft: ‘en toen het reeds avond geworden was … omdat het voorbereiding, dat is de voorsabbat’ (15:42). Zijn omschrijving komt overeen met de late vrijdagnamiddag voor de zon is ondergegaan. Hij sluit af met ‘toen de sabbat voorbij was’ (16:1) en dat betekent dus de zaterdagavond na zonsondergang. De volgende tijdsperiode, die hij noemt, is ‘zeer vroeg op de eerste dag van de week (16:2).

Lucas informeert zijn lezers met: ‘en toen zij teruggekeerd waren, maakten zij specerijen en mirre gereed. En op de sabbat rustten zij naar het gebod, maar op de eerste dag van de week gingen zij reeds vroeg in de morgenstond met de specerijen, die zij gereedgemaakt hadden, naar het graf (23:56-24:1).

Matteüs houdt het heel beknopt: ‘laat na de sabbat, tegen het aanbreken van de eerste dag van de week, ging Maria van Magdala en de andere Maria het graf bezien’ (28:1).

Deze drie evangelieschrijvers hebben de drie dagen duidelijk afgebakend. Desondanks krijgt de tussenliggende sabbatdag – afgezien van ‘het rusten’ – geen concrete invulling. Johannes van zijn kant vermeldt hem niet, zodat de lezers het alleen met een indirect gegeven moeten doen: ‘daar dan legden zij Jezus neer wegens de voorbereiding van de Joden, omdat het graf dichtbij was (19:42). ‘En op de eerste dag van de week ging Maria van Magdala vroeg, terwijl het nog donker was, naar het graf …’ (20:1).

 

Tussen duisternis en licht

In zijn eerste hoofdstuk (1:1-18) schuift Johannes de woorden duisternis (2x), licht (6x) en leven (2x) prominent naar voor. Hij voert zijn lezers daarmee terug naar de woorden, die in het begin van het scheppingsverhaal staan. Dat begint met: ‘de aarde nu was woest en doods’ (Genesis 1:2a NBV). Bij de profeten Jesaja en Jeremia (34:11; 4:23) roepen beide woorden, zowel als woordpaar als apart, een sfeer van chaos (i.e. ruïne) en van doodse verlatenheid (of leegte) op. Kort daarop (in Genesis 1) is er sprake van het licht, dat door God wordt geschapen (1:3a). Dat geldt echter niet voor de duisternis, die op de water- of oervloed ligt en de aarde omringt (1:2b). Het woeste en het doodse roepen samen met de duisternis het totale gebrek aan leven op. Precies tussen die duisternis en dat licht in is ‘de wind of adem (of geest) van God aan het zweven boven de wateren’ (1:2c). Dit werkwoord zweven wordt in Deuteronomium 32:11 gebruikt voor een adelaar, die heel gericht fladdert boven zijn uitgebroede jongen, dat zijn zorg en bescherming vertegenwoordigt. Dit beeld is één van de metaforen, die worden gebruikt om JHWH’s aandacht en zorg voor het volk Israël in de verf te zetten.

 

In de sfeer van doodse duisternis is er Gods adem (of geest), die niet stil zit maar bezig is. Hij is fladderend (i.e. tegenwoordig deelwoord of participium) of ‘aan het fladderen’, waarmee hij zijn energie op de onder hen liggende wateren richt. Lezers mogen dit dus begrijpen als een vorm van kinetische energie. Een energie, die samenhangt met de beweging van Gods adem (wind of geest) en voor de overgang zorgt tussen duisternis en licht en tussen doods en levend.

 

Deze gegevens over duisternis en licht of dood en leven in Johannes’ inleiding en in die van Genesis komen duidelijk overeen. Zou hun combinatie niet als een sleutel kunnen dienen om die enorme omslag tussen de zesde en de eerste dag van Pesach in het Marcusevangelie te verklaren? Daar speelt toch ook het contrast tussen enerzijds duisternis en dood en anderzijds het opgaan van de zon en het zien van een in het wit geklede jongeman?

Is het niet belangwekkend, dat Johannes schrijft dat Jezus bij zijn sterven op de zesde dag zijn hoofd buigt en zijn adem uitblaast? En dan … dat hij na het eind van die eerste dag (zijn adem) over zijn leerlingen heen blaast en tegen hen zegt: ‘Ontvangt de heilige Geest (20:22)? Is het de lezers dan niet veroorloofd om te concluderen, dat er wel degelijk iets in het graf is gebeurd in de periode tussen de zesde en de eerste dag? Tijdens die zevende dag of paassabbat, die in de christelijke samenleving bekend staat als ‘de stille zaterdag’?

 

Drie cruciale dagen

Zouden de synagogale lezers van Marcus uit voorgaande gegevens omtrent die drie cruciale dagen mogen uitgaan van de volgende zaken?

 

  1. de ingetreden duisternis en de macht van de dood op de zesde dag hebben geen effect op de zevende dag. Dat komt omdat Gods adem (geest) dan bezig is en het licht van de eerste dag voorbereidt.
  2. parallel aan Gods voltooien van zijn scheppingswerken en rusten op de zevende dag ‘rust ook Jezus uit’ op de zevende dag, nadat hij zijn dienstwerk op de zesde dag heeft volbracht. Of moeten de lezers het interpreteren als een vorm van slapen, zoals Jezus dat van de gestorven dochter van Jaïrus zegt (Marcus 5:39)?
  3. Gods rusten op de zevende scheppingsdag (Genesis 2:1-3) suggereert geen toestand van passiviteit. De Genesisschrijver gebruikt immers de werkwoorden ‘zegenen en heiligen’. Is het de lezers dan geoorloofd om er vanuit te gaan, dat God ook op die andere zevende dag actief is en een proces op gang brengt van zorgzame energie ten behoeve van Jezus?
  4. krijgt Jezus de adem, die hij op de zesde dag uitblaast, door een zegenende God terugbezorgd, zodat hij er op de eerste dag na zijn opwekking opnieuw over kan beschikken? En deze bijgevolg over zijn leerlingen heen kan blazen?

 

Met inhoud én betekenis

Als deze manier van lezen en duiden – omtrent die drie cruciale dagen van Pesach – voor de lezers van deze bijdrage hout snijdt, dan betekent het dat de dag waarop Jezus in het graf ligt, geen inhouds- en betekenisloze periode voorstelt. Deze sabbat van Pesach lijkt juist een enorm zinvolle en zingevende rol te vervullen. Hij zorgt voor de kanteling van de gebeurtenissen. Op die zevende dag blijven de duisternis en de dood van de zesde dag niet langer te heersen. Zij worden buiten spel gezet en moeten plaatsmaken voor Gods zegenende (en mogelijk ook heiligende?) inwerking op de overleden Jezus. Op de zesde dag sterft Jezus als Gods ‘goede beeld’ in de plaats van Barabbas. Hij is het ‘foute beeld van God’, die zich binnen de invloedssfeer van de macht van de duisternis had begeven.

 

Lezers, die rekening houden met voorgaande observaties kunnen eruit afleiden, dat de eerste dag een dag van opstanding uit de dood kon worden, juist om wat er op die voorgaande zevende dag gebeurde. Op die dag komen immers Jezus’ revitalisering en oplading met nieuwe energie op gang door de input van Gods adem, die leven genereert. Die levensadem, die op de zesde dag is uitgedoofd, kan weer opleven op de eerste dag. Het licht en het leven krijgen zodoende de overhand op de duisternis en de dood. Op die manier kan de zon opgaan en de rabbi en profeet weer worden gezien, die God op de berg aan Jezus’ leerlingen heeft gepresenteerd. Ook diegenen die eerst niet zien, kunnen dat plotseling wel. Dat overkwam eerder Bartimeüs langs de kant van de weg (Marcus 10:51), maar ook nu Mirjam (of Maria) op die eerste dag in de hof (Johannes 20:16). Toen ze hem dan echt zagen, konden ze hem bijgevolg ‘rabboeni’ noemen.

 

Samenvatting

Marcus focust zijn synagogale lezers op drie episodes, waarin God zich met betrekking tot Jezus van Nazaret concreet laat horen. Samen dragen zij bij aan Jezus’ beeldvorming, die Marcus aan zijn lezers wil voorhouden. Zij betekenen telkens het startpunt voor een nieuwe fase. Met de Jordaanepisode in Galilea wordt Jezus (als David) gezalfd met de opdracht Gods koningschap onder het volk gestalte te geven en het te bevrijden van de macht van het kwaad.

Op de berg wordt een tweede episode ingeleid. God draagt daar Jezus’ leerlingen duidelijk op om naar hun meester (als naar Mozes) te luisteren, daar hij garant staat voor Gods thora.

Tijdens de grafepisode verklaart God – via de in het wit geklede jongeman – dat Jezus uit de dood is opgewekt en dat met hem (als dé mens) een nieuwe fase is aangebroken. Zijn leerlingen krijgen de opdracht om hem achterna te gaan.

 

Ter afronding

Bij elk van de drie episodes speelt de zevende dag of sabbat een mee bepalende rol. Telkens draagt hij bij aan een nieuwe fase van Jezus’ dienstwerk. Eerst à la David, dan à la Mozes en tenslotte à la Adam (of dé mens). Al met al lijkt van de drie cruciale dagen van Pesach, de zevende dag met deze drie dimensies, de brug te vormen tussen enerzijds wat voorbij is en anderzijds wat er in de toekomst ligt. Het kwaad heeft immers met Jezus’ dood zijn macht op de zesde dag kwijtgespeeld en met zijn opstanding is er op de eerste dag sprake van een totaal nieuw leven beschikbaar voor allen die deze rabbi willen navolgen.

 

 

 

[1] ‘… en hij blies de  laatste adem uit’ zoals de Leidse Vertaling en de NRS en NIV het weergeven.

[2] ‘Behoort gij tot deze mens’ (18:17)? ‘Welke aanklacht brengt gij in tegen deze mens’ (18:29)? ‘… en zie de mens’ (19:6).

[3] 2 Thessalonicenzen 2:8: ‘… zal de Heer Jezus hem met de adem van zijn mond doden …’.

error: Alert: Content is protected !!