3-Hebreeuwse bijbel3.2-Ontdekken

3.2.3 Catastrofe, tempelbron en zonderlinge stroom 2

Ontdekken van twee hoofdthema’s in de boekrol Ezechiël: de essentie van het praktiseren van recht en gerechtigheid door de Judese terugkerende ballingen en de veel belovende toekomst die God het volk voorhoudt (zie 3. Hebreeuwse Bijbel 3.2. Ontdekken 2. Catastrofe, tempelbron en zonderlinge stroom). Beide thema’s krijgen een kleurrijke invulling in Ezechiëls tempelbeekvisioen dat op zich een meervoudige weerklank krijgt in het Johannesevangelie en het boek Openbaring.

 

Inleiding

Lezers die de boodschap van het tempelbeekvisioen in Ezechiël 47 willen doorgronden doen er goed aan oog te hebben voor gegevens ervan die in latere bijbelverhalen weer opduiken en die verbanden naar de leesoppervlakte brengen. Dit gebeurt bijvoorbeeld omtrent de tempel én levend water, een bron én drinken, allerlei vissen én actieve vissers, volken én eeuwig leven, … Werkelijk de moeite waard om ze de revue te laten passeren. En dan … komt de lezer op het spoor van echo’s die het visioen van de tempelbeek voortbrengt.

 

Johannesevangelie en Ezechiëls tempelvisioen.

Wat de huidige lezers niet oppikken dat doet Johannes in zijn Evangelie wel. Hij heeft het in zijn vierde hoofdstuk immers over Jezus’ gesprek met een Samaritaanse vrouw. Zij komt bij een bron water putten en daar bij die bron beweert Jezus over water een aantal zaken die voor haar – en de lezers van het verhaal – onvoorstelbaar lijken. Eerst stelt hij dat hij voor water kan zorgen zodat de drinker ervan nooit meer dorst krijgt.

 

13 ‘Iedereen die dit water drinkt zal weer dorst krijgen,’ zei Jezus, 14 ‘maar wie het water drinkt dat ik hem geef, zal nooit meer dorst krijgen …  – Johannes 4:13-14a

 

Dat op zich is al merkwaardig maar het wordt helemaal onvoorstelbaar als hij er aan toevoegt dat het drinken van dat water tot gevolg heeft dat in de persoon die ervan drinkt een bron van water ontstaat. Dat opwellende water uit die innerlijke bron bezorgt de persoon in kwestie zelfs … eeuwig leven!

 

14 … Het water dat ik geef, zal in hem een bron worden waaruit water opwelt … dat eeuwig leven geeft … – Johannes 4:14b

 

Tijdens een Loofhuttenfeest in de tempel nodigt Jezus zijn omstanders die dorst hebben uit om bij hem (!) te komen. Hij voegt er zelfs aan toe dat wie in hem gelooft zal ervaren dat er rivieren van levend water uit zijn of haar hart zullen stromen!

 

37 Op de laatste dag, het hoogtepunt van het feest, stond Jezus in de tempel, en hij riep: ‘Laat wie dorst heeft bij mij komen en drinken! 38 “Rivieren van levend water zullen stromen uit het hart van wie in mij gelooft,” zo zegt de Schrift.’ 39 Hiermee doelde hij op de Geest die zij die in hem geloofden zouden ontvangen; de Geest was er namelijk nog niet, want Jezus was nog niet tot Gods majesteit verheven’ – Johannes 7:37-38

 

Johannes vertelt aan het eind van zijn evangelie een verhaal over een mislukte visvangst door vissers die Jezus’ leerlingen blijken te zijn. Daarna, nadat zij op zijn aanwijzingen vanop het strand zijn ingegaan, boeken zij een enorm resultaat.

 

1 Hierna verscheen Jezus weer aan de leerlingen, nu bij het Meer van Tiberias. Dat gebeurde als volgt. 2 Bij het meer waren Simon Petrus en Tomas (dat betekent ‘tweeling’), Natanaël uit Kana in Galilea, de zonen van Zebedeüs en nog twee andere leerlingen. 3 Petrus zei: ‘Ik ga vissen.’ ‘Wij gaan met je mee,’ zeiden de anderen. Ze stapten in de boot, maar de hele nacht vingen ze niets. 4 Toen het al ochtend werd, stond Jezus op de oever, al wisten de leerlingen niet dat het Jezus was. 5 Hij riep: ‘Hebben jullie soms iets te eten?’ ‘Nee,’ antwoordden ze. 6 ‘Gooi het net aan stuurboord uit,’ riep Jezus, ‘dan lukt het wel.’ Ze wierpen het net uit en er zat zo veel vis in dat ze het niet omhoog konden trekken …  9 Toen ze aan land kwamen zagen ze een vuurtje met vis erop en brood. 10 Jezus zei: ‘Breng ook wat van de vis die jullie net gevangen hebben.’ 11 Simon Petrus ging weer aan boord en trok het net aan land. Het zat vol grote vissen, welgeteld honderddrieënvijftig, en toch scheurde het niet. 12 Jezus zei tegen hen: ‘Kom, eet iets.’ Geen van de leerlingen durfde hem te vragen wie hij was, ze begrepen dat het de Heer was. 13 Jezus nam het brood en gaf hun ervan, en hij gaf hun ook vis. 14 Dit was al de derde keer dat Jezus aan de leerlingen verscheen nadat hij uit de dood was opgestaan.– Johannes 21:1-6, 9-14

 

Na een nacht van vruchteloze inspanningen werpen ze hun netten uit aan de rechterkant van het schip. Ze doen dat omdat Jezus het hen zegt. Uiteindelijk blijken ze 153 vissen te vangen! Als ze aan land komen nodigt hij hen uit om bij een vuur samen te eten van de door hem zelf gevangen vis en van de vissen die zij hebben gevangen.

 

De lezers die de genoemde getallen in dit verhaal opmerken doen er goed aan zich niet te beperken tot hun letterlijke functie. Zij blijken immers ook te fungeren als dragers van een betekenis. In de bijbelse traditie staat het aantal zeven niet alleen voor de zeven dagen in het scheppingsverhaal (Genesis 1:1-2:4a) maar ook voor de zeven (buur)volken waarmee Israël te maken krijgt (Deuteronomium 7:1). Bovendien ging men er in de eerste eeuw van uit dat het aantal 153 mogelijk verwees naar de hoeveelheid verschillende soorten vissen in de zeeën van de wereld. Beide gegevens maken dus duidelijk dat dit verhaal van Johannes de betekenis van een concrete visvangst overstijgt. Terwijl zijn drie collega-evangelisten verhalen over Jezus die zijn leerlingen met woorden opdraagt om in de hele wereld van hem te getuigen (Matteüs 28:19-20; Marcus 16:15-16; Lucas 24:46-48) doet Johannes dat met een verhaal met eenzelfde strekking. In lijn met Matteüs en Marcus – die vertellen dat Jezus tegen zijn leerlingen had gezegd dat hij hen tot vissers van mensen wilde maken – maakt Johannes dit gegeven heel concreet. In zijn verhaal laat Jezus zijn leerlingen alle mogelijke soorten vissen ‘vangen’ die bij wijze van spreken fungeren voor mensen uit alle volken van de wereld!

 

Terwijl Ezechiël in een visioen een volmaakte tempel mag zien en daarover aan zijn lezers vertelt, bericht Johannes ook over een tempel. In een gesprek daarover tussen Jezus en zijn toehoorders stuurt eerstgenoemde erop aan dat zij geen aandacht aan het tempelgebouw hoeven te besteden. Zij moeten hun focus richten op de tempel die hij zelf blijkt te zijn.

 

19 Jezus antwoordde hun: ‘Breek deze tempel maar af, en ik zal hem in drie dagen weer opbouwen.’ 20 ‘Zesenveertig jaar heeft de bouw van deze tempel geduurd,’ zeiden de Joden, ‘en u wilt hem in drie dagen weer opbouwen?’ 21 Maar hij sprak over de tempel van zijn lichaam. 22 Na zijn opstanding uit de dood herinnerden zijn leerlingen zich dat hij dit gezegd had, en zij geloofden de Schrift en alles wat Jezus gezegd had – Johannes 2:19-22

 

Ook het feit dat de leerlingen hun net aan de rechterkant van het schip moeten uitwerpen fungeert als een knipoog naar het Ezechiëlvisioen. Daarin borrelt water uit de tempel op dat aan de rechterkant van het altaar wegsijpelt. Dat water ontwikkelt zich tot een dubbelrivier waarin alle mogelijke soorten vissen zwemmen. Het zorgt zelfs voor eeuwig leven en krijgt in het Johannesevangelie een echo: het water met eeuwig leven komt bij Jezus (als tempel) vandaan.

 

Johannes’ Openbaring en Ezechiëls tempelvisioen.

Blijkbaar kreeg de schrijver Johannes er niet genoeg om parallellen en associaties tussen Jezus’ leer en leven enerzijds en Ezechiëls tempelbeekvisioen anderzijds te creëren. In zijn boek Openbaring gaat hij in nog een hogere versnelling. In Romeinse ballingschap schrijft hij op het eiland Patmos zijn eigenaardig en fascinerend boek Openbaring. Daarin kijkt hij niet meer achterom maar naar zijn eigen tijd net zoals Ezechiël dat deed in die van hem, in de Babylonische ballingschap. Johannes noemt men daarom ook wel eens de neo-Ezechiël en terecht. Beide gedreven visionairs roepen met hun originaliteit en kracht geniale beelden op. Zij tillen hun lezers boven deze wereld uit en laten hen achter de schermen van hun tijd kijken. In die boven­zinnelijke wereld die de bijbelschrijvers als Gods terrein beschouwen gunnen zij hen een blik.

 

In zijn Openbaring legt Johannes in hoofdstuk 21 – omtrent het einde van de wereldgeschiedenis – heel wat verbanden met Ezechiël 47. Lezers die daarmee vertrouwd zijn of dit tempelvisioen nog een keertje nalezen (zie ook vorige bijdrage) kunnen er beslist niet naast kijken. Echt verbluffend! In het verlengde van diens tempelbron en de daaruit voortvloeiende verbluffende tempelbeek versterkt Johannes de krachtlijnen ervan in zijn voorstelling van de komende wereld.

 

In die nieuwe wereld die Johannes in zijn visioen ziet bevindt God zich in het centrum, in het hart ervan. Van daaruit zal hij dorstige mensen laven uit de bron met water dat (eeuwig) leven bezorgt.

 

6 Toen zei hij tegen mij: ‘Het is voltrokken! Ik ben de alfa en de omega, het begin en het einde. Wie dorst heeft geef ik vrij te drinken uit de bron met water dat leven geeft. 7 Wie overwint komen al deze dingen toe. Ik zal zijn God zijn en hij zal mijn kind zijn. – Openbaring 21:6-7

17 De Geest en de bruid zeggen: ‘Kom!’ Laat wie luistert zeggen: ‘Kom!’ Laat wie dorst heeft komen; laat wie dat wil vrij drinken van het water dat leven geeft –  Openbaring 22:17

 

De stad in die nieuwe wereld, het nieuwe Jeruzalem, heeft geen tempel meer omdat God zelf die tempel is.

 

22 Maar een tempel zag ik niet in de stad, want God, de Heer, de Almachtige, is haar tempel, met het lam –  Openbaring 21:21

 

Uit de troon van God ontspringt een rivier met levend water. Op beide oevers ervan staat een levensboom. Die twee levensbomen dragen twaalf maanden vruchten. Dus wel twaalf keer in één jaar! En de bladeren ervan hebben geneeskracht voor de volken van de wereld.

 

1 Hij liet me een rivier zien met water dat leven geeft. De rivier was helder als kristal en ontsprong aan de troon van God en van het lam. 2 In het midden van het plein van de stad en aan weerskanten van de rivier stond een levensboom, die twaalf vruchten gaf, elke maand zijn eigen vrucht. De bladeren van de boom brachten de volken genezing – Openbaring 22:1-2

 

Dit nieuwe Jeruzalem dat Johannes als Gods stad ziet heeft twaalf poorten volgens het aantal van de twaalf stammen van Israël.

 

11 De stad schitterde door Gods luister, met een schittering als van een edelsteen, als een kristalheldere jaspis. 12 Ze had een grote, hoge muur met twaalf poorten en bij elke poort stond een engel. Op de poorten waren namen geschreven: de namen van de twaalf stammen van Israëls zonen. –  Openbaring 21:11-12

 

Deze stad is echter niet louter de woonplaats voor de twaalf stammen van Israël maar ook voor de volken van de wereld:

 

24 De volken zullen in haar licht leven en de koningen op aarde betuigen daar hun lof. 25 De poorten zullen overdag nooit gesloten worden, en nacht zal het er niet meer zijn. 26 De volken zullen in haar hun lof en eer komen betuigen – Openbaring 21:24-25

 

En of Ezechiël lezers nog iets te zeggen heeft!

Een boek zoals dat van Ezechiël dat zó dramatisch in mineur begint, maar in een apotheose eindigt, kan niet an­ders dan tot de verbeelding van zijn lezers spreken. En dit zeker en vooral bij mensen die voor het voortbestaan van de wereld vrezen. Bij mensen die hun adem inhouden omdat ze tussen twee oorlogen in leven of er zelfs middenin zitten. Of bij hen die ervan uitgaan dat de apocalyptische Armageddonoorlog waar Johannes het over heeft (Openbaring 16:16) in het verschiet ligt.

 

Echter, net zoals de profeet Ezechiël met zijn tempelbeekvisioen op het einde van zijn boekrol, biedt ook deze neo-Ezechiël met zijn slotvisioen in Openbaring een perspectief op een nieuwe en veel betere wereld (hoofdstukken 21 en 22). Deze eilandprofeet schetst net als de boerprofeet Amos, de hofprofeet Jesaja en priesterprofeet Ezechiël dwars door de catastrofen heen een hoopvolle toekomst.

 

Ter afronding

Volgens genoemde profeten vormt de sleutel tot die veelbelovende komende wereld niet het in de praktijk brengen van een godsdienst die wordt overheerst door mystiek, liturgie, leerstellingen, dogma’s, sentimentaliteit, piëteit of romantiek. Ezechiël nodigt gelovigen uit een godsdienst te beleven met als boventoon de ethiek, nl. het doen van recht (mīspat) en gerechtigheid of weldaad (tsedāqā). Dit woordpaar synthetiseert het gezamenlijk programma van Mozes en Jezus: het toepassen van de richtlijnen van de thora en van het evangelie die beide mensen leren om lief te hebben. In woorden en daden. Ethiek gaat immers vóóraf aan liturgie, aan dogmatiek en aan alle andere godsdienstige insteken of uitingen! Dan blijkt er nieuw leven mogelijk en schijnt er licht die de duisternis van de misère van mensen kan verdrijven. Niet een chaos maar een kosmos, een in zichzelf rustend geordend geheel. Dat is wat Ezechiël bedoelt met het heiligen van Gods naam. En dat heeft Johannes goed begrepen wanneer hij zo passioneel verhaalt over Jezus die weigert om muren tussen mensen op te richten en ze juist tot op de grond afbreekt. Niet uitsluitend het eigen volk (eerst) maar zoals Ezechiël zegt gaat het er om ruimte te creëren voor alle vreemdelingen waar ze ook zijn of vandaan komen. Deze thorarichtlijn loopt als een rode draad door zijn boekrol heen en krijgt met zijn tempelbeekvisioen een heus orgelpunt.

 

‘Behandel vreemdelingen die bij jullie wonen als geboren Israëlieten. Heb hen lief als jezelf, want jullie zijn zelf vreemdelingen geweest in Egypte. Ik ben de HEER, jullie God – Leviticus 19:34

 

21 Dit land moeten jullie onder elkaar, onder de stammen van Israël, verdelen. 22 Verdeel het door loting onder elkaar en onder de vreemdelingen die bij jullie wonen en kinderen verwekt hebben. Die gelden als geboren Israëlieten, en net als jullie zullen ook zij bij de stammen van Israël bezit krijgen. 23 Een vreemdeling moeten jullie zijn bezit geven bij de stam waar hij woont – spreekt de Heer JHWH’ – Ezechiël 47:21-23