2-Leesvaardigheden2.3-Verdiepen

2.3.2 Een stadsverhaal

Zich verdiepen in verschillende verteltechnieken in de Hebreeuwse Bijbel aan de hand van het verhaal over de ‘Toren van Babel’ in Genesis 11:1-9. Aan bod komen  verhaalopbouw, taal en woorden en het bredere verband waarin het verhaal staat.

 

Inleiding

Bijbelse verhalen zijn soms net schilderijen maar er zijn schilderijen van bijbelse taferelen die – in plaats van deze getrouw en correct weer te geven – ervan afwijken, deze minimaliseren, maximaliseren of zelfs tegenspreken. Kunstenaars zijn soms ondermaatse bijbellezers. Al eens een schilderij gezien waarop de toren van Babel staat afgebeeld? Gewoonlijk raken kijkers geïmponeerd door het geweldige bouwwerk dat meestal eenzaam in de hoogte oprijst.

 

Weerspiegelen dergelijke schilderijen echt wat het bijbelverhaal wil communiceren? Hoe zou het zijn om het verhaal van de ‘Toren van Babel’ eens nauwgezet te lezen en te bestuderen? Waarom het niet stap voor stap onder de loep nemen zoals, een rugpatiënt wordt gediagnosticeerd met behulp van röntgen-, scanner-, contrastvloeistoffoto’s en rekening houden met diens medische geschiedenis? Archeologische en historische data die licht werpen op het begrijpen van het verhaal en vragen omtrent de ontstaansgeschiedenis ervan komen in deze bijdrage niet aan bod. Zij vergen een andersoortige bestudering.

 

De tekst

Hieronder volgt het verhaal van Genesis 11:1-9 in de vertaling de NBG ’51 in een (colometrische) presentatie van enkelvoudige zinnen die  het verhaalverloop goed zichtbaar maken. Waar de verteller het woord aan de spelers geeft, springt de tekst in. De aanduiding voor God met ‘HERE’ is vervangen door het vanuit het Hebreeuws overgezette vierletterwoord JHWH.

  1. Met röntgenstralen doorlichten

Net als een rugpatiënt een intern onderzoek van zijn wervelkolom en wervels nodig heeft, dient een bijbelverhaal van binnenuit te worden bekeken. Zijn textuur moet worden geanalyseerd, zoals dat bij een stuk textiel gebeurt. In beide gevallen (van patiënt en verhaal) wordt hun innerlijke structuur of opbouw met hun sterke of zwakke punten onthuld. Zo wordt o.a. helder waar het verhaal wordt geschraagd of gedragen en welke ondersteunende of verfraaiende functies er een rol spelen.

Dit Babelverhaal heeft twee scènes. De eerste (11:1-4) vertelt wat de mensheid doet en het tweede (5-9) hoe JHWH daarop reageert. Beide monden uit bij een speerpunt dat een sturende rol speelt. Eerst in het midden van het verhaal waar de mensheid bijeen wil blijven (E) en dan aan het einde ervan waar de mensen door JHWH worden verspreid (E’). De eerste speerpunt vormt de aanleiding voor JHWH’s reactie, de tweede de uitkomst ervan. De actie van de mensheid maakt dus een overeenkomstige reactie van JHWH’s kant los. Paral­lelle contrastkleuren maken deze actie-reactiewerking helder.

 

Actie van de mensheid

Met korte en krachtige penseeltrekken schetst de schrijver-kunstenaar het verloop van de handelingen van heel de aarde of heel mensheid en de doelstelling ervan, die zij onder woorden brengt. Dit gebeurt in vijf stappen: van A naar E (11:1-4). Het begingegeven waarbij alle mensen één taal spreken (A) staat garant voor hun gemeenschappelijke aanpak (B). Hun beslissing daartoe drukken zij heel kordaat uit met een (in de aansporende wijs) dubbel  welaan laten wij. Hiermee leiden zij de aanzet en de motivatie in tot de bouw van een stad en  een toren (C). Hun tweevoudige motivering – is een naam verwerven (D) en niet uiteen willen gaan (E) – komt zeer krachtig over.

 

Reactie van JHWH

Hun handelingen, beslissingen en keuzen lokken van JHWH’s kant een spiegelende reactie uit. Dit gebeurt eveneens in vijf stappen: van A’ naar E’ (5-9). Bovenstaande kleuren zetten dit parallelle vijfdelige verloop helder in de verf. JHWH’s vaststelling dat zij één taal spreken (A’) met hun resolute en energieke inzet om een stad en een toren te bouwen, zet diens handelingsverloop in beweging. JHWH spreekt een identiek dubbel welaan laten wij uit en toont zijn op z’n minst zelfde krachtige vastberadenheid (B’) als de zich op de bouw werpende mensen (C). Door het in de war sturen van hun taal, stelt hij paal en perk aan de bouw van hun stad (C’). De Hebreeuwse naam Babel, die de verteller aan de stad geeft en die verwarring betekent (D’), contrasteert met hun sterke wil om zich een naam (van formaat) te verwerven (D). En juist dat wat zij trachtten te voorkomen om over de aardbol te worden verspreid, gebeurt uiteindelijk toch (E’).

 

Een parallellie van contrasten

Dit verloop in vijf stappen in de tweede scène over JHWH correspondeert dus maximaal met de vijf stappen over de mensheid in de eerste scène: A-B-C-D-E // A’-B’-C’-D’-E’. De mensen verplaatsen zich (horizontaal), settelen zich op een welbepaalde plaats (nl. daar) waar zij bouwplannen maken, die zij beginnen uit te voeren. Hun ferme determinatie om hun verspreiding in de wereld resoluut tegen te gaan springt sterk in ’t oog. Op zijn beurt verplaatst JHWH zich (maar dan verticaal) om hun bouwactiviteiten gade te slaan. Hij taxeert hun gezamenlijke bouwactie van stad met toren als een louter begin van hun mogelijke kunnen. Bij hem wekt dit de suggestie dat dit kunnen geen grenzen zal kennen. Het motiveert hem om de door hen al ingezette uitvoering te blokkeren. Het middel dat hij gebruikt, is het in de war brengen van hun eenheidstaal.  Bijgevolg moeten zij effectief uiteengaan. Deze radicale ombuiging van de initiële situatie resulteert in het tegendeel van hun  beoogde doel. Aandachtige lezers kunnen genoemde tegenstellingen niet niet opmerken.

Het gaat dus om één volk (of de hele mensheid – 11:1, 6) dat één taal spreekt en zich éénsgezind en energiek op één plaats (Shinear) settelt om er een doelgerichte en afgebakende bouwactiviteit te ontplooien. Deze mensen willen koste wat het kost bijéén blijven en zich een naam verwerven. Door hun taal te verwarren en hen over de hele aarde te verstrooien berooft JHWH dit volk echter van zijn eenheidsideaal.

 

  1. Onder de scanner

Terug naar de patiënt. Niet alleen zijn skelet dient zichtbaar worden gemaakt. Ook de tussen­wervelschijven moeten op hun functie en kwaliteit worden onderzocht. Hun vitale functie moet worden geïdentificeerd en er moet worden vastgesteld of zij een flexibele werking toelaten. Over het algemeen heeft een correct afgebakend bijbels verhaal – figuurlijk gesproken – ook schakels, die, hoewel verspreid, toch met elkaar in verbinding staan. Dat is ook het geval in dit korte verhaal. Samen beklemtonen en versterken genoemde herhaalde woorden en woordgroepen zijn inhoud en zijn betekenis. Zij volgen hier conform de Hebreeuwse tekst.

Alle herhaalde woorden bestrijken ruim een derde (!) van het verhaal. De lezer die de moeite neemt om ze in te kleuren, zal snel merken dat het om essentiële bestanddelen gaat. Zij evoceren tegengestelde krachten: het volk bakt en bouwt en JHWH verwart en verspreidt. Die lijst van herhalingen wijst op een terminologie, die draait om taal, demografie en bouwprojecten.

 

Cluster van woorden

Het proportioneel hoog aantal herhaalde woorden stellen de lezer in staat om louter daarmee het hele verhaal niet alleen bondig maar ook heel accuraat samen te vatten:

De hele mensheid met zijn eenheidstaal vestigt zich in Sinear. Daar bouwt zij vastberaden en eensgezind een stad met een supergrote toren om er bijeen te blijven en om zich een naam te maken. JHWH komt naar beneden en ziet hun bouwwerken, waarop hij hun onbeperkte potentie vaststelt. Daarom besluit hij hun taal en woorden in de war te brengen, opdat zij over de hele aarde worden verspreid. Bijgevolg staken zij de bouw van de stad, die de naam Babel krijgt.

 

Taal en woorden

Het woord taal valt op vanwege zijn vijfvoudige aanwezigheid. Bij de eerste vermelding (11:1) wordt één van taal vergezeld door (de in Hebreeuws) parallelle woordgroep één van woorden. De vertalers hebben het er lastig mee, omdat het meervoud ‘woorden’ immers met het telwoord één wordt gekwalificeerd. Hoe moet de lezer dit enkelvoud (één) plus meervoud (woorden) begrijpen? Wil men dicht bij het Hebreeuws blijven dan kan men deze woordgroep het best weergeven met ‘over-een-stemmende woorden’, ‘één set van woorden’ of ‘één woordenschat’. Daar JHWH deze bij elkaar horende woorden (van één woordenschat) verwart (7) valt die ene taal, die heel het volk spreekt weg. Zij wordt vervangen door vele taaluitingen, die niet met elkaar overeenstemmen. Deze maken dat de mensen elkaar niet meer verstaan. De mensen van dat ene volk kunnen bijgevolg niet meer bijeen blijven omdat zij niet meer met overeenstemmende woorden kunnen communiceren. Zij beschikken niet meer over dezelfde woordenschat. Bijgevolg kan het gezamenlijke brouwproject niet worden voortgezet.

Taal is dan ook de rode draad van dit korte verhaal van in het Hebreeuws slechts 121 woorden

  • Het verhaal zet in met ‘de gehele aarde (nl. één volk) dat één taal heeft met overéénstemmende woorden (vers 1).
  • Bijgevolg kunnen zij harmonieus met woorden spelen en elkaar verstaan om hun project te verwezenlijken (vers 3).
  • JHWH stelt inderdaad vast dat het één volk is en dat zij allen één taal hebben (vers 6).
  • Hierop besluit hij hun (d.i. ‘ene’) taal te verwarren (of: te vermengen) met het gevolg dat zij elkaars taal niet meer verstaan (vers 7).
  • De verteller rondt af met ‘JHWH heeft daar de taal van de gehele aarde (d.i. van dit ‘ene’ volk) verward (vers 9).

 

Stad en toren

De mensen willen een stad bouwen mét een toren. In dit verhaal komt het woord stad drie keer voor (11:4,5 en 8), terwijl het woord toren maar twee keer wordt vermeld (4 en 5). Dat de stad de centrale rol speelt, blijkt uit het feit, dat zij het voornaamste middel voor de bouwers vertegenwoordigt om bijeen te blijven en om niet verstrooid te worden over de aarde. De slechts tweevoudige vermelding van de toren lijkt erop te wijzen, dat deze alleen fungeert als een exponent van hun ambitie een naam te willen maken. De verteller lijkt het stadsmotief belangrijker te vinden dan het torenmotief. De Griekse vertaling van het Oude Testament, de Septuaginta (LXX) probeert die ongelijkheid (3x stad tegenover 2x toren) weg te poetsen door bij het staken van de bouw van de stad ‘de toren’ eraan toe te voegen. Dat bij het stoppen van de bouwactiviteiten de stad wel en de toren niet wordt vermeld (8), pleit voor het idee, dat de verteller de toren echt niet even belangrijk acht als de stad. Anders zou hij de focus ook op de toren hebben gericht. Dat de mensen stoppen met het bouwen van de stad doet daarmee het vermoeden rijzen, dat de toren al voltooid was!

Wat is het toch opmerkelijk dat de meeste kunstenaars en illustrators van dit verhaal bij hun creaties de stad slechts een achtergrondfunctie gaven, terwijl ze de toren pontificaal op de voorgrond plaatsten, zoals dat bij enkele beroemde doeken het geval is. Waren die artiesten zó gefascineerd door de tot hun verbeelding sprekende wolkenkrabber van toen?

Hebben zij het verhaal niet goed gelezen of werden zij door interpretaties van vroegere generaties van bijbellezers beïnvloed? Sommigen onder die lezers zagen de toren als een middel om de watermassa’s van boven het hemelgewelf tegen te houden of om hoog en droog (op een vluchtheuvel) te kunnen zitten als er zich een nieuwe zondvloed zou voordoen. Anderen zagen deze toren als een manier voor de Babelbouwers om de hemel te bestormen en dus een confrontatie met JHWH God aan te gaan. Nog anderen vatten het op als een etiologisch verhaal dat het ontstaan verklaarde van de later beroemd geworden toren E-temen-anki binnen de stad Babylon.

Wanneer in de Bijbel een toren wordt vermeld, dan gaat het steeds om een verdedigingstoren, een versterkte toren, een citadel of een vesting. Allerlei elementen in dit verhaal – zoals het oosten, de vlakte, Sinear, bakken van bakstenen, asfalt en Babel – suggereren echter de invloed van de Mesopotamische cultuur. Bijgevolg lijkt daarom het idee van een tempeltoren niet zo onwaarschijnlijk.

Dit pronkstuk van Babylonische architectuur werd door archeologische vondsten aan het licht gebracht. De Babyloniërs claimden dat de oorsprong van deze ziggoerat bij de goden lag en gaven er de Akkadische naam ‘het huis (E) van de stichting (temen) van de lucht (an) en de aarde (ki)’ aan. Terwijl de Akkadische naam voor Babel bab-ilu (i.e. poort van god) betekent, is de Hebreeuwse naam van de stad Babel (bāvèl) in het bijbelverhaal echter afgeleid van het werkwoord verwarren (bālal) met zijn uiteraard ironische of zelfs satirische lading.

 

  1. Contrastvloeistof inspuiten

Röntgenfoto’s en scanneropnamen onthullen niet altijd de oorzaak van een ziekteprobleem. Die kan soms vrij diep liggen. Het inbrengen van een contrastvloeistof kan de minuscule elementen van de ondergrond ervan markeren. Bij een verhaal kan een figuurlijke röntgenfoto de interne structuren blootleggen en een dito scanneropname de woordenschat zichtbaar doen oplichten. Injecteert de lezer overdrachtelijk een vorm van contrastvloeistof in een bijbelverhaal dan ontwaart hij of zij verhaalnuances, die bij een oppervlakkig lezen onopgemerkt blijven. Enerzijds richt de verteller met zijn harmoniërend stijlspel van parallellismen, woordparen, alliteraties en assonanties de aandacht van de lezer op het feit dat de bouwers louter ersatzmaterialen van leem en asfalt gebruiken. Dit komt in het Hebreeuws bijvoorbeeld bij vers 3 heel mooi tot uiting. Het prachtige woord- en klankspel gaat helaas in de Nederlandse vertaling verloren:

Het technische proces van het vervaardigen van de bouwmaterialen is er een van een continu samenvoegen (i.e. klei en water vermengen; drogen en verhitten) van bakstenen en mortel tot één geheel (van een stad met een toren). Net zoals de woorden van de bouwers de bouwstenen zijn waarmee zij hun (ene) taal kunnen spreken, zo sluiten de bakstenen en de mortel bij elkaar aan om de bouwwerken te verwezenlijken. Woorden en daden harmoniëren wondermooi en convergeren efficiënt om het doel van die ene mensheid te realiseren: een stad, een toren en een taal. Door te verwarren en hen te verstrooien, speelt JHWH het samengevoegde – de harmonie tussen hun taal en hun project – uit elkaar!

Daarnaast vangen de oren van de Israëlitische lezers met gemak de ironische toon op van de bijbelverteller. Het brengt hen er hoogstwaarschijnlijk toe om deze in hun ogen inferieure bouwmaterialen – de Babelbouwers beschikken immers niet over steengroeven – te vergelijken met de natuurstenen in hun eigen land. Met zijn pen ridiculiseert hij de Babylonische trots over hun grootse kunnen.

De toren blijkt dan ook maar mensenwerk dat de verteller in de verf zet door JHWH (uit de hemel?) te laten afdalen. Hij komt de stad bezien en de toren die echt groot moet worden – om met zijn top of hoofd tot aan de hemel(en) te kunnen reiken. De humor van de verteller doet dit megabouwwerk overkomen als een werk van lilliputters. Zo markeert hij de impliciete tegenstelling tussen JHWH die neerdaalt en de mensen, die hun toren de hoogte in willen doen gaan. Die tegenstelling wordt nog sterker in het Hebreeuws door de alliteratie bij sjāmajīm – sjāmsjēm. Deze drie woorden worden in vertaling:  hemelen (als de plaats die zij willen bereiken –  daar (als de plaats waar ze bijeen willen blijven) en de naam (die zij er willen verwerven).

 

  1. Vraag naar de voorgeschiedenis

Een medisch specialist baseert zijn diagnose niet alleen op röntgen-, scanner- en contrastbeelden. Hij heeft ook oog voor de antecedenten van de patiënt. Wat is diens medische voorgeschiedenis? Op welke manier leefde hij? Wat gebeurde er met hem of met haar? Dit soort vragen dient de lezer ook met betrekking tot de tekst van het verhaal te stellen en daarom moet hij de context waarin deze staat verkennen. Immers als hij het eerste deel van deze eerste boekrol niet goed kent, dan kan de vraag bij hem opkomen waarom JHWH zó sterk op deze menselijke inzet heeft gereageerd. Zoals in elk ander boek moet ook dit verhaal in het licht van zijn literaire context worden gezien. Die kennis is een must en in dit geval gaat het om de voorgaande hoofdstukken (Genesis 1 tot 10) en van de hoofdstukken die erop volgen (Genesis 12-50).

 

Vol maken en verspreiden

In het scheppingsverhaal krijgt de mens de opdracht de aarde te vervullen of vol te maken (1:28). Als Gods beeld (1:26-27) is zijn grote verantwoordelijkheid helder: zijn schepper overal in de hele wereld vertegenwoordigen en weerspiegelen. De inten­siteit en de universaliteit van het kwaad dat zich in Noachs tijd voordoet, is daar een negatief voorbeeld van (6:5). Die generatie van mensen blijkt zich juist tegenovergesteld aan God te gedragen. Terwijl deze op elke dag van de scheppingsweek (met uitzondering van de tweede dag) doet wat goed is, alles ziet en uiteindelijk als zeer goed bestempelt, bedenken die mensen niet alleen elke dag wat kwaad is, maar zij handelen er ook naar. Als JHWH dit ziet en bovendien vaststelt dat de aarde vol is van geweld (6:11 en 13), dan besluit hij om zijn schepping ongedaan te maken. Ter wille van de rechtvaardige en integere Noach en de zijnen maakt hij een nieuwe start (8:1-22). Hij herhaalt de initiële opdracht aan de mens om de aarde te vervullen of te bevolken (9:1). En zo gebeurt het: de hele aarde wordt bevolkt (9:19).

Blijkbaar verlangt God enerzijds dat alle mensen als zijn beelddragers hem  in alle hoeken en windrichtingen van de aarde vertegenwoordigen en doen van wat goed is. Anderzijds wil hij een situatie van het verkeerde soort, zoals van vóór de zondvloed vermijden (6:5 en 13). Daarom besluit hij alle mensen over de hele aarde te verstrooien. Dit werkwoord met Israël als object komt In de Hebreeuwse Bijbel vaak samen voor met zijn equivalent verspreiden. Israël wordt verspreid of verstrooid ‘onder alle natiën van het ene einde van de aarde tot het andere’ (Deuteronomium 28:64); ‘naar alle windstreken ’ (Jeremia 49:32); naar alle windstreken, zodat er geen volken zijn waar er geen verdrevenen zijn (49:36); (verstrooid en verspreid) over de landen (Ezechiël 22:15) en ‘verstrooid onder de volken, zodat zij over de landen verspreid raken (36:19). Deze voorbeelden tonen aan dat de werkwoorden vervullen of vol maken (zoals in Genesis 1:28 en 9:7) moeten worden opgevat als een gevolg van het verstrooien en verspreiden. Daar de mensheid zelf geen gevolg geeft aan de opdracht om zich verspreiden om de aarde te vervullen, vindt JHWH het nodig om haar daar een handje bij te helpen (11:9).

 

Bouwen en een naam maken

Eén van de belangrijke verhaalelementen draait om de wens van de mensen om zich ‘een naam te maken’ (Genesis 11.4). Wat betekent dat? In deze eerste boekrol van de Hebreeuwse Bijbel is het de eerste keer dat dit zelfstandig naamwoord (naam) met het werkwoord ‘maken’ wordt gecombineerd. Binnen het verhaal blijkt dus alles wat zij denken te maken of te doen (11:6) hand in hand te gaan met het maken van een naam voor henzelf. Verhalen die aan Genesis 11 voorafgaan melden dat namen worden gegeven aan mensen en aan een stad. JHWH wordt bij zijn naam genoemd en dat gebeurt ook bij mensen en zaken. Het is opmerkelijk dat Noach zijn zoon gewoon Naam (d.i. Sjēm of Sem) noemt. In het hoofdstuk dat aan het Babelverhaal voorafgaat (10:1-32) staan – naast niet minder dan zeven keer de eigennaam Sem (of naam) – heel veel namen zonder dat het zelfstandig naamwoord ‘naam’ erbij staat. Wel wordt er verwezen naar mannen van ‘de naam’ of beter ‘van naam’ (6.4) van wie echter – oh ironie – geen enkele eigennaam voorkomt. En dat is ook bij deze bouwers het geval, terwijl zij nota bene voor zichzelf een naam willen maken (11.4). Met ‘Babel’ (d.i. verwarring) krijgen zij een naam die – als anti-naam – niet van enige ironie is gespeend.

 

De Genesislezer moet dus wachten tot de verschijning van Abram. Tegen hem zegt JHWH: ‘Ik zal jou tot een grote natie maken … en ik zal jouw naam groot maken. Bovendien belooft hij hem te zegenen. Het contrast tussen beide verhalen (11:1-9 en 12:1-9) kan de lezer dus wel opmerken. Bijgevolg moet hij of zij dan ook niet anders dan de juiste conclusie trekken: het is niet aan de mens om voor zichzelf een ​​naam te maken, maar aan God om daarvoor te zorgen. Alleen dan kan een dergelijke intentie tot zegen leiden (12:3).

 

Zo leidt JHWH Abram naar het aan hem toegezegde land. Deze neemt dit eigenlijk voor JHWH in bezit door er altaren voor hem te bouwen (12:7-8; 13:4, 18). Juist daar op die plaatsen spreekt hij de naam van JHWH uit. Deze drie woorden – bouwen, daar en naam – fungeren met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid als een knipoog naar datzelfde drietal in het Babelverhaal. De ‘zonen van Adam’ – als omschrijving voor alle mensen – vestigen zich daar in Sinear (11:2). Zij bouwen er een stad en toren om op die manier een naam voor zichzelf te maken. JHWH reageert erop door hen van-daar over de aarde te verspreiden! De tegenstelling tussen de naamgeving van de stad, die de mensen daar bouwen en het Abramverhaal, zorgt ook hier voor een markant contrast.

 

Onbeantwoorde vragen

Alle genoemde observaties en opmerkingen leiden de lezer tot een onderbouwde interpretatie. Dat wil daarom nog niet zeggen dat hij hiermee alle betekenissen van dit kleine literaire meesterwerk heeft achterhaald. Er blijven nog flink wat vragen. De meest belangrijke vraag is echter hoe JHWH’s uitspraak moet worden begrepen: ‘… en dit is (nog maar) het begin van hun handelen en nu zal niets hen nog tegenhouden van al wat zij denken te doen’ (11:6). Hoe moet ‘dit’ worden opgevat? En … waar denkt JHWH dan aan? Gewoon aan de omvang van hun bouwproject of aan nog heel wat meer? Gaat het om de naam die zij voor zichzelf willen maken? Taxeert hij het bouwen en het maken van een naam als een bedreiging voor hemzelf of eerder voor deze mensen en hun latere generaties? Jammer genoeg ontbreken hierover in Genesis 11:1-9 afdoende indicaties zodat de lezer er alleen maar naar kan gissen.

 

Beschrijft de tekst – los van hun buitensporige ambitie – een opzettelijke schending van de goddelijke opdracht? Moet JHWH’s reactie als autoritair worden getaxeerd, omdat hij hen dwingt te doen wat zij juist niet willen (nl. hun verspreiding over de aarde)? Wil JHWH hen doen begrijpen, dat het vertrouwen in hun eigen kunnen – hun hybris – tot mislukken was gedoemd? Is JHWH op de een of andere manier bang dat hun (tempel)toren hen tot afgodendienst zal verleiden? Of riskeren zij dat vanwege hun eenvormigheid, hun eensgezinde bouwproject en hun gemeenschappelijke ideologie er krachten van totalitarisme zullen worden losgemaakt? Zo in de zin van het o.a. door George Orwells bedacht totalitaire universum. Dat voert een nieuwe taal in (i.e. new-speak of nieuwspraak) waarbij de woorden hun betekenis verliezen en er geen ruimte meer is voor persoonlijke gedachten en meningen? Of schuilt er het gevaar in dat de door hen bedachte en geprakkiseerde technologie hen de baas zal worden en op ontmenselijking zal uitdraaien? Wil het verhaal aantonen waartoe de macht van een gemeenschappelijke taal in staat is en waartoe deze kan leiden?

 

Of gaat het hier om cruciale relationele vragen? Handelen de Babelbouwers uit angst voor JHWH en willen zij daarom hun projecten uitvoeren zonder hem erbij te betrekken? Het valt immers op dat JHWH’s naam ontbreekt in de eerste scène (11:1-4), waarin hun handelingen en beweegredenen aan bod komen. Rekening met hem houden doen zij al helemaal niet. Doen zij dat vanuit een soort God-is-dood opvatting? Of hebben zij gewoon aan hem als partner geen behoefte? De tweede scène (11:5-9) over en l’embarras du choix of de moeilijkheid voor de lezers om uit deze overvloed een keuze te maken. Desalniettemin zullen zij het er ongetwijfeld over eens zijn dat dit verhaal over ‘de bouw van de toren van Babel een tijdloze toepassing aanreikt’ en mogelijk ook met wijlen de christelijke Franse dichter Pierre Emmanuel kunnen zeggen dat ‘zolang er mensen bestaan de toren zal blijven bestaan’.

 

  1. De diagnose is klaar

Bovenstaande leesoefening met betrekking tot Genesis 11:1-9 leidt tot de vaststelling dat alle tekstgegevens zich richten op deze uniforme eenheidsstad van een eenstemmige mensheid. De sterke drang om tot een alomvattende sociale cohesie of samenklontering te komen, taxeert JHWH echter voor mensen als ongunstig en zelfs schadelijk. Daarom biedt hij deze generatie van Babelbouwers een andere weg aan, die aansluit bij wat hij in het begin had beoogd: een universeel verspreidde mensheid.

Bij de schepping krijgt de mens de opdracht om zich over de aarde te verspreiden (Genesis 1:28). De potentie van de mens blijkt echter al snel van een goddelijk kaliber, zodat God vaststelt, dat  de mens is geworden als ‘een van ons’ (3:22). Het intense kwaad dat zich in Noachs tijd voordoet, is daar een negatief gevolg van (6:5-8). Het noodzaakt God ertoe om de schepping ongedaan te maken en opnieuw te beginnen. Hij geeft de tweede mens (9:1) opnieuw de opdracht om de aarde te vervullen of te bevolken.

Tegen die achtergrond klinkt de door de Babelbouwers in de praktijk uitgedrukte wil om bijeen te blijven als tegendraads. In tegenstelling tot Gods eerdere ingrepen, waarbij hij een strafmaat toepast (t.a.v. respectievelijk de mens in Eden, Kaïn en Noachs generatie), is het niet terecht om JHWH’s daadkrachtige reactie als dictatoriaal te kwalificeren. Vervloeken of straffen doet hij niet, maar hij zorgt integendeel voor een oplossing. Hij behoedt de mensen voor de door hen gekozen uniformiteit – één volk, één taal, één woordenschat, één plaats, één doel, één bouwplan – en voor de mogelijk daaruit voortkomende funeste gevolgen (zoals bijvoorbeeld een totalitaire samenleving). Daarom is erg veel voor te zeggen om JHWH’s maatregel als opvoedkundig te taxeren. Door de mensen over de aarde te verspreiden en elk hun eigen taal te laten spreken (10:5) werpt hij de mens op zichzelf terug om de scheppingsopdracht ‘de aarde te bewerken en te bewaren’ (2:15) echt waar te maken.

 

Ter afronding

Dit etiologisch verhaal laat aan lezers van alle tijden toe om uit te leggen hoe het van de ene (oer)taal van de mensheid tot meerdere talen is gekomen. De aandachtige lezer merkt ook moeiteloos op dat het einde van 11:1-9 naadloos aansluit bij het voorgaande parallelle hoofdstuk over de verdeling van de volken over de wereld (10:1-32). Dat zet uiteen hoe uit één stamvader (Noach) zijn drie zonen en uit hen geslachten, talen en volken over respectievelijke landen over de aarde worden verdeeld (9:19; 10:5,20,31,32). De titel van deze perikoop Genesis 11:1-9 hoort dan ook niet ‘de toren van Babel’ te heten. De toren doet er immers weinig toe. Die woordgroep komt immers nergens in de Bijbel voor. Het verhaal verdient dus als adequate titel ‘De bevolking van de aarde’ te krijgen want die dekt volop de inhoud van het verhaal.

 

Bibliografie

Arnold, B.T., Genesis. The New Cambridge Bible Commentary,  Cambridge 2009.

Baker, D. W., ‘ Further Examples of the Waw Explicativum’ , Vetus Testamentum Vol. 30, Fasc. 2 (Apr., 1980), 129-136

Bandstra, B., Genesis 1-11. A Handbook on the Hebrew Text, Texas 2008.

Cassuto, U., A Commentary on the Book of Genesis, Part II, From Noah to Abraham, Jerusalem 1974.

Doukhan, J., Genesis, Pacific Press Association, Washington D.C 2016.

Farmer, K.A., ‘What Is “This” They Begin to Do?’ in: Preaching Biblical Texts. Expositions by Jewish and Christians Scholars, F.C. Holmgren & H.E. Schaalman, Grand Rapids 1995, 17-28

Fokkelman, J.P., Narrative art in Genesis, Specimens of Stylistic and Structural Analysis, Amsterdam 1975.

Garrett, D., Rethinking Genesis. The Sources and Authorship of the First Book of the Pentateuch, Michigan 1991.

Gesensius’ Hebrew Grammar, Oxford 197613

Hirsch, S.R., The Pentateuch. Translation and Commentary. Vol. I, Genesis, Gateshead 1982.

Jagersma, H. Genesis 1:1-25:11. Commentaar voor bijbelstudie, onderwijs en prediking, Nijkerk 1995.

Keil, C.F. & Delitzsch, F., Commentary on the Old Testament, Vol. I, The Pentateuch, Michigan 1980.

Leibowitz, N., Studies in Bereshit (Genesis). In the Context of Ancient and Modern Jewish Bible Commentary, Jerusalem 1984.

Munk, E., La voix de la Thora. La Genèse, Paris 1981.

Rad, G. von, Das Erste Buch Mose. Genesis, Göttingen 1964.

SDA Bible Commentary, Vol. 1, Genesis to Deuteronomy, Washington D.C. 1978.

Turner, L., Genesis, Sheffield 2009.

Waltke, B.K., Genesis. A Commentary, Grand Rapids 2001.

Walton, J.H., Genesis. NIV Application Commentary, Grand Rapids MI 2001.

Wenham, G.J., Genesis 1-15. Word Biblical Commentary, Nashville 1987.

Wénin, A., D’Adam à Abraham ou les errances de l’humain. Lecture de Genèse 1,1-12,4, Paris 2017.

Afbeeldingen van de ‘Toren van Babel’:

https://www.google.be/search?