2.3.5 Een genezingsverhaal 3

Marcus 5:25-34

Zich verdiepen in de verschillende gelaagdheden van het op het eerste gezicht glasheldere verhaal over de genezing van een zieke vrouw door Jezus.

 

Inleiding

In de vorige twee bijdragen werd het genezingsverhaal van Marcus (5:25-34) twee keer grondig gelezen. De eerste keer was het een soort oppervlaktelezing met aandacht voor wie, wat, wanneer en waar in het verhaal. Bij de tweede keer lag de focus op de stijl, opbouw en handelingsverloop en leverde antwoorden op het hoe, waarom en waartoe. Mogelijk zullen lezers hierna verder lezen in het Marcusevangelie. Ondanks deze twee leesrondes blijven er nog flink wat vragen over. Een derde leesronde helpt immers om – tot op zekere hoogte – te achterhalen hoe Marcus’ toenmalige lezers zijn verhaal zouden hebben gelezen én begrepen. Huidige lezers krijgen dan een beeld van hoe Marcus Jezus zag en … hoe en waarom hij hem aan zijn lezers wilde aanprijzen.

 

Maar wie is dan die vrouw?

Hoe zit het nu met die vrouw in het verhaal van Marcus? Waarom introduceert hij haar aan zijn lezers als een anonieme vrouw,  terwijl hij onmiddellijk vooraf aan dit verhaal de naam Jaïrus en diens functies expliciet noemt (5:21-24)? Waarom vertelt hij zoveel over haar ziektebeeld en vooral dat zij voor haar genezing  naar zoveel dokters ging, maar Jezus niet meteen opzocht? Waarom voegt Marcus eraan toe dat zij al haar geld voor haar genezing had uitgegeven? Waarom geeft hij de reden van haar ziekte niet op en hoe het komt dat het een chronische ziekte is geworden? Waarom informeert Marcus zijn lezers dat ze er al twaalf jaar aan leed? Waarom noemt hij als verteller dit precieze getal? Waarom is zij, nadat Jezus haar heeft genezen, zo verschrikkelijk bang dat zij zich voor hem op de grond neerwerpt? En vooral … waarom spreekt Jezus haar aan met ‘mijn dochter’?

 

Zoveel vragen waarop het Marcusverhaal in directe zin geen antwoorden geeft, zodat de huidige lezers met veel vragen blijven zitten. De synagogale lezers voor wie Marcus zijn verhaal schreef, hadden daar echter geen moeite mee. Zoals hun gedegen kennis van de Hebreeuwse Bijbel hen al moeiteloos de associaties en de verbindingen tussen dit Jezusverhaal en het Elisaverhaal in de boekrol Koningen had doen opmerken, helpt deze voorkennis hen ook om te weten wie Marcus met deze anonieme vrouw bedoelt.

 

Een bloemlezing van Jeremiateksten

Het doorzoeken van teksten in de Hebreeuwse Bijbel naar woorden, die ook in Marcus 5:25-34 voorkomen, voert lezers naar tekstgedeelten in de geschriften van Jesaja, Jeremia en Hosea. Onderhavige bijdrage beperkt zich tot Jeremiateksten (hieronder in de NBG-vertaling), omdat die een heel rijke medische woordenschat bezitten, die erg veel informatieve stof opleveren.

 

JHWH als echtgenoot

De profeten in de Hebreeuwse Bijbel beschrijven de relatie tussen JHWH en zijn volk Israël (of Juda) met behulp van verschillende beelden. Een frequent beeld is dat van een huwelijk. Zij presenteren JHWH als een trouwe echtgenoot, die voor zijn echtgenote instaat voor haar vruchtbaarheid, bescherming en voorspoed. Van haar verwacht hij trouw en gehoorzaamheid en retour.

 

De profeet Jeremia schildert – net zoals zijn oudere collega’s Hosea en Jesaja dat doen – dit huwelijk met dramatische penseelstreken, die tot uitdrukking komen in onderstaande gedeelten, die alle vanuit de NBG’51-vertaling worden geciteerd. Zo brengt hij zijn lezers in herinnering dat JHWH met nostalgie terugdenkt aan het begin van zijn huwelijk met Israël – bij de uittocht uit Egypte en de voltrekking ervan bij de Sinaï – en hoe zijn bruid hem toen vol liefde volgde:

 

 

Als het volk van hem afwijkt door achter andere goden aan te gaan – zoals een vrouw dat van haar man doet – dan draait zijn huwelijk uit op een breuk. Jeremia laat JHWH tot het volk zeggen:

 

De gevolgen van deze verbondsbreuk tussen Israël en JHWH nemen voor het volk catastrofale proporties aan, zodat het de tirannie van de volken van die goden moet ondergaan. Het welbevinden en de vrede van Israël verdwijnen als sneeuw voor de zon en maken plaats voor ellende en bloedvergieten. Zij was immers de weg ingeslagen van Egypte en die van Assyrië – waar zij een verbond mee aanging – zodat het volk het erg te verduren kreeg. Haar toevlucht tot deze vijanden zorgde ervoor dat de situatie van kwaad tot erger ging. JHWH kon zelfs bloed bij zijn vrouw Israël vaststellen:

 

JHWH is bereid om zijn vrouw te genezen

JHWH’s vrouw ervaart de gevolgen van haar misstappen. Enerzijds de slechte behandeling door diegenen tot wie ze haar toevlucht genomen heeft en anderzijds, omdat JHWH zich verplicht voelt om haar te straffen. Niet omdat hij wraakgevoelens koestert maar om haar ellendige toestand intenser te doen beseffen. JHWH onderstreept met dramatische beelden de oorzaak van haar ellende en haar ongeneeslijke ziekte. Zij zijn te wijten aan het erge grote aantal zonden en de enorme omvang van de ongerechtigheden. Met grote stelligheid onderstreept JHWH dat er van genezing absoluut geen sprake meer kan zijn:

En dan heel onverwacht spreekt JHWH de volgende onwaarschijnlijke woorden uit. Hij blijkt tegen alle verwachtingen in zijn vrouw terug te nemen.

 

Elders herhaalt hij, dat hij, niettegenstaande haar gedrag, bereid is om zijn vrouw van haar afdwalingen te genezen en zij zal een blijvende vrede of sjālōm ervaren,

JHWH is als een vader die begaan is met zijn dochter

Naast het beeld van het huwelijk tussen man en vrouw – om de relatie tussen JHWH en zijn volk te schetsen – gebruikt Jeremia ook dat van een vader en zijn kinderen. Naast ‘mijn kinderen’ neemt hij verschillende keren de woordgroep ‘dochter van mijn volk’ in de mond. Beide beelden – van vrouw en van dochter – vloeien soms in elkaar over, zoals dat blijkt, wanneer de profeet aan Israël woorden van een gekwetste JHWH laat horen:

Al met al blijkt de ziekte of de wonde, waar Israël onder lijdt, dus een beeld voor het onaanvaardbaar gedrag van het hele volk. Kristalhelder en uitgebreid formuleert JHWH dit:

 

Alle mensen met inbegrip van de godsdienstige leiders van het volk gedragen zich dus niet conform het verbond en overtreden de gedragsregels, die in de thora zijn voorgeschreven. Bovendien beloven zij het volk ten onrechte dat het allemaal goed komt, terwijl het juist op het tegenovergestelde uitdraait. Dit alles laat JHWH niet onberoerd. Zelf lijdt hij er enorm onder en drukt die pijn uit door zijn toehoorders met vragen te overstelpen:

 

Het lichamelijk herstel van Israël of Juda symboliseert en stuurt aan op het concrete herstel van Israëls gemeenschap. Eerst dan is het als de genezing van een wonde, maar de voorwaarde is wel dat Israël terugkeert  tot JHWH:

Anderzijds is Israëls wonde dodelijk en ongeneeslijk, want zij is veroorzaakt door hun ongerechtigheid, hun geweldige zonden en daarom heeft JHWH hen dit aangedaan. De enige uitkomst voor het volk is vol schuldbesef terug te keren tot hun God. Naar hem toekomen, omdat hij de enige die hen kan genezen door hen te vergeven en hen sjālōm – dat is vrede in de zin van geluk, welzijn, welbevinden, enz.  – kan laten terugvinden.

 

Israëls ziektebeeld

In deze Jeremiateksten komt in hun respectievelijke tekstverbanden dus het beeld naar voren van een vrouw – als JHWH’s echtgenote of als zijn dochter – dat verwijst naar Israël (of Juda, of Jeruzalem). Voor de ogen van de lezers tekent zich dan het volgende ziektebeeld af:

 

  • vastgestelde diagnose

het volk dat ongeneeslijk ziek of gewond is, wijst figuurlijk naar zijn ondergang. Genezing – maar dus eigenlijk bevrijding – valt er bij derden (Egypte en Assyrië) niet te halen, want die verergeren alleen maar de al zo ellendige situatie. Sjālōm of vrede (geluk) voor het volk blijkt dus totaal onbereikbaar.

  • verstrekte uitleg

de schuld voor de ziekte is niet aan derden te wijten, maar uitsluitend aan het volk dat het verbond met JHWH heeft verbroken.

  • concrete vaststellingen

alle ziektesymptomen staan voor zonden, overtredingen, afvalligheid, afgodendienst, corruptie, winstbejag en sociaal onrecht met gevolgen op alle niveaus: politiek, sociale en religieuze verhoudingen, ellendige sociale toestanden, enz. …

  • voorgestelde therapie

genezing / bevrijding lukt alleen als het volk tot JHWH terugkeert en hem als enige God erkent.

  • te verwachten behandeling

JHWH vergeeft en geneest. Dit verwijst naar de concrete bevrijding van land en volk.

  • uiteindelijke genezing

Israëls herstelde relatie met JHWH zorgt voor een hernieuwd verbond met sjālōm als resultaat      .

 

In Mozes’ boekrollen komen ziekte en genezing telkens en alleen in letterlijke zin voor, terwijl dat bij de profeten anders ligt. Vooral bij Jeremia – hoewel ook bij Jesaja en Hosea – vindt een opmerkelijke verschuiving van het letterlijke naar het figuurlijke plaats. De medische beeldspraak blijkt dus figuurlijk bedoeld en betreffende metaforen geven een theologische invulling voor de relatie tussen het volk en hun God JHWH.

 

Terug naar het Marcusverhaal

Wat begrepen synagogale lezers nu van dit genezingsverhaal dat Marcus hen vertelt? Dankzij hun voorkennis van Jeremia’s beeldspraak (en die van Hosea en Jesaja) over Israëls ziekte en genezing met de door hem gebruikte medische termen, begrijpen zij met gemak waar Marcus het over heeft. Vooral het opvoeren van de vrouw als dochter en het getal twaalf fungeren bijgevolg voor hen – zoals Umberto Eco zou zeggen – als niet te ontwijken knipogen. Quasi spelenderwijs brengen zij deze vrouw, die bloed verliest, met Gods volk in verband, zoals Jeremia dat Marcus al had voorgedaan.

Dit relatiemodel, omtrent de verhouding tussen JHWH en volk, waarmee de synagogale lezers al sinds hun kindertijd vertrouwd waren – omdat erover werd verteld, opnieuw verteld en doorverteld – maakt dat zij betreffende zinspelingen meteen herkennen.

 

Deze derde leesronde heeft de huidige lezers geholpen om gegevens waar te nemen, die cruciaal zijn om dit Marcusverhaal over de ongeneeslijke vrouw echt goed te kunnen begrijpen. Deze letterlijke anonieme vrouw blijkt te fungeren als de figuurlijke vrouw van God en dat in de hoedanigheid van Israël (Juda, Jeruzalem). Het getal twaalf bevestigt en versterkt deze insteek. De door Marcus bedoelde identiteit van Jezus kon dan ook vanzelf retroactief door de synagogale lezers worden begrepen. Hij bleek immers al niet zomaar een bijzondere wonderdoener te zijn (zie: Een genezingsverhaal 1). Met zijn optreden spiegelt en fungeert hij volgens Marcus immers niet alleen als de man Gods Elisa (zie: Een genezingsverhaal 2), maar nu – na deze derde leesronde – blijkt hij ook symbool te staan voor Israëls verbondsgod JHWH, waar het volk zo’n enorme behoefte aan heeft.

 

Dankzij het eerste komen van de vrouw naar Jezus toe – hopend en gelovend – komt haar genezing binnen bereik (5:27-28). In die zin symboliseert zij bij Jeremia Israëls toenadering tot JHWH. En dat doet ook haar tweede komen – hoewel dan belijdend en bekennend – naar Jezus toe (5:33), waar dit bij Jeremia gaat om Israëls inkeer, omkeer en terugkeer tot JHWH. Het vergt echt niet veel verbeelding om daar naadloos Naämans eerste komen – hopend en daarna gehoorzamend – en zijn tweede komen – nederig en hopend op vergeving – tot bij Elisa te laten aansluiten.

 

De aanraking van Jezus’ kleed

Wat de aanraking van Jezus’ kleed precies voorstelt, is in het Marcusverhaal niet duidelijk. Wat moeten de lezers zich daarbij voorstellen? Synagogale lezers konden daar gewoon een tekening bij maken, want dat was voor hen kristalhelder, terwijl anderen daarover in het ongewisse kunnen verkeren. Mogelijk hebben Matteüs en Lucas – die dit voorval van de ongeneeslijke vrouw ook vertellen (Matteüs 9:20-22; Lukas 8:43-48) – dit gemis bij Marcus         willen compenseren met de toevoeging ‘zij raakte de kwast van zijn kleed aan’ (9:20; 8:44). In joodse termen kan dat alleen maar wijzen op de gedenkkwast (of tsitsit), die in de thora wordt voorgeschreven: ‘Gij zult u gedraaide snoeren maken aan de vier hoeken van het kleed, waarmee gij u bedekt’ (Deuteronomium 22:12 NBG). Die kwasten hebben een didactische functie. Zij dienen om de leden van het volk eraan te herinneren, dat ze alle geboden van JHWH horen na te leven:

 

Synagogale lezers in Marcus’ tijd kunnen uit de aanwezigheid van kwasten aan Jezus’ kleed afleiden, dat hij een thoragetrouwe jood is. Hij toont hiermee immers aan, dat hij net zoals de mannen, die kwasten aan hun kleed hebben bevestigd, de intentie heeft JHWH’s geboden te houden. Verder drukt deze zieke vrouw met dit soort aanraken van Jezus’ kleed uit hoeveel belang zij opnieuw wil hechten aan JHWH’s geboden. Haar genezer (Jezus) prijst dan ook – naast haar geloofsvertrouwen door zich tot hem te wenden – haar geloofsgehoorzaamheid en garandeert haar een blijvende genezing. Al vertellend leert Marcus dus aan zijn lezers, dat als zijn volk (waaronder zijn lezers) terugkeert tot JHWH, op het door Jezus toegewenste sjālōm of geluk mag rekenen.


 

Bevrijden of behouden?

Het werkwoord ‘genezen’ roept in Jeremia’s boekrol een breed beeld op waarin JHWH zaken, die verkeerd waren, rechtzet. God blijkt dus niet onverschillig voor de ellende, die het volk van Israël vanwege hun zonden ervaart. Hij bevrijdt hen integendeel van de kwade gevolgen ervan. De evangeliën gebruiken voor ‘bevrijden’ een ander werkwoord. Zij hebben het over ‘behouden’. Christenen vernauwen dat bevrijden eigenlijk tot een geestelijke werkelijkheid en denken daarbij bovenal aan de vreugde van het eeuwige leven in de hemel. De Hebreeuwse Bijbel in het algemeen en de boekrollen van de profeten in het bijzonder passen dit ‘bevrijden of redden’ echter helemaal niet toe op die geestelijke dimensie. Voor hen verwijst dit redden uitsluitend naar Gods bevrijding (Hebr. hōsjhēa) van crisissen, vijanden en andere gevaren. Jeremia ziet en onderstreept de nood van het volk aan bevrijding en gebruikt bij de beschrijving ervan metaforen zoals genezing van een ziekte, wonde of breuk. Jezus, die  volop in die profetische traditie staat, heeft interessant genoeg de veelzeggende Hebreeuwse naam Jehōsjhua, die ‘JHWH bevrijdt’ betekent.

 

Eindconclusie

De in deze bijdrage uitgevoerde leesoefening leert dat het verhaal in Marcus 5:25-34 veel meer zegt dan de louter letterlijke tekst. Daarom was een extra nauwgezette lezing – of close reading – nodig om zijn verschillende betekenislagen correct te kunnen duiden. Tijdens een eerste leesronde richtte de aandacht zich op het wie, wat, wanneer en waar in het verhaal. Een tweede leesronde gaf toegang tot antwoorden op het hoe, waarom en waartoe. Dat is echt niet voldoende, omdat men zich moeilijk kan voorstellen dat Marcus zijn lezers alleen maar wilde vertellen over een bijgelovige vrouw, die volledig werd genezen door het louter aanraken van een bijzondere wonderdoener met een geheimzinnige lichamelijke energie.

 

Een derde leesronde besteedde daarom aandacht aan de gedegen bijbelkennis van de synagogale lezers van het Marcusverhaal. Lezers van vandaag krijgen geen toegang tot de diepere betekenis van dit verhaal tenzij zij beschikken over de voorkennis van eerstgenoemden. Bij allerlei aspecten en elementen ervoeren zij immers meerdere déjà-vu ervaringen. Die déjà-lus voerden hen naar overeenkomstige gegevens in eerdere teksten.

 

In eerste instantie voerde het genezingsverhaal over de vrouw en Jezus naar het parallel- of spiegelverhaal over Naämans genezing door Elisa (2 Koningen 5:1-19a). Met gemak konden zij – vanwege opvallende overeenkomsten – beide verhalen met elkaar verbinden. Het resultaat? Marcus blijkt zijn Jezus impliciet met Godsman en profeet Elisa te vereenzelvigen. Bovendien konden zij eruit afleiden, dat Marcus er eigenlijk op uit was om hen te overtuigen, dat de Jezus – waar hij zo enorm veel bewondering voor had – diezelfde Elisa overtrof.

 

In tweede instantie valt het op dat Marcus in zijn korte verhaal verhoudingsgewijs flink uitweidt over het ziektebeeld van de vrouw. De gegevens daaromtrent riepen in het geheugen van deze synagogale lezers kenmerken op, die zij eerder in boekrol van Jeremia aantroffen. De profeet beeldt daarin het volk Israël uit als JHWH’s vrouw en als zijn dochter, die door ziekten en wonden veel te lijden hadden. Via deze beeldspraak maakte Jeremia zijn lezers duidelijk, dat het volk alleen door een terugkeer tot hun verbondspartner JHWH kon worden bevrijd van de vijanden en van de door henzelf veroorzaakte concrete ellende.

 

De synagogale lezers van het Marcusverhaal begrepen bijgevolg dat de chronische zieke vrouw, die haar genezing aan Jezus dankte, als metafoor fungeert voor het eigen volk, net zoals de gewonde en zieke vrouw dat bij Jeremia was. Op die manier werden ze door Marcus naar de door hem onontkoombare interpretatie gevoerd: samen met hun volk worden zij door de chronisch zieke vrouw uitgebeeld en staan zij er bijgevolg erg slecht voor. Ze zijn doodziek, maar als zij zich vol vertrouwen overgeven aan zijn Jezus – die onder hen als Godsman optreedt en tevens JHWH’s aanwezigheid concreet maakt – dan ziet hun toekomst er met een gegarandeerde sjālōm absoluut rooskleurig uit.

 

Ter afronding

Aan de lezers van onderhavige bijdrage om te beoordelen of de gepresenteerde leesstappen en interpretaties houtsnijden. En of zij de mening delen dat de Hebreeuwse Bijbel niet de dienstmaagd van de evangeliën – en bij uitbreiding van het Nieuwe Testament – blijkt te zijn, maar juist het onmisbare leesreservoir om hun verhalen echt goed en correct te begrijpen. Zonder de voorkennis van de Hebreeuwse Bijbel lukt dat echt niet.

 

 

error: Alert: Content is protected !!