2.3.4 Een genezingsverhaal 2

Marcus 5:25-34

Zich verdiepen in de verschillende gelaagdheden van het op het eerste gezicht glasheldere verhaal over de genezing van een zieke vrouw door Jezus.

 

Inleiding

Tijdens de eerste leesronde maakten de lezers kennis met het wie, wat, wanneer en waar in dit Marcusverhaal (5:34-43). De tweede leesronde hielp hen oog te krijgen voor de stijl, de opbouw en het handelingsverloop. Er kwamen zodoende antwoorden op het hoe, waarom en waartoe. Qua betekenis van het verhaal leverde dit een flinke meerwaarde op (2. Leesvaardigheden 2.3. Verdiepen 1. Een genezingsverhaal 1). De twee leesrondes verschaften aan de lezers echter nog geen toegang tot de maximale betekenis van het verhaal. Er valt immers nog véél meer af te leiden en daarvoor is een derde leesronde nodig.

Even vooraf

Het Marcusverhaal maakt deel uit van het Griekse (Nieuwe) Testament en wordt (binnen de Bijbel) voorafgegaan door de Hebreeuwse Bijbel (of Oude Testament ook wel Tenach genoemd). Zijn auteur Marcus behoorde tot de joodse samenleving van zijn tijd en in het bijzonder van de synagogale joodse gemeenschap. Bijgevolg werd hij elke sabbat bij zijn synagogebezoek – net zoals zijn volksgenoten – vergast op lezingen uit de boekrollen van de Thora en van de Profeten. Die gebeurden volgens een vast leesrooster. Dankzij deze jaarlijks terugkerende lezingen verwierven de regelmatig aanwezige mannen en vrouwen – die de verhalen als kind al hadden leren lezen – een grote bijbelkennis. De meeste van die lezingen bevatten verhalen over het verleden van het Joodse volk en over hun grote figuren. De synagogebezoekers kenden die goed, omdat ze bij de wordingsgeschiedenis en de identiteit van hun volk hoorden. Gebeurtenissen en spelers in de voorgelezen verhalen gaven, na de synagogedienst en ook in de dagen erna, aanleiding tot gesprekken met elkaar. Recente gebeurtenissen in het eigen land konden zij tegen het licht houden van de voorgelezen verhalen. In de Thora en de Profeten werden immers de grote daden van God verteld, waaruit de synagogebezoekers steun en hoop konden putten in een door de Romeinse heidenen beheerste samenleving.

Marcus sloot met zijn geschrift helemaal aan bij genoemde voorlees- en vertelcultuur van bijbelse verhalen, want ook hij vertelt uitsluitend verhalen. De aandachtige lezer of hoorder van zijn evangelieverhalen zag met gemak concrete overeenkomsten met de verhalen van de Hebreeuwse Bijbel. Dat gebeurde vooral als het om gelijksoortige verhalen ging met analoge figuren, gebeurtenissen, handelingen en plaatsen. De gedegen voorkennis van Marcus’ lezers hielpen hen om de betekenis, draagwijdte en bedoeling van zijn genezingsverhaal over deze chronisch zieke vrouw te vatten.

Hoofdrolspeler

Wie het Marcusevangelie leest, merkt al gauw dat de schrijver de hoofdrol in zijn verhalen aan Jezus van Nazaret toebedeelt. Zijn Jezus blijkt voor hem niet zomaar een wijze Galileeër, want hij toont een haast onbegrensde bewondering voor hem. Hij steekt die bewondering voor zijn lezers dan ook niet onder stoelen of banken. Integendeel. Hij probeert hen met zijn verhalen immers aan te sporen een leerling van Jezus te worden.

Marcus doet dat niet met een uiteenzetting of een bewijsvoering. Hij geeft geen commentaar op wat Jezus van Nazaret vertelde en deed. Hij kiest ervoor om – net zoals zijn collega’s Matteüs en Lucas – gewoon verhalen over hem te vertellen. Hij schetst, schildert en presenteert zijn hoofdrolspeler tegen de achtergrond van de verhalen en de hoofdspelers van de Hebreeuwse Bijbel. Voor de synagogebezoekers onder zijn lezers gewoon kinderspel om overeenkomsten en verschillen op te merken. Enerzijds verbinden zij Jezus’ reputatie, vaardigheden en belangrijkheid met gemak met die van Israëls grote figuren. Anderzijds wordt het hen snel duidelijk in welke opzichten Marcus’ held boven die groten uitstijgt. De parallellen die Marcus in zijn verhalen creëert, maken duidelijk dat hij niet zomaar uit de losse pols schrijft, maar integendeel dat hij dat heel bewust, methodisch gedoseerd en strategisch doet. Hij wil immers – en daar mag men gerust van uitgaan – meteen door zijn lezers begrepen worden.

Derde leesronde: terugkoppelend lezen

De eerste en tweede leesronde vestigden de aandacht van lezers op de wel zeer merkwaardige manier waarop de chronisch zieke vrouw in het verhaal wordt genezen. Niet minder merkwaardig is de rol van Jezus bij dit gebeuren. Gaat het bij die vrouw om een vorm van bijgeloof en treedt Jezus op als een soort magische genezer, wonderdoener of goeroe? Zijn dit werkelijk de zaken die Marcus aan zijn lezers wil meegeven?

Toenmalige synagogale lezers

Bovenstaande opmerkingen over het sterk vertrouwd zijn van de synagogale lezers met de verhalen over hun volk, maken dat zij met hun voorkennis dit Marcusverhaal helemaal anders inschatten. Tijdens het lezen ervan stoten zij op overeenkomsten met die eerdere bijbelverhalen die

een déjà-vu – of een déjà-lu (al gelezen) – gevoel geven. Dit gebeurt beslist als het om eenzelfde soort verhaal gaat, zoals bijvoorbeeld hier (in Marcus 5), een genezingsverhaal waarin ook gelijkaardige spelers (zieke en opmerkelijke genezer) voorkomen. Het wordt nog opvallender als er sprake is van eenzelfde soort handeling (aanraken) of een gelijkaardig motief (schuldbekentenis). Ook sommige specifieke woorden of woordgroepen kunnen naar die eerdere verhalen terugvoeren als ze voor een duidelijke herkenning zorgen (‘ga in vrede’). Al deze voorbeelden tonen aan dat het bij die sporen of aspecten, die de synagogale lezers opmerken en hen terugvoeren naar eerdere verhalen, telkens gaat om een of andere herkenning. Hun geheugen of herinnering fungeert dus als de motor om die herhalingen vast te stellen.

Huidige lezers

Voor de bijbellezers van vandaag is dat een stuk moeilijker. Afgezien van enkele bijbelspecialisten bezitten zij immers niet de vereiste bijbelse voorkennis. Om de woorden die Marcus hier (5:25-34) schrijft correct te duiden, is een bijbelconcordantie nodig. Die helpt immers dezelfde (of verwante) woorden in de verhalen van diens Hebreeuwse Bijbel te vinden. Treffen de lezers desbetreffende woorden in een of ander verhaal aan, dan wordt de betekenis makkelijk helder als zij het verband waarin zij staan, laten meetellen. De lezers kunnen dan ook vaststellen of het wel of niet om gelijksoortige woorden met overeenkomstige kenmerken gaat.

Genezingsverhaal in de Hebreeuwse Bijbel

Lezers van Marcus’ genezingsverhaal, die of een grondige Bijbelkennis hebben, of de zonet genoemde stappen met een kleine dosis volharding uitvoeren, zullen zonder enig probleem uitmonden bij het verhaal in 2 Koningen 5:1-19a waarin de genezing van een Syrisch generaal wordt verteld.

Het verhaal over de Syriër Naäman is in meerdere opzichten opmerkelijk. Deze opperbevelhebber van de Syrische strijdkrachten was een succesvol militair die door toedoen van de Israëlitische profeet Elisa wordt genezen. Dit is heel verrassend, omdat de relatie tussen Israël en de buurvolken meestal niet over rozen ging en tussen Israël en Aram (of Syrië) al helemaal niet. Perioden van vrede tussen beide naties bestonden er nauwelijks.

 

De tekst: 2 Koningen 5:1-19a (NBG)

 

1a   Naäman, de legeroverste van de koning van Aram, was een groot man bij zijn heer en stond in hoge gunst,

b     want door hem had JHWH een overwinning aan Aram geschonken.

c      Maar deze man, een krijgsheld, was melaats.

2a   De Arameeërs nu waren eens in benden uitgetrokken

b     en hadden een jong meisje uit het land van Israël gevangen meegevoerd;

c      zij was in dienst van Naämans vrouw.

3a   En zij zei tot haar meesteres:

b          Och, was mijn heer maar bij de profeet in Samaria,

c          dan zou deze hem wel van zijn melaatsheid verlossen.

4a   Toen kwam hij en deelde het aan zijn heer mee:

b          Zo en zo heeft het meisje uit het land van Israël gesproken.

5a   De koning van Aram zei:

b          Welaan, ga heen,

c          ik wil een brief aan de koning van Israël zenden.

d     Zo ging hij heen

e     en nam met zich mee tien talenten zilver, zesduizend sikkels goud en tien bovenklederen.

6a   Hij bracht aan de koning van Israël de brief, waarin geschreven stond:

b          Nu dan, zodra deze brief u bereikt,

c          zie, ik zend mijn dienaar Naäman tot u,

d          opdat gij hem verlost van zijn melaatsheid.

7a   Zodra de koning van Israël de brief gelezen had, scheurde hij zijn klederen

b     en zei:

c          Ben ik God, om te kunnen doden en levend maken,

d          dat deze man een boodschap tot mij zendt om een man van zijn melaatsheid te verlossen?

e          Weet toch en ziet:

f           hij zoekt een voorwendsel tegen mij.

8a   Zodra Elisa, de man Gods, gehoord had,

b     dat de koning van Israël zijn klederen gescheurd had,

c      zond hij tot de koning de boodschap:

d          Waarom hebt gij uw klederen gescheurd?

e          Laat hij toch tot mij komen,

f           opdat hij weet, dat er een profeet in Israël is.

9a   En Naäman kwam met zijn paarden en met zijn wagens

b     en hield stil bij de ingang van het huis van Elisa.

10a Elisa zond een bode tot hem te zeggen:

b          Ga heen en baad u zevenmaal in de Jordaan,

c          dan zal uw lichaam weer gezond worden en gij zult rein zijn.

11a  Toen werd Naäman toornig en ging heen,

b     terwijl hij zei:

c          Zie, ik dacht bij mijzelf: hij zal zeker naar buiten komen

d          en daar gaan staan en de naam van JHWH, zijn God, aanroepen

e          en zijn hand over de plek heen en weer bewegen en zo de melaatsheid wegnemen.

12a      Zijn de Abana en de Parpar, de rivieren van Damascus,

b          niet beter dan alle wateren van Israël?

c          Zou ik mij daarin niet kunnen baden en rein worden?

d     Daarop wendde hij zich om en ging heen in grimmigheid.

13a Toen traden echter zijn dienaren nader, spraken hem aan en zeiden:

b          Mijn vader, had de profeet u iets moeilijks opgedragen, zoudt gij dat dan niet doen?

c          Hoeveel te meer, nu hij tot u gezegd heeft:

d                     Baad u en gij zult rein worden?

14a Dus daalde hij af en dompelde zich zevenmaal onder in de Jordaan,

b     naar het woord van de man Gods;

c      en zijn lichaam werd weer gezond als het lichaam van een kleine jongen, en hij was rein.

15a Daarop keerde hij terug tot de man Gods, hijzelf met zijn gehele gevolg;

b     en, bij hem gekomen, ging hij voor hem staan

c      en zei:

d          Zie, nu weet ik, dat er op de gehele aarde geen God is

e          behalve in Israël.

f           Neem dan een geschenk aan van uw dienaar.

16a Maar hij zei:

b          Zo waar JHWH leeft, in wiens dienst ik sta, ik neem niets aan.

c      En, hoewel hij bij hem aandrong, dat hij iets zou aannemen, bleef hij weigeren.

17a Toen zei Naäman:

b          Indien dan niet,

c          laat aan uw dienaar een last aarde geven zoveel als een span muildieren kan dragen.

d          Want uw dienaar zal geen brandoffer of slachtoffer meer brengen aan andere goden

e          behalve dan aan JHWH.

18a      Maar moge JHWH dit aan uw dienaar vergeven:

b          wanneer mijn heer in de tempel van Rimmon komt om zich aldaar neer te buigen,

terwijl hij op mijn arm leunt,

c          zodat ik mij in de tempel van Rimmon moet neerbuigen

d          – als ik mij dan neerbuig in de tempel van Rimmon,

e          moge JHWH deze zaak aan uw dienaar vergeven.

19a En hij zei tot hem:

b          Ga in vrede.

 

Naäman en Elisa zijn in dit verhaal de uitgesproken hoofdspelers, waarbij de koning van Aram en diens collega in Israël, een Israëlitisch meisje en de dienaren van de generaal bijrollen vervullen. Desondanks oefenen deze een belangrijke invloed uit op het verloop van de gebeurtenissen: het empathische Israëlitische jonge meisje vertelt over de profeet, die kan genezen (3); de Syrische koning geeft zijn generaal toestemming om naar Israël te reizen met een brief voor Israëls koning (5); deze is zó van de kaart dat de profeet Elisa ervan hoort en hem sommeert de generaal naar hem toe te sturen (8). Verder zijn er de dienaren, die de generaal overhalen om de instructies van de profeet toch maar op te volgen (13). En uiteraard is er sprake van JHWH, die echter zelf nergens expliciet in het verhaal handelt of spreekt. De meesteres, die haar man (hoogstwaarschijnlijk) inlicht, het gevolg van Naäman en Elisa’s boodschapper krijgen slechts een figurantenrol.

 

Het verhaalverloop met belangrijke aspecten

Het verhaal begint met Naäman als superieure maar ongeneeslijke zieke generaal van Aram (1-3). Zijn koning geeft hem een brief mee voor de koning van Israël, opdat die hem zou genezen. Zelf neemt Naäman een fortuin aan geschenken mee (4-7). Elisa stelt zijn eigen radeloze koning voor om Naäman naar hem toe te sturen. Zo kan deze te weten komen dat er een profeet is in Israël. Hij komt inderdaad met zijn paarden en wagens naar Elisa toe en staat voor diens huis (8-9). Via Elisa’s dienaar krijgt hij de opdracht om zich 35 km verder 7x in de Jordaan te baden met vooruitzicht op genezing (10).

 

De woedende en verontwaardigde generaal wil huiswaarts keren, omdat hij een andere manier van genezen had verwacht: de profeet zou zijn God JHWH aanroepen en de zieke plek aanraken. Tevens vindt hij de rivieren in zijn eigen land beter dan eender welke rivier in Israël (11-12). Op aandringen van zijn dienaren baadt hij zich toch 7x in de Jordaan en ervaart een directe genezing (13-14). Met heel zijn gevolg keert hij terug naar de man van God en gaat voor hem staan. Hij getuigt in het besef (‘ik weet’) over het feit dat er geen God in de wereld is dan in Israël (15a-e). Als JHWH’s dienaar weigert Elisa kordaat een geschenk, maar staat hij hem (impliciet) toe om wat aarde van Israëls bodem mee naar zijn eigen land te nemen (15f-17). Naäman, die als een nederige dienaar om vergeving vraagt, wordt door Elisa met een ‘ga voor vrede’ naar huis gestuurd (18-19).

                       

Ongeneeslijke ziekte

Naäman lijdt aan huidvraat (NBV) dat een correctere vertaling is dan melaatsheid (NBG)). Het is een zichtbare (helwitte kleur – 5:27) ,maar geen besmettelijke ziekte, die hem wel erg ongerust maakt. Het feit dat zij ongeneeslijk is, speelt in het verhaal een prominente rol.

 

Van horen zeggen

Indirect hoort hij van het Israëlitische dienstmeisje over de profeet in Israël die kan genezen.

 

Alles om genezen te worden

Naäman reist om en bij de 170 km met een geschenk van tien talenten zilver (ong. 490 kg!), 6.000 sjekels goud (ong. 48 kg!) en tien kostbare kleren of eregewaden (5). Hij wil dus hoe dan ook dat de profeet hem van zijn huidvraat zal genezen – of verlossen (3x – 3,7,7 NBG) of afhelpen (Leidse Vertaling) – terwijl het Hebreeuwse werkwoord letterlijk wegdoen of verwijderen betekent.

 

Israëls koning kan niet genezen maar de profeet …

De profeet Elisa – hier voor het eerst ‘man Gods’ genoemd – meldt de koning dat Naäman naar hem toe mag komen ‘opdat hij wete (NBG), zal gewaarworden (LEI) of zal merken (NBV) dat er een profeet in Israël is’ (8). Elisa – wiens naam ‘God redt (of verlost)’ betekent – ziet zichzelf dus als een profeet en dat doen ook het jonge meisje (3) en (wat later) Naämans dienaren (13). Elisa wordt in dit verhaal maar liefst 3x profeet (2,8,13) en 3x man Gods (8,14,15) genoemd. Een driedubbele nadruk. Lezers hoeven dus niet aan zijn rol en functie te twijfelen.

 

Geen welkom, wel  duidelijke opdracht

De generaal krijgt met een héél nadrukkelijk ‘gá!’ en ‘je moet je 7x in de Jordaan baden’ directe instructies met vooruitzicht op genezing. Hij voelt zich geaffronteerd en wordt verontwaardigd. Hij verwachtte dat de profeet God bij zijn naam zou aanroepen en dat hij zijn genezende hand op de zieke plek zou bewegen. Zijn dienaren overtuigen hem om het toch maar gewoon uit te proberen (13).

 

Onmiddellijke genezing na gehoorzame uitvoering

Na zeven (d.i. een getal dat volledigheid uitdrukt) onderdompelingen geneest hij meteen én héél grondig. Dit laatste blijkt uit de snel op elkaar volgende werkwoorden: baden of wassen (3x – 10,12,13), zich onderdompelen (1x – 14) en schoon of rein zijn (4x – 10,12,13,14) en weer gezond zijn (2x – 10,14).

 

Hij weet het nu

De generaal keert niet terug naar Aram maar naar de Godsman (15) en gaat nu als een dienaar voor hem staan. Hij zegt: ‘Zie nu weet ik (d.i. want ik heb het aan den lijve ondervonden) dat er op de gehele aarde geen God is behalve dan in Israël’ (15). Bij die belijdenis noemt hij heel specifiek God en niet de profeet, hoewel hij juist op diens woorden en handelingen had gerekend. Dáár in de Jordaan heeft hij Israëls God heel concreet ervaren.

 

Terug in Aram  en dan …?

Naäman wil Elisa’s toestemming om wat grond mee te nemen om Israëls God in Aram te kunnen aanbidden (17). Hij blijkt daarmee ‘de eerste van Israëls vijanden die JHWH als de enige God erkent’. Naäman leert ook dat die Godsman zich niet voor JHWH’s weldaden laat betalen!

 

Vraag om vergeving

Hij hoopt dat JHWH hem zal vergeven wanneer hij samen met zijn eigen koning moet neerknielen in de tempel van (de storm- en dondergod) Rimmon (18). De generaal die de echte macht achter de koning vertegenwoordigt, beseft dat JHWH de echte macht achter de Godsman Elisa is én dat het niet consequent is om twee verschillende goden (Rimmon en JHWH) te aanbidden.

 

Ga voor vrede

Elisa heeft begrip voor deze tot geloof in JHWH gekomen niet-Israëliet. Hij eist van hem dan ook niet dat hij een volwaardig Israëlitisch gelovige wordt en daarom legt hij hem ook geen thoragedrag op. Op diens 47 woorden tellende verzoek antwoordt de profeet slechts met een kort en letterlijk: ‘Ga voor sjālōm!’ (19). Dit klinkt heel wat gemoedelijker dan zijn eerdere sterk gebiedende ‘Ga en baad je …’ (10). Om wat voor soort vrede gaat het dan? Wil Elisa met deze diepzinnige uitspraak de generaal aanzetten om geen oorlog meer tegen Israël te voeren en dus ook geen gevangenen (zoals dat dienstmeisje) meer te maken (1-2)? Of om zich over zijn gezondheid verder geen zorgen meer te maken, omdat hij definitief genezen is (3)? Of nog om gewetensrust te hebben omtrent het voor hem verplichte neerbuigen voor zijn nationale god (15)?

 

Verhaalopbouw

Een blik op de verhaalopbouw helpt lezers de verschillende opties op hun merites te beoordelen. Dit genezingsverhaal komt immers met paragrafen (nl. A-A’; B-B’; C-C’ en D-D’) met identieke thema’s en sterk opvallende woordelijke of analoge overeenkomsten:

In het eerste gedeelte (A-C) van het verhaal komt de superieure, maar tevens ongeruste, generaal naar de profeet met een heel concreet idee over hoe deze hem zou moeten genezen. Het tweede gedeelte (C’- A’) vertelt over een nederig geworden Naäman die voortaan echt alles goed wil doen. Het centrale deel van het verhaal (D-X-D’) laat – dankzij het opvolgen van de instructies van de profeet – de duidelijke omslag zien van weerstand tot overgave. Begin en slot versterken een driedubbele omslag: van ziekte tot genezing; van hoogmoed tot nederigheid en van oorlog voeren tot voor vrede gaan.

 

Duiding van het verhaal

Hoe moeten lezers dit verhaal nu – na deze grondige kennismaking – duiden of verklaren? Als een wonderverhaal over een ongeneeslijke zieke, die dankzij een zevenvoudige onderdompeling in het water wordt genezen? Als een vertelling waarin een huidaandoening als symbool fungeert voor eerzucht en een ontbrekende relatie met God en hoe vernedering op vernedering leidt tot nederigheid en afhankelijkheid van diezelfde God? Of draait het verhaal om een straf, omdat Naäman een jong meisje uit het land Israël had gevangengenomen en daarom tot vrede wordt aangespoord (2)? Of gaat het om de stelling dat Israël in de persoon van Elisa een profeet is – terwijl zijn rol als genezer in dit verhaal heel beperkt blijft – en die zich als Godsman voor zijn dienstwerk absoluut niet wil laten betalen? Of wil de verteller zijn lezers meteen vanaf het begin overtuigen van JHWH’s soevereiniteit over de hele wereld? Of is het een verhaal over een vreemdeling, die belijdt dat er maar één echte God bestaat, waarmee de verteller wil aantonen, dat JHWH geen nationalistische maar een universalistische God is?

 

L‘embarras du choix

De lezers hebben dus keuzes te over om de betekenis van het verhaal te duiden. Hun voorkeur kan uitgaan naar deze of gene relevante en verdedigbare optie. En toch … eist – naast de verschillende verhaallijnen – het thema van de genezing de hoofdrol op. Het gaat er dus om te achterhalen om wat voor soort genezing het in dit verhaal gaat.

 

Heeft het Jordaanwater Naäman van zijn huidaandoening genezen? Of ligt de oorzaak bij zijn gewijzigde attitude? Ligt de sleutel ervan niet in het verhaal dat erop volgt (5:19b-27), waarin Elisa’s dienaar precies diezelfde huidziekte oploopt? Daarin wordt heel duidelijk dat dit komt vanwege diens uitgesproken hebzucht. Bij deze grote krijgsheld, die in de hoge gunst van zijn koning staat, lijkt zijn hautaine en arrogante houding om te slaan in nederigheid en afhankelijkheid en dat het eigenlijk om zijn sterke eerzucht draait. Dat hij niet alleen gezond maar ook (ritueel) rein wordt, betekent – gezien Elisa’s woorden (10), die de dienaren herhalen (13) en de verteller onderstreept (14) – dat zijn ziekte en genezing beslist niet moeten worden beperkt tot een louter lichamelijk gebeuren.

 

De verhalen over de vrouw en de generaal
De genezingsverhalen over de Syrische generaal (2 Koningen 5:1-19) en over de genezing van de chronisch zieke vrouw (Marcus 5:25-34) hebben een opvallend gemeenschappelijk verhaalverloop:

 

 Zij hebben qua inhoud heel herkenbare overeenkomsten. Beide Godsmannen genezen figuren met wie zij normaal gezien niet zouden omgaan. Elisa niet met een vijand, die bovendien een huidaandoening heeft en Jezus niet met een vrouw, die volgens de thora (Leviticus 13:3; 12:7) vanwege haar bloedverlies onrein is. Dat Elisa en Jezus de ontmoeting met hen toch niet uit de weg gaan, noch hen bestraffend toespreken, is zeer veelzeggend! Verder werken de verteller van Koningen én Marcus het thema van de genezing op een analoge manier uit. Zij plaatsen de wijze waarop beide zieken hopen dat hun genezing zal gebeuren in het hart van hun verhaal:

 

  • ‘Zie, ik dacht bij mijzelf, hij zal zeker … de naam van JHWH, zijn God aanroepen en zijn hand op de plek heen en weer heen bewegen en zo de huidvraat wegnemen’ (2 Koningen 5:11)

 

  • ‘Indien ik slechts zijn klederen kan aanraken, zal ik behouden zijn’ (Marcus 5:28).

 

Men mag gevoeglijk aannemen dat synagogale jo den, die dit Marcusverhaal lazen (of hoorden voorlezen), er heel wat meer in opmerkten, dan wat er letterlijk in staat. Het is niet onwaarschijnlijk dat zij dit bijgevolg als een parallellelverhaal (of spiegelverhaal) van Naämans verhaal herkenden. De talrijke overeenkomsten springen werkelijk in het oog. zodat die lezers ertoe werden aangezet om naar het eerdere verhaal over Naäman terug te koppelen.

  • Beide zijn immers (qua genre) genezingsverhalen over een ongeneeslijke ziekte, die via een genezer tot een genezing leiden (plotverloop);

 

  • Beide ongeneeslijke zieken (personages) doen alles wat er in hun vermogen ligt om in contact te komen met potentiële genezers;

 

  • Zowel de generaal als de vrouw worden volledig genezen: ‘zijn lichaam werd weer gezond als het lichaam van ene kleine jongen, en hij was rein’ (2 Koningen 5:14) en ‘zij merkte aan haar lichaam dat zij van haar kwaal genezen was’ (Marcus 5:29);

 

  • Beide verhalen vertonen een gelijkaardige opbouw en delen identieke motieven: verhoopte aanraking, bereidheid tot betaling en een besef van inferioriteit;

 

  • Een opvallend identiek slot, waarin beide genezers hun herstelde patiënten wegzenden: enerzijds Elisa tot de generaal: ‘ga voor vrede’ ( 2 Koningen 5:19) en anderzijds Jezus tot de vrouw: ‘ga heen in vrede’ (Marcus 5:34). Daar Jezus geen Grieks sprak (maar Aramees of Hebreeuws), moet wat hij in het verhaal zei, helemaal hetzelfde hebben geklonken als Elisa’s uitspraak!

 

Onderstaand overzicht maakt de overeenkomstige vertelaspecten inzichtelijk.

Naast deze twaalf overeenkomsten – die nota bene in dezelfde volgorde voorkomen – is er nog een allesbehalve onbelangrijke gelijkenis. Beide genezers hebben eigennamen met een nagenoeg dezelfde betekenis:

 

  • Elisa is de Nederlandse vertaling van het Hebreeuwse èlīsjā`: God helpt, redt, verlost
  • Jezus is de Nederlandse vertaling van het Griekse VIhsou/j dat vertaald is vanuit het Hebreeuwse Jehōsjhua: JHWH helpt, redt, verlost

 

Wat leren deze met elkaar verwante verhalen?

Alle bovenstaande gegevens maken dat Marcus bij zijn vertelling geheel door 2 Koningen 5:1-19 werd geïnspireerd. De parallellen tussen beide genezingsverhalen zijn zó overtuigend, dat Elisa’s kwaliteiten – 3x als profeet (2,8,13) en 3x als de man van God (8,14,15) – door de synagogale lezers met terugwerkende kracht op Jezus kunnen worden overgebracht. Zij waren vertrouwd met Elisa’s verhalencyclus en zagen dat deze profeet en Godsman met zijn handelen God werkelijk onder het volk aanwezig deed zijn. Mensen, die hem met hun zorgen en problemen benaderden, ervoeren allemaal een oplossing, zodat zij het geluk (sjālōm) terugvonden.

 

 

Ter afronding

 Synagogale lezers zagen – als kenners van hun bijbelverhalen – in het Marcusverhaal dus méér dan wat er letterlijk in staat. Alle geobserveerde gegevens en aspecten in het verhaal over de chronisch zieke vrouw en Jezus associeerden zij bijgevolg moeiteloos met dat over de generaal en Elisa. Door dit Jezusverhaal als een Elisaverhaal te vertellen, blijkt Marcus Jezus dus helemaal niet als een magische wonderdoener of goeroe te portretteren, maar heel krachtig als ‘man van God’. Hij doet dit, omdat ook Jezus mensen van hun problemen bleek te bevrijden. Deze profeet uit Nazaret had net als Elisa voor hen echte sjālōm in petto. Meer nog! Marcus lijkt met zijn verhaal zijn lezers zelfs te overtuigen, dat de Elisa van weleer – dit monument van het Oude Israël – door Jezus overtroffen wordt. De genezing van de vrouw vindt immers plaats zonder dat Jezus er zich voor heeft ingezet.

Voor de huidige lezers rest echter nog altijd de vraag wie deze genezen anonieme vrouw zou kunnen zijn. Het voortzetten van deze derde leesronde biedt daar mogelijk een plausibel antwoord op.

 

Wordt vervolgd

error: Alert: Content is protected !!