6.2.1 Is de Bijbel betrouwbaar?

Ontdekken van het karakter en de opzet van de Hebreeuwse Bijbel en het Griekse Nieuwe Testament.

Inleiding

De Nederlandse populaire verhalenverteller Maarten ‘t Hart schreef een boek met zo’n 45 bedenkingen bij bijbelse onderwerpen met als ondertitel ‘De Schrift betwist’.[1] Vanwege hun controversiële karakter staat er op het kaft: ‘Deze bundel zal opschudding en gekrakeel veroorzaken onder allerlei gezindten in Nederland.’ Heeft ‘t Hart gelijk met zijn vlijmscherpe kritiek? Wankelt de Bijbel inderdaad? Heeft hij als betrouwbaar boek afgedaan?

Sinds de natuurwetenschappelijke revolutie heeft er ook een revolutie in het historisch en in het theologisch denken plaatsgevonden. Bij kritische vragen van historische aard over de Bijbel klinken zinnige maar ook onzinnige dingen mee. Wat moet een bijbelgelovige met die kritiek? Hoe dient de Bijbel eigenlijk worden opgevat? Als een verzameling van boeken die letterlijk ‘woord voor woord’ dienen te worden genomen? Of gaat het om een verzameling van mythische en legendarische verhalen die niet relevant zijn voor de historische waarheidsvraag of voor de zin van het leven?

‘Maar dat kan ik niet geloven!’

Dat is de titel van een boekje dat de Anglicaanse bisschop John A.T. Robinson in de zestiger jaren schreef.[2] Helder en duidelijk brengt hij daarin een reeks geloofswaarheden te berde: maagdelijke geboorte, opstanding, hemelvaart, wonderen, het bestaan van engelen enz. ‘Niet echt gebeurd’, luidt zijn verdict. Vanuit zijn behoefte ‘Eerlijk voor God’ – de titel van zijn daaraan voorafgaande verschenen boek – te staan, voert hij een milde strijd tegen gelovigen die emotioneel en krampachtig strijden tegen de resultaten van de wetenschap omdat die mogelijk een bedreiging voor de Bijbel vormen. Maarten ‘t Hart doet het op zijn manier: ironisch, cynisch en soms sarcastisch. Niemand kan volgens hem en anderen met hem om de vraag heen ‘of het allemaal wel echt gebeurd is?’

a. echt gebeurd?

De nuchtere lezer van de Bijbel merkt inderdaad gegevens op die een overdreven indruk maken. Zo wordt bijvoorbeeld de toren van Babel beschreven als een bouwwerk waarvan de top ‘tot aan de hemel’ moest reiken (Genesis 11:4). Israëls verkenners rapporteerden aan Mozes dat alle mensen in Kanaän erg groot waren en dat er reuzen rondliepen (Numeri 13:33). Salomo had 1.000 vrouwen en slacht ontelbare schapen en runderen aan het begin van de tempelinwijding en aan het eind ervan 22.000 runderen en 120.000 stuks kleinvee (1 Koningen 8:5 en 63). De Ethiopiër Zera trok met o.a. 1.000.000 (!) manschappen tegen koning Asa ten strijde (2 Kronieken 14:9). Jona verbleef drie dagen en drie nachten in een grote vis, die hem uiteindelijk op Gods bevel op het droge uitspuwde (Jona 1:17 en 2:10).

b. wat is nu het juiste verhaal?

Naast deze ‘sterke’ gegevens komt men verhalen tegen die men al eerder heeft gelezen. Abrahams ervaringen bij een Filistijnse koning (Genesis 20:1-18) komen bekend voor als men hem in 12:10-20 al oog in oog met farao heeft zien staan. In beide verhalen kwam hij als vreemdeling aan en liet hij zijn vrouw voor zijn zus doorgaan. Hierop wilden respectievelijk de farao en de koning met haar trouwen. Zij kwamen er via een bijzondere weg achter dat hij had gelogen en riepen hem met zware verwijten op het matje. Abraham kwam er telkens met de schrik vanaf.

Wat moet je daar als bijbellezer nu van denken? Gaat het om authentieke ervaringen? Heeft hij zich twee keer aan dezelfde steen gestoten? De lezer wordt met stomheid geslagen wanneer zijn zoon Isaak diezelfde ervaring bij die Filistijnse koning overdoet (26:1-35)!

c. tegenstrijdigheden

Wie de Evangeliën vergelijkt, merkt tegenstrijdigheden op die moeilijk of niet met elkaar vallen te rijmen.  Zo komt Matteüs’ ‘geslachtsregister van Jezus’ (1:1-17) voor een groot deel niet overeen met dat van Lucas (3:23-38). Bij eerstgenoemde is hij de nakomeling van David en diens zoon Salomo waarna de stamboom naar Jozef toeloopt (1:6). Lucas’ stamboom gaat echter via Natan, een andere zoon van David en tussen de koning en Jozef levert dit bijgevolg een reeks andere namen op (3:31).

Tijdens zijn rondreis verbleef Jezus in Jericho. Bij het verlaten van de stad en door een grote menigte op de voet gevolgd, ontmoette hij volgens Marcus één blinde man (10:46-52), maar Matteüs heeft het over twee blinden (20:29-34) en Lucas houdt het op één blinde man maar dat gebeurde dan bij het binnenkomen van Jericho (18:35-43). Welke stamboom geniet nu de voorkeur? Wie heeft het gebeuren in Jericho juist gerapporteerd? Zijn dit vergissingen of is er (erger nog) bedrog in het spel?

Voor wie aan bovenstaande overdrijvingen, doublures en tegenstrijdigheden zwaar tilt, is het een uitgemaakte zaak dat de Bijbel geen betrouwbare informatie biedt. Sommige gelovigen die alle bijbelteksten als absoluut ‘waar’ en ‘historisch’ zien, zullen hemel en aarde bewegen om zichzelf en anderen te overtuigen dat de Bijbel zich echt niet tegenspreekt. Met krampachtige bewijsvoeringen kan men dan proberen te roepen: ‘En de Bijbel heeft toch gelijk!’ Zo luidt de titel van het alom bekende werk van de journalist Werner Keller. Rechttoe rechtaan beweert hij dat de Bijbel een boek is over gebeurtenissen, die … ‘historisch echt en met verbluffende nauwkeurigheid zijn opgetekend’.[3] Hij verklaart dan wel geen van bovenvermelde of analoge ‘oneffenheden’ maar hij wil de lezer er duidelijk voor behoeden dat hij of zij de Bijbel als onwaar zou opvatten.

Maar dat zijn louter mythen, legenden en sprookjes!

Het liberalisme van de negentiende eeuw kwam met de gedachte dat de meeste verhalen i de Bijbel geschiedkundig onbetrouwbaar zijn. De taal van de godsdienst komt dan feitelijk neer op de taal van de verbeelding of eventueel van de poëzie. De daarin opgesloten waarheden worden daardoor niet toegankelijk voor wetenschappelijke onderzoeksmethoden. Terwijl geleerden beweren dat de nuchterheid en de exactheid de maten zijn waaraan men de Bijbel moet toetsen, komen de verdedigers van deze geopperde benadering ertoe hem te plaatsen in de rij van mythen, legenden en sprookjes.

a. gevechten met monsters en kwade machten!?

In de Babylonische wereld wordt de scheppingsmythe verteld waarin Apsu (het zoete goede water) in spanning leeft met Tiamat (het zilte slechte water) en Mummu (het scheppende woord) de eerstgenoemde te hulp snelt. Deze god, die later Marduk heet, verslaat de chaos Tiamat en schept zo de kosmos. Sommige geleerden voeren daarom Israëls God als overwinnaar op van de Leviatan, het oermonster van de chaos (Jesaja 27:1; Psalm 74:13-17) waardoor hij dan de geordende wereld zou hebben verwezenlijkt.

Zondvloedverhalen treft men in alle werelddelen aan. Naast het bekende Babylonische zondvloedverhaal, dat treffende overeenkomsten vertoont met het bijbelse Noachverhaal, is er de vermaarde Griekse mythe over Pyrrha en Deukalion, die een allesomvattende overstroming overleven en op de berg Parnassus belanden. Hun rechtvaardig leven en hun dienst aan de goden ligt daar aan de basis, terwijl alle overige mensen omkomen vanwege hun slechtheid. Voor critici zijn dergelijke verhalen aanleiding om het bijbelse zondvloedverhaal in de rij van mythologische voorstellingen te plaatsen en dus uiteraard als onbetrouwbaar te betitelen.

b. reuzeverhalen over reuzen en kleine mensen

Jakob zat in grote angst voor de wraak van zijn broer Esau die hem met 400 ruiters tegemoet reed. In de nacht vocht hij eenzaam tegen een mysterieuze man. Jakob kon niet tegen hem op, maar het gevecht bleef onbeslist en hij kwam er met een kreupele heup en met een betekenisvolle naam vanaf (Genesis 32:22-32). Gaat het hier om een sprookje? Moet het letterlijk of figuurlijk worden opgevat?

Het verhaal van Davids overwinning op de reus Goliat wordt door sommigen tot de categorie van sprookjes gerekend. Een reus bedreigde de veiligheid van het koninkrijk. Niemand kon hem verslaan en de koning loofde een beloning uit. Uiteindelijk behaalde een herdersjongen een ongelooflijke overwinning. Wat doet zo’n verhaal in een bundel van heilige boeken die voor de waarheid garant willen staan?

c. soberheid versus surrealisme

Getuige zijn van mensen die uit de dood worden opgewekt, is niet voor de gewone sterveling weggelegd. Toch biedt de Hebreeuwse Bijbel drie en het Griekse Nieuwe Testament zes opstandingsverhalen. Die laatste zijn heel anders van aard dan de opstandingsverhalen die in de apocriefe evangeliën staan. Deze werden niet in de Bijbel opgenomen omdat ze niet als authentiek noch als geïnspireerd werden beschouwd. In het Apocriefe Evangelie van Petrus leest men: ‘… bemerkten zij opnieuw drie mannen, die uit het graf kwamen, terwijl twee de derde ondersteunden en het kruis hen volgde. Het hoofd van de tweede reikte tot de hemel en dat van de Derde, die ondersteund werd, ging boven de hemelen uit …’. Dergelijke surrealistische trekken ontbreken ten enenmale in de bijbelse evangeliën, die hun hele verkondiging op de opstanding uit de dood van Jezus richten. Moeten desondanks dergelijke versies serieus worden genomen? Hun auteurs vinden echt van wel.

Maar dat heb ik niet geweten!

Wie enigszins met de Bijbel vertrouwd is en die ze of letterlijk en historisch of niet letterlijk en mythisch of legendarisch opvat, komt mogelijk tot de hierboven vermelde uitspraak: ‘Maar dat heb ik niet geweten!’ als … hij of zij zich grondig over de achtergronden van Bijbel laat informeren. Inderdaad, wie vrij snel voor de eerstgenoemde of tweede optie kiest, ziet vaak belangrijke aspecten over het hoofd en dan duwt men al snel de Bijbel in het ene of andere hokje.

a. boeken uit de Oude Wereld

De boeken Genesis tot en met Openbaring zijn twee tot drieduizend jaar oud. Men mag er niet mee omspringen alsof zij om middeleeuwse kronieken, filosofische verhandelingen uit de Verlichting, wetenschappelijke bijdragen uit de moderne tijd of essays uit een postmoderne samenleving gaan. Het waren geen westerse maar oud-Semitische schrijvers die hun ervaringen, inzichten en overtuigingen op papyrus of perkament zetten. Dat deden zij in het Hebreeuws, het Aramees en het Grieks en de lezer van nu hoort voor een goed begrip met de specifieke eigenheid van elk van deze talen rekening te houden.

De Bijbel bevat verhalende en dichterlijke teksten van een heel andere aard dan de heldensagen of de mythische vertellingen over beroemde figuren, van wie de levens met de verhalen over de goden van de Assyriërs, Babyloniërs, de Perzen, de Grieken, de Romeinen e.a. versmelten. De bijbelse stamvaders, koningen en profeten blijven mensen van vlees en bloed in hun omgang met Israëls God, die een totaal karakter heeft dan de illustere leden van het pantheon van goden uit de Oude Wereld.

b. boeken met een ‘verkondigend’ karakter

Het wereldbeeld, het godsbeeld en het mensbeeld van de bijbelschrijvers waren fundamenteel anders dan de onze. Het is belangrijk om te weten hoe zij – als kinderen van hun tijd – tegenover het verleden stonden, hoe zij ermee omgingen en hoe zij het vastlegden in hun geheugen en in dat van anderen. De bijbelschrijvers behoorden tot een volk dat aanvankelijk uit nomaden bestond. Het trok uit het Tweestromenland, uit Egypte en reisde via karavaanroutes of zocht zijn weg door de woestijn. Daarbij deden ze ervaringen op, zagen en hoorden dingen die zij wezenlijk vonden en voor hun nageslacht wilden vasthouden. Dat gebeurde eerst mondeling (‘rond het kampvuur’) ritmisch, beeldend, vertellend, enthousiast en gedreven.

Later schreven ze er delen van op en creëerden hun ‘historische’ documenten. Hoe de daarin vertelde gebeurtenissen zich precies in detail hebben afgespeeld, valt natuurlijk niet na te gaan, maar – afgezien van Genesis 1-11, het boek Job en nog enkele bijbelgedeelten die tot andere genres of andere soort teksten behoren – staan ze in een historisch, cultureel, godsdienstig kader. De bijbelverhalen spelen zich helemaal niet af in een nevelig ver verleden, in onbekende landen en met onwezenlijke creaturen. Het toenmalige leefkader – of ‘Sitz im Leben’ zoals men dat onder specialisten noemt – waarin bijvoorbeeld een Mozes, een David en een Jezus optreden, blijft verifieerbaar. Het gaat dan om het land Egypte, de Fenicische stad Tyrus, het Romeinse keizerrijk en de joodse godsdienst, waarbij deels steden (Ramses en Pitom), volken (de zeevarende Feniciërs), figuren (keizer Tiberius, Pontius Pilatus), gebouwen (Jeruzalems tempel) en godsdienstige stromingen en feesten (Farizeeën en Pesach of Pasen) respectievelijk geografisch, cultureel, historisch, archeologisch en godsdiensthistorisch te duiden zijn.

c. teksten met een ‘onderwijzend’ karakter

Wat de schrijvers aan ervaringen, aan gebeurtenissen, aan inzichten opdeden, vonden ze zó belangrijk dat ze er allerlei literaire middelen voor gebruikten om de lezers van hun leer te doordringen. Daarom en helemaal in de geest van hun tijd komen er doublures in voor (het meervoudige liegen van Abraham en Isaak); overdrijvingen (de hoeveelheid vrouwen en offers van Salomo); stambomen van Jezus die niet een biologische maar een ‘geestelijke’ lijn van afstamming weergeven; verhalen over ontmoetingen ‘met God’ (maar zonder mythologische ingrediënten zoals Mozes op de berg Sinaï); een tot de verbeelding sprekend verhaal (David en Goliat) van de niet voor mogelijk gehouden overwinning van Israël op de Filistijnse vijand; en uiteindelijk opstandingverhalen – tegelijk sober en indringend – omdat de schrijvers in een God van levenden en niet van doden geloofden. Allemaal stijlfiguren om de boodschap, die uit de ‘historische’ gebeurtenissen of ervaringen voortvloeiden, met overredingskracht bij hun lezers in te prenten.

Hoewel de vergelijking niet helemaal opgaat, is het toch nuttig om te verwijzen naar de Vlaamse schrijver Hendrik Conscience die met zijn ‘Leeuw van Vlaanderen’ de lezers aan het eind van de 19de eeuw wilde overtuigen van de noodzaak om te komen tot het zelfstandig worden van het Vlaamse bewustzijn in een land waarin de Franstaligen het over de hele lijn voor het zeggen hadden. Als romancier gebruikte hij een literair model, waarbij zijn lezers beseften dat zij zijn oeuvre niet detaillistisch tegen het filter van de historische accuraatheid hoorden te houden. Zij wisten dat daar een deel fictie bij aan te pas kwam dat een ondergeschikte rol speelde. Het zou bij niemand in het hoofd opkomen om te denken dat Conscience zijn publiek belogen of bedrogen had. De kern van zijn verhaal, het hele kader waarin het zich afspeelde, en de hoofdpersonages zijn historisch en de hele geografische, politieke, culturele en zelfs religieuze entourages kon men terugvinden in de geschiedenisboeken. Hij wilde zijn lezers boeien, enthousiasmeren en hen vooral van zijn boodschap overtuigen! Dat hij een literaire vrijheid aanwendde, zette de historiciteit van de in zijn boek voorkomende Brugse metten waarbij Franse soldaten werden vermoord, de Franse dwingelandij en de Guldensporenslag waarbij het Franse eliteleger werd verpletterd niet op de helling. Tekenend en tegelijkertijd verhelderend was de manier waarop hij eindigde: ‘Gij, Vlaming, die dit boek gelezen hebt, overweeg bij de roemrijke daden, waarvan het getuigt, wat Vlaanderen eertijds was – wat het nu is – en nog meer, wat het worden zal, indien gij het heilig voorbeeld van uw vaderen vergeet!’[4]

Ter afronding

De bijbelschrijvers getuigden van wat hen bezielde en hoopten dat de vonk over zou slaan op hun lezers zodat het bleef hangen en hun levens beïnvloedde. Daarbij gebruikten ze literaire middelen, technieken en genres die thuishoorden in de oudoosterse en grieks-romeinse literatuur, waarbij het ‘waarheidsgehalte’ van wat zij schreven voor hen zelf buiten kijf stond. Daar hoorden nu eenmaal overdrijvingen, doublures en tegenstrijdigheden bij, maar zij produceerden geen mythen, sprookjes en legenden. Als er al mythische, legendarische of sprookjesachtige ‘elementen’ aan te pas kwamen, dan wisten hun eigentijdse lezers die op de juiste wijze te honoreren. Die zagen ze immers als verfraaiingen, kleurschakeringen en effecten die de belangrijkheid van de betrouwbare ‘historische’ kerngegevens onderstreepten.

Die lezers van toen beseften maar al te goed dat het bij hun bijbelschrijvers telkens ging om de betekenis van de verhalen. Die moest de lezers dichter bij God brengen en hun rol als volk in hun toenmalige wereld doen beseffen. Die betekenis zagen zij als dé waarheid die zij serieus moesten nemen. Hun schrijvers waren dan ook geen geschiedkundigen, kroniekschrijvers of journalisten. Zij waren in eerste instantie geestelijke leiders, leraren en pedagogen die met gedrevenheid en kundigheid Gods betrokkenheid en empathie voor zijn volk aan hun lezers wilden overbrengen.

Voetnoten

[1] Maarten ‘t Hart, Wie God verlaat heeft niets te vrezen, Amsterdam 1997

[2] John A.T. Robinson, Maar dat kan ik niet geloven!, Amsterdam 1967

[3] Werner Keller, En de Bijbel heeft toch gelijk, Hamburg 1955,7

[4] Hendrik Conscience, De Leeuw van Vlaanderen ,Zele 196113, 232

 

error: Alert: Content is protected !!