2.3.3 Een genezingsverhaal 1

Marcus 5:25-34

 

Zich verdiepen in de verschillende gelaagdheden van het op het eerste gezicht glasheldere verhaal over de genezing van een zieke vrouw door Jezus.

 

Inleiding

Binnen het Marcusverhaal, dat meestal ‘het dochtertje van Jaïrus (5:21-43) wordt genoemd, komt een kort intermezzo voor over de genezing van een chronisch zieke vrouw (5:25-34). Een intrigerend verhaal, waarin een doodzieke vrouw naar Jezus toekomt om zijn kleed aan te raken. Zij gelooft dat als ze dat doet, ze dan zal genezen. En wat blijkt? Het gebeurt werkelijk. En nog wel op hetzelfde moment! Hebben de lezers hier te maken met een verhaal dat hen tot bijgeloof wil aansporen?

Het lijkt een interessante uitdaging om dit korte verhaal niet één keer, maar drie keer te lezen en dit via verschillende leesrondes. Op die manier valt de maximale betekenis van die bijzondere genezing te achterhalen. Het gaat hier niet om de eerste genezing door Jezus. Marcus heeft immers in de voorafgaande hoofdstukken zijn lezers al vergast op meerdere ziekteverhalen. Zij hebben, dankzij de daarin voorkomende vele en verschillende ziekten, Jezus al leren kennen als genezer. Het voorliggende verhaal, samen met dat van de genezing van Jaïrus’ dochter, lijken echter een extra licht te werpen op diens verdere genezende vaardigheden.

De tekst

De NBG’51-vertaling van de Griekse brontaal, die deze bijdrage als basistekst neemt, vertoont duidelijke sporen van een Semitische (d.i. Aramese of Hebreeuwse) vertelstijl. Deze is makkelijk herkenbaar vanwege o.a. de korte enkelvoudige zinnen, die met het voegwoord ‘en’ aan elkaar worden geschakeld. Dat doen ook enkele interessante woordherhalingen, die voor een opvallende samenklank, overeenstemming of concordantie zorgen. Wil men die kenmerken in de vertaling laten uitkomen dan gaat het Nederlands wat stroef klinken. Voor de lezers zijn ze echter nuttig om dichter bij het verhaal te komen, dat mogelijk de ronde deed vóór het door Marcus in het Grieks werd neergeschreven.

 

De tekst hieronder toont de opeenvolging van betreffende enkelvoudige zinnen, waarvan de meeste met ‘en’ (blauw ingekleurd) beginnen. Dankzij deze (colometrische) presentatie wordt de verhaallijn voor de lezers goed herkenbaar. (De lezer die Grieks kan lezen, treft In de Appendix de oorspronkelijke tekst ervan aan in de versie van Westcott en Hort).

 

 

Een eerste leesronde: lineair lezen

Wie een tekst leest, doet dat gewoonlijk van begin tot eind en hier dus van 5:25 tot en met 34. Bij dit woord-na-woord en zin-na-zin (of lineair) lezen, maken de lezers stapsgewijs kennis met wat er gebeurt, hoe het verhaal verloopt én afloopt. Probleemloos krijgen zij antwoorden op de vier klassieke vragen over het wie, wat, waar en wanneer. Dat gebeurt ook in dit Marcusverhaal. Het gaat om twee hoofdspelers (een vrouw en Jezus), een hulpspeler (zijn leerlingen) en een zwijgende menigte. De vrouw, die aan chronische bloedingen lijdt, ervaart een genezing door Jezus gewoon aan te raken. Dit voorval vindt plaats nadat hij met zijn leerlingen op het strand van de zee is aangekomen en daar een ontmoeting heeft met de naar hem toegekomen synagogeleider Jaïrus. Op diens verzoek vergezelt hij hem samen met zijn leerlingen naar diens huis. Hun gezamenlijke wandeling wordt onderbroken door de intrusie van een vrouw (5:21-24 en 35-43).

 

Met elkaar verbonden zinnen

Dit intermezzo over deze zieke vrouw (5:25-34) presenteert een geheel van zaken, die met elkaar samenhangen en elkaar opvolgen. Zij tonen een logische verhaallijn, die de lezers via woorden en woordgroepen kunnen volgen.

 

Enerzijds vallen de zeer korte zinnen op. Zij versnellen niet alleen het (lees)ritme, maar zij laten de gebeurtenissen ook snel op elkaar volgen. Anderzijds stuurt ook het voegwoord ‘en’ aan het begin van de meeste zinnen de lezers vooruit. Dit Griekse woord ‘kai’ (letterlijk vanuit het Hebreeuws vertaald) veroorzaakt een nevenschikking van zinnen (i.e. en toen, en, en toen, en, en, …) dat juist zo karakteristiek is voor de vertelstijl in de Hebreeuwse Bijbel. Die nevengeschikte zinnen fungeren bijna als het woordmerk van het Markusevangelie. Slechts één keer gebruikt de verteller hier een langere (Griekse) zin met zeven deelwoorden (in 5:25-27). Die uitgebreidere zin fungeert om de medische en economische achtergrond van de vrouw te schetsen. Daarnaast verklaart hij ook wat de beweegredenen van de vrouw zijn om Jezus’ kleding aan te raken (27c).

 

Allerlei woordherhalingen

Marcus 5:25-34 brengt een bijzonder beknopt verhaal van zo’n 154 woorden dat stapsgewijs verloopt. Het heeft verhoudingsgewijs veel herhalingen omtrent de handelende vrouw en de sprekende Jezus. De meest opvallende woordherhalingen zijn het tweemaal ‘aanraken’ door de vrouw (27c, 28b) en de twee overeenkomende woordgroepen: ‘wie heeft mijn klederen aangeraakt?’ (30d) en ‘wie heeft mij aangeraakt?’ (31a). De daarmee verbonden vraag ‘wie heeft dat gedaan?’ (32) intensiveert dit aanraken. Dit zó opvallende vermelde aanraken, eerst van Jezus’ kleding (27c,28b, 30c) en dan – volgens de woorden van de leerlingen – van hemzelf (31c), fungeert bijgevolg in het verhaal als het sleutel(werk)woord bij uitstek. Terecht, want alle personages worden op de een of de andere manier met dit aanraken in verbinding gebracht:

  • de vrouw: 2x als ‘vrouw’ (25,33a) en 1x als ‘dochter’ (34b);
  • de schare (27b,30b,31);
  • Jezus (27a,30a)
  • zijn leerlingen (31a).

De vrouw raakt aan, omdat zij meent, dat dit het gehoopte resultaat (28c) zal opleveren. Uiteindelijk wordt zij – zoals Jezus het verwoordt – echt genezen (34b). Het Griekse werkwoord dat bij dit laatste klinkt, wordt in de Bijbeluitgaven verschillend vertaald met hetzij behouden (of redden), hetzij genezen worden:

  1. in 28c:
  • behouden (NBG) / redden (NBV, TOB, VUL)
  • genezen (LEI, SVV, GNB, BGT, DRB, LSG, BFC, RSV, NRS, NIV, LUT, ELB, EIN);
  1. in 34b:
  • behouden (NBG) / redden (NBV, LEI, SVV, LUT. TOB)
  • genezen (GNB, BGT, DRB, LSG, RSV, NRS, NIV, LUT, ELB, EIN).

 

De lezers kunnen zich dus afvragen welke betekenis hier echt speelt: genezen of behouden (d.i. gered) worden?

De aanraking van Jezus door de vrouw veroorzaakt een tweevoudige lichamelijke uitwerking. Enerzijds merkte zij in haar lichaam / realiseerde zij zich dat zij genezen was (29b). En anderzijds stelde Jezus bij zichzelf een verlies aan krachtverlies vast (30a). Hierop start hij een onderzoek (30c): hij vraagt (30bc) en keert zich om, om  te zien wie dit gedaan heeft (32). De kwaal van de vrouw wordt aan het begin van het verhaal duidelijk beschreven als chronisch bloedverlies (25) en aan het eind als ziekte (34). Haar enorme lijdensweg wordt in 5:25-26 fors in de verf gezet. Dat gebeurt (in het Grieks) met een overvloed van taalgegevens: vijf deelwoorden, vier bijvoeglijke naamwoorden – twaalf jaren, veel geleden, veel artsen, veel betaald – en één bijwoord – veel erger geworden. Geen wonder dat zij echt wil genezen (29b) en uiteindelijk verneemt zij dat zij genezen wordt verklaard (34c). Dit alles pleit ervoor dat dit verhaal de lezers niet wil informeren over een soort van een geestelijke redding van de vrouw, maar gewoon over haar concrete genezing.

Deze eerste leesronde heeft de lezers afdoende antwoorden verstrekt op de eerder gestelde vier vragen wie, wat, waar en wanneer. De betekenis van het verhaal is daarmee echter nog niet ten volle achterhaald.  Daarvoor is er een tweede leesronde van het verhaal nodig.

Een tweede leesronde: met aandacht voor de samenhang

Brengen de lezers het op om de tekst een tweede keer te lezen, dan kunnen ze een duidelijker beeld krijgen van het hoe, het waarom en het waartoe van het verhaal. Dit soort lezen zoekt naar het verband of de samenhang tussen de verhaalonderdelen. Als de lezers dit nauwgezet doen, dan zullen zij kunnen vaststellen dat de stijlgegevens, de opbouw van het verhaal en het verloop van de handelingen een belangrijke rol spelen en een flinke meerwaarde opleveren.

Stijlgegevens en hun impact

Het verhaal wordt gekenmerkt door een beknopte en compacte stijl. Deze maakt helder hoe het eerder veelvuldige aanraken mede toewerkt naar een climax. Eerst vermeldt de verteller de handeling van de vrouw, die zijn kleed (enkelvoud) aanraakt (27c) met aansluitend daarop de manier waarop zij dit verwoordt. Zij doet dit vanuit haar eigen perspectief (28bc) over zijn kleren (meervoud). Dan vraagt Jezus (30c) ‘wie heeft mijn kleren (meervoud) aangeraakt?’ Hierop citeren de verbaasde leerlingen hem onvolledig, omdat hij volgens hen gezegd zou hebben: ‘wie heeft mij aangeraakt?’ Waarom doen zij dat? Hebben zij (vanwege de menigte) niet goed gehoord wat hun meester heeft gezegd?

Genoemde vier zinnen werken hoe dan ook samen naar een hoogtepunt toe met aan het eind een heus staccato-effect.

 

Los van de perspectiefwisseling tussen de vrouw en Jezus, draait het geheel uiteindelijk om het contact van de vrouw met Jezus. Het gaat immers om een quasi gelijktijdige lichamelijke ervaring, die met het bijwoord terstond (of onmiddellijk) wordt benadrukt (29aa // 30a). Dit gebeuren wordt tevens vergezeld van de verwante werkwoorden opmerken (door de vrouw – 29b) en vaststellen (door Jezus – 30a).

Los daarvan trekt ook het parallelle duo redden + genezen de aandacht van de lezers:

 

  • zal ik gered zijn (28b) + genezen van haar kwaal (29b);
  • heeft jou gered (34b ) + wees genezen van jouw kwaal (34c).

 

De opvallende inleiding over de ernst en de lange duur van haar ziekte, samen met deze twee parallelle zinnen, maken dat het daarbij aangewende (Griekse) werkwoord in 28b en 34b niet als redden maar als genezen moet worden begrepen. Daar kiezen ook de meeste bijbelvertalingen voor. Jezus blijkt er immers geen spirituele duiding aan te geven, want hij heeft het duidelijk over een lichamelijke genezing. Bijgevolg lijkt haar geloof (hier in 34b) opgevat te moeten worden als haar vertrouwen (in God) dat een fundamentele rol speelt in de Hebreeuwse Bijbel. ‘Vertrouwen’ (of ‘èmūnāh) schetst de existentiële relatie van de gelovige met God.

Tenslotte vallen twee korte meldingen omtrent de communicatie tussen beide hoofdrolspelers op: ‘zij zegt tegen hem’ (33d) en ‘hij zegt tegen haar’ (34a). Jezus krijgt in het verhaal dus het laatste woord, waarmee dit korte intermezzo krachtig wordt afgesloten. De volgende zin meldt de lezers immers dat Jaïrus wordt aangesproken (35) en het verhaal vanaf dat moment over diens dochter gaat. Geen woord meer over de door Jezus genezen vrouw.

 

Sturende verhaalopbouw

Aandachtige lezers merken makkelijk de rondlopende of circulaire organisatie van dit korte verhaal op. Een vrouw komt de scène op met een chronische geldverslindende ziekte, die steeds erger is geworden. Nadat ze is ontmaskerd en heeft opgebiecht, stuurt Jezus haar aan het eind van de scène genezen en wel weg.

Het verhaalverloop tekent zich cirkelvorming af en kan daarom als een ringstructuur worden weergegeven. Deze bestaat uit vijf ringen (a-b-c-d-e-e’-d’-c’-b’-a’) met in de binnenste ring – en dus centraal – de twee hoofdrolspelers, die dicht bij elkaar staan (e-e’). De vrouw met haar ter plekke geneeservaring en parallel daaraan – zoals de stijlkenmerken al aantoonden – Jezus’ onmiddellijk lichamelijk energieverlies.

 

 

De vrouw ervaart door een aanraking op hetzelfde moment iets dat haar leemte (aan gezonde energie) opvult en Jezus malgré lui energie kost. Het doet haast denken aan communicerende vaten. Alles draait om dit contact. Het dubbelle duo van aanraken zet dit sterk beknopt in de verf (c-d x d’-c’). Dit overdadig herhaalde aanraken wordt omringd door het tweevoudige komen van de vrouw naar Jezus toe (b-b’). Het ziektebeeld van de eerste hoofrolspeler (de vrouw) dat de verteller in het begin met 43 woorden uitgebreid introduceert (a), wordt aan het einde in zijn tegendeel omgebogen. Het gaat daar om een volledige genezing, die de tweede hoofdrolspeler (Jezus) heel krachtig en kernachtig met slechts zestien woorden verwoordt.

Handelingsverloop

Het verhaal heeft een korte plot of intrige. Het krachtig en compacte verloop ervan – zoals hieronder blijkt – volgt de lijn van een piramidestructuur. Het gaat van chronisch ziek – via lichamelijk contact – tot definitief genezen.

 

 

Het wederzijdse opmerken van het contact blijkt de climax en het kantelmoment in het verhaal te introduceren. Dit harmonieert met zowel de centrale positie van de vrouw en van Jezus als met alle eerder opgemerkte stijlkenmerken en aangewende woordenschat.

Partiële conclusie

Deze tweede lezing of herlezing van het verhaal verschaft extra diepgang aan de plot. Zij verrijkt de eerdere lineaire lezing (opeenvolgende zinnen en woordherhalingen) met kleur, intensiteit en diepte. Op die manier komt de betekenis van het verhaal bij de lezers nóg sterker binnen. De verteller heeft dus maximale middelen aangewend om deze genezing een gehalte van buitencategorie te geven.

Dit verhaal over de genezing van deze chronisch zieke vrouw (5:25-34) sluit naadloos aan bij de eerdere genezingen in Markus, maar overstijgt deze heel duidelijk. Bij die eerdere genezingen (a) wordt de manier van genezing gespecificeerd, (b) worden de zieken bij de hand genomen of (c) gewoon toegesproken. Hier geneest deze vrouw zonder dat Jezus ervoor wordt gevraagd, er het initiatief voor neemt of er iets voor doet. De genezing gebeurt zelfs ondanks hemzelf.

Naast de vraag om wat voor soort geloof het bij de vrouw gaat , neemt de verbazing over Jezus’ rol en persoon sterk toe. De aandacht van de lezers wordt via de woorden van zijn leerlingen: ‘Wie heeft mij  aangeraakt?’ (31c) heel specifiek op zijn persoon gericht. Wat voor soort wonderdoener is hij van wie de eigennaam hier slechts twee keer klinkt? Wie is hij eigenlijk?

Als de huidige lezers zich tot dit verhaal beperken, dan komen ze via het letterlijke lezen niet veel verder dan in Jezus een uitzonderlijke genezer te zien.


In het licht van het voorafgaande

De herinnering aan de beelden die Marcus en diens personages over Jezus eerder presenteerde en het herlezen van de voorafgaande hoofdstukken tekstopwaarts (1:1-5:33) helpen mogelijk bij het vinden van een passend antwoord. Jezus komt daarin hoe dan ook naar voren als een bijzonder boeiende figuur:

  • als superieur aan de charismatische Johannes de Doper (1:1-8) mede vanwege de verklaring van de hemelse stem bij zijn doop (1:9-13);
  • als een prediker die leerlingen rekruteert (1:14-21);
  • als een leraar en uitdrijver van demonen;
  • als iemand die zijn wil oplegt aan de zee en zonden vergeeft, enz. (1:29-5:20)?

Volstaan deze voorafgaande verhalen binnen Marcus voor de lezers om zich een definitief beeld van Jezus te vormen? Stopt het hier of zouden de lezers hier hun zoektocht moeten voortzetten?

Ter afronding

Welk van de zonet genoemde beelden wil Marcus in dit verhaal (5:25-34) onder aandacht van zijn lezers brengen? Of heeft hij nog een ander beeld voor ogen? Als vertellende jood in de eerste eeuw van onze jaartelling bewoog hij zich uiteraard niet in een vacuüm. Hij beschikte – net zoals zijn synagogale lezers – over een enorm reservoir aan verhalen in de Hebreeuwse Bijbel. Samen beschikten zij zodoende over zeer veel voorkennis. Voor de lezers van vandaag loont het de moeite om te exploreren en erachter te komen of het beeld dat Marcus van Jezus in gedachten had mogelijk door die voorkennis werd beïnvloed en gevoed. Om daar een antwoord op te kunnen geven is er een derde leesronde van dit verhaal nodig over zowel Jezus als over de genezen anonieme vrouw.

Wordt vervolgd

 

 

 

 

 

error: Alert: Content is protected !!