3.1.4 Door de catastrofe heen blijft er hoop

Kennismaken met de boekrol van de profeet Ezechiël die over de catastrofe van de Babylonische ballingschap vertelt.

Inleiding

In een tijd waarin de IS-crisis de grondvesten van de hele Westerse en Arabische wereld heeft laten trillen en dat nog steeds doet biedt de boekrol Ezechiël perspectieven. Het is een zeer ongewoon, mysterieus en op het eerste gezicht verwarrend geschrift voor wie het met aarzeling doorloopt en … als het meezit tot het einde uitleest. Toch geeft het de bijbellezer een uitzicht op iets waar juist alles uitzichtloos lijkt.

Het is een eigenaardig boek van een niet minder eigenaardig auteur. Ezechiël schreef zijn oeuvre in ballingschap net zoals Johannes dat met zijn fascinerende boek ‘Openbaring’ deed. Men heeft hem ook wel eens de neo-Ezechiël genoemd en terecht. Beiden hebben met hun gedrevenheid, originaliteit en kracht iets geniaals. Zij tillen de lezer boven deze wereld op en laten hem achter de schermen van de geschiedenis kijken. Zij gunnen hem of haar een blik in die boven­zinnelijke wereld die de Bijbel als Gods terrein beschouwt.

Speelbal van de grootmachten

In Ezechiëls tijd was het hele Oude Midden-Oosten in beroering. De politieke balans was niet lang ervoor uit evenwicht geraakt. De gevreesde Assyriërs (uit het huidige Noord-Irak) hadden het onderspit moeten delven tegen de Babyloniërs (uit Zuid-Irak). Tijdens de val van Assyrië’s hoofdstad Ninevé in 612 voor de gewone jaartelling beten de Assyriërs in het stof tegen de verenigde legers van de Babyloniërs en de Meden. Dat betekende het einde voor de Assyrische wereldheersers die het veld moesten ruimen van de Babylonische.

De kleine staatjes die als het beleg tussen de sandwich van het zuiden (Egypte) en het noorden (Assyrië en Babylonië) leefden, kre­gen wisselend legers van deze drie naties op hun bodem. Hun vorsten moesten politiek schipperen om te overleven. Ook het kleine Juda leed onder de bedreigingen, geldschattingen en gewelddaden. Zijn koningen speelden soms gevaarlijk spel. Rond de eeuwwisseling moesten zij tussen Egypte en Babylonië kiezen. De opeen­volgende koningen Joachaz, Jojakim, Jojakin en Sedekia wedden steeds op het verkeerde paard. De profeet Jeremia riep zich schor tegen Jeruzalems politici en koning om het hoofd te buigen voor de Babyloniërs. In 605 kwam Nebukadnessar met zijn Babylonische troepen Juda’s absolute loyaliteit opeisen net zoals van de andere koninkrijken die hij onderwierp en binnen zijn invloedssfeer kwamen te liggen. Bij zijn terugkeer naar Babel nam hij een groep mensen mee in gevangenschap waaronder zich Daniël, Chananja, Azarja en Misaël zich bevonden met andere leden uit de koninklijke familie en de adel (1:3,6). Als buit voerde hij ook voorwerpen uit Gods tempel mee die hij neerlegt in de tempel van (letterlijk) ‘zijn goden’ (i.p.v. ‘god’ in de NBG).

Koning Jojakim richtte zich na verloop van tijd toch weer tot Egypte waarop de Babylonische legers in 597 te­rugkwamen. Ze deporteerden zijn opvolger Jojakin met zo’n 10.000 vooraanstaande burgers waaronder ook de priester Ezechiël naar Babylonië (2 Koningen 24:14). De door Nebukadnessar benoemde koning Sedekia stootte zich voor de tweede keer aan dezelfde steen. Daarop maakte Nebukadnessar in 586 schoonschip in Juda. Jeru­zalem werd ontmanteld, de tempel ging in vlammen op en een flink deel van de be­volking werd naar Babylonië gedeporteerd.

Ezechiël voorspelt vernietiging

Tussen de tweede (597) en derde (586) militaire Babylonische campagne schreef Ezechiël het grootste deel van zijn boekrol. Op dramatische wijze richtte hij zich tot zijn medeballingen en kondigde de toekomstige ondergang (in 586) van Juda en Jeruzalem aan. Zij echter verwachtten dat het Babylonische rijk geen lang leven beschoren zou zijn en dat het met Juda wel zou loslopen. Ezechiël ging daar met enorme kracht tegenin met onheilswoorden, klaagliederen, zinnebeeldige handelingen en beschrijvin­gen van apocalyptische taferelen: het zou beslist bergaf gaan met koning, hoofdstad, tempel, volk en land.

Man van het schandaal

Zijn naam ‘Ezechiël’ betekent: ‘God maakt sterk’. Sterkte had hij wel nodig want begrepen werd hij niet. Constant moest hij – net zoals de profeet Jeremia in Jeruzalem – tegen de stroom in zwemmen. Zijn profetisch dienstwerk be­gon in 593 rond de tijd dat hij de wettelijke leeftijd van dertig jaar van het priesterschap bereikte (Numeri 4:3). Hij kreeg de opdracht schild­wacht voor Juda’s volk te zijn en Gods orakels aan de ballingen door te geven. Hij zat op één lijn met zijn tijdgenoten Jeremia in Jeruzalem en Daniël in de Babylonische hoofdstad.

Met onstuimige donderpreken en verbijste­rende handelingen (33:31-32) probeerde hij in JHWH’s opdracht de Judeeërs te overtuigen.

30 Wat jou aangaat, mensenkind: je volksgenoten praten allemaal over jou, bij de stadsmuur en bij de deuren van hun huizen zeggen ze tegen elkaar: “Kom, laten we gaan luisteren naar wat JHWH ons te zeggen heeft!” 31 Ze komen in grote groepen naar je toe en nemen tegenover je plaats, ze luisteren naar je woorden maar handelen er niet naar. Ze hebben hun mond vol van de liefde, maar ze denken alleen aan hun eigen voordeel. 32 En jij bent voor hen niet meer dan een zanger van liefdesliedjes, iemand met een mooie stem, iemand die goed kan spelen: ze horen wel wat je zegt, maar ze handelen er niet naar. 33 Maar als het onheil komt – en het komt! – zullen ze beseffen dat er in hun midden een profeet was.’ – Ezechiël 33:30-33 NBV

Zo toonde hij geen spatje verdriet bij de dood van zijn vrouw (24:15-17), bakte koeken op uitwerpselen en at die op (4:12), speelde jaren stommetje en sprak slechts als God hem ertoe dwong (3:26). Ook bleef hij meer dan een jaar op zijn linkerzij liggen (4:4-5). Geschokt raakte het volk geïntrigeerd:

Het volk vroeg mij: ‘Wilt u ons uitleggen waarom u zich zo gedraagt, en wat dat voor ons betekent?’ – Ezechiël 33:30-33 NBV

Gods overweldigende majesteit

Meer dan welk andere profeet verdedigt Ezechiël in zijn boekrol de eer van de door Juda onteerde God. Op een overdonderende wijze schil­dert hij voor de ballingen de indrukwekkende grootheid van Juda’s God. Die zijn enorm onder de indruk van de grootheid van de Babylonische cultuur, machtsvertoon en protserige godengalerij waarbij de goden in karretjes door dieren of mensen worden rondgetrokken. Daartegenover stelt Ezechiël Gods bovennatuurlijke en indrukwekkende vierdubbele ‘spaceshuttle’ voor. De beschrijving ervan (hoofdstuk 1 en 8) werkt duizelingwekkend.

15 Opnieuw keek ik naar de wezens, en ik zag bij elk van de vier een wiel op de grond staan, aan de voorkant. 16 De wielen glansden alsof ze gemaakt waren van turkoois en ze hadden alle vier dezelfde vorm: ze leken op een wiel midden in een ander wiel. 17 Ze gingen met de vier wezens mee, zonder om te draaien. 18 Hun velgen waren angstwekkend hoog, en elk van de vier velgen was afgezet met ogen. 19 Als de wezens zich bewogen, gingen de wielen mee, en als de wezens opstegen van de aarde, stegen ook de wielen op. 20 Waarheen Gods geest hen leidde, daarheen gingen de wezens: zij volgden de geest en de wielen stegen met hen op, want een en dezelfde geest leidde de wezens en de wielen. 21 Als de wezens zich bewogen, bewogen ook de wielen, en als ze stilstonden, stonden ook de wielen stil. Als ze van de aarde opstegen, stegen ook de wielen op; een en dezelfde geest leidde immers de wezens en de wielen. – Ezechiël 1:15-21 NBV

Israëls God blijkt dus onvergelijkbaar met genoemde Babylonische goddelijke mannetjes en vrouwtjes. JHWH God is de heilige, de gans andere die van niets of niemand an­ders afhankelijk is en boven natuur, cultuur en geschiedenis uitstijgt. Ezechiël beschrijft enerzijds hoe deze mysterieuze en al­machtige God van Juda in zijn op zichzelf bewegende ruimtelijke wagen de tempel in Jeruzalem verlaat en in ballingschap gaat om bij zijn volk te zijn. Anderzijds moet hij wel mensvormig over God spreken en hem als soldaat, echtgenoot, wreker en verbondspartner presenteren, willen zijn medeballingen er nog iets van kunnen begrijpen. Meer dan 80 keer luidt het: ‘en zij / jullie zullen weten, dat ik JHWH ben’ (NBG)/

Honderden keren klinkt het ‘Zo zegt JHWH’, ‘Woord van JHWH’ en het ‘Woord van JHWH kwam tot mij’. De profeet wil geen krediet voor wat hij zegt. Zelf is hij het door de almachtige God toegesproken verbijsterde mensenkind – of letterlijk mensenzoon – die als bode functioneert of de mensen nu wel of niet luisteren of het nalaten (2:5,7,11; 3:27).

Juda’s ondergang

Gebrek aan medemenselijkheid

Hij moet de ondergang van koning, volk en land aankondigen. En terecht. De beschrij­vingen over het volk van Juda liegen er niet om. Op alle terreinen maken zij er een puinhoop van. Op medemenselijk vlak schreeuwen hun misdaden ten hemel. Naastenliefde is in Juda in de verste verte niet te bespeuren. Alle geboden of verboden uit de tien woorden (Exodus 20:1-17; Deuteronomium 5:6-21) en uit de thora (Genesis tot en met Deuteronomium) waarin Mozes’ richtlijnen voor menselijk geluk staan worden met voeten getreden. Zelfzucht (passie), hebzucht (geld) en eerzucht (macht) voe­ren de boventoon (hoofdstukken 18 en 22).

Godsdienstige ontrouw

Ook hun relatie met God is totaal verdwenen. De afgodendienst tiert welig (hoofdstukken 8 en 14). Het maakt niet uit of het nu gaat om de in het Oude Midden-Oosten aanbeden wijdverbreide zonnecul­tus, de stervende en weer opstaande Babyloni­sche Tammuzgod, de Kanaänitische vruchtbaarheidsgodin Asjera of de Egypti­sche godengalerij met dierenkoppen. Niet zo maar hier en daar maar … tot in de binnenste ver­trekken van Gods tempel in Jeruzalem! Van belediging en vernedering van JHWH gesproken! De ontrouw aan het verbond met Israëls God als ontucht, prostitutie en sodomie zet hij daarom met felle kleuren in de verf (hoofdstukken 16 en 23). De profeet schetst de geschiedenis van Gods volk als een van weerspannigheid, rebellie en ontrouw (hoofdstuk 20). Naast de collectieve schuld is er ook nog de individuele verantwoordelijkheid voor mis­daden en overtredingen (hoofdstukken 18 en 22).

Valse wegwijzers

De activiteiten van de valse profeten doen er ook geen goed aan. Zij bezweren dat de alliantie met Egypte heil brengt. Volgens Ezechiël liegen ze omdat ze naar eigen inzicht profeteren en het volk vrede voorspiegelen terwijl het zich op de rand van de afgrond bevindt. Zij zijn schuldig omdat ze het wangedrag van het volk niet aan de kaak stellen en er zelf financieel voor­deel bij halen (hoofdstuk 13).

Dag van de Heer

Wat zou er met zo’n volk nog te beginnen zijn? Gods verdict staat vast, zo fulmineert de priester-profeet. Gedaan is het met Juda: koning, natie, land, hoofdstad en tempel hebben afgedaan. De lex talionis of het oog-om-oog principe wordt toegepast. Hun mis­daden komen op hun eigen hoofd terecht. Wie afbreekt wordt afgebroken. Wie het leven niet respecteert verdient niet te leven. Wie Gods zegeningen niet waardeert maakt kennis met zijn vervloekingen (hoofdstuk 9). De dag van JHWH (de Heer) is de dag van Gods strafgericht. Deze keer is die niet tegen de vijanden van zijn volk gericht. Nee, hij zal zijn eigen volk treffen dat in zijn land als het ware zonder naasten en zonder God leeft (hoofdstuk 7).

Onbarmhartige God?

Hebben mensen die de nieuwtestamentische God zoveel ‘liever, aardiger, zachter, goedmoediger’ vinden, gelijk? Integendeel. Spreekt ook Jezus geen krasse taal (o.a. Matteüs 11:16-24)? Bovendien kondigt Ezechiëls God naast de strafmaatregelen ook heilsbeloften aan. Telkens weer komen door de onheilsorakels heen flitsen van behoud, herstel en nieuw begin voor. Het begint met een overblijfsel van het volk (6:8.9) dat tijdens Jeruzalems beleg met een teken op het voorhoofd wordt geselecteerd (hoofdstuk 9). Verder wordt het bijeengeraapt uit de landen waarin Israëls en Juda’s onderdanen werden verstrooid (11:17-20). Bezield met een nieuwe ethiek worden zij  het herstelde volk van Israëls God die opnieuw hun God wil zijn (14:11), zijn volk met zich verzoent en zijn verbond hernieuwt (16:60-63).

Een nieuw Juda en Israël

Na de vernedering van de ballingschap zul­len zij als volk opbloeien als een ceder van de Libanon (17:22,23) en JHWH heiligen in Jeruza­lem (20:39-41). Zij zullen veilig wonen in het land Israël, er huizen bouwen en planten (28:24-26). De zeven volken die Israël en Juda kwaad hebben gedaan – Ammon, Moab, Edom, Filistea, Tyrus, Sidon en Egypte – zullen het op hun beurt door God te kwaad krijgen (hoofdstukken 25-32,35). Later (maar wan­neer?) zullen ook de vijandelijke legers voor Israël en Juda de rekening gepresenteerd krijgen (hoofdstukken 38 en 39). De aanduiding van hun naam is mysterieus. Hun koning heet Gog van het land Magog, grootvorst van Mesek en Tubal. Hij is geallieerd met Gomer en Togarma en de meer bekende Perzen, Ethiopiërs en Puteeërs. Gaat het om de wereldmacht Assyrië of Babylonië die Israël en Juda geslagen heeft en die Ezechiël omdat hij er woont niet bij naam noemen kan? Of gaat het om een veel latere bedreiging in de eindtijd die zal worden teniet gedaan door God en zijn uit de doden opgestane en ver­enigde Israëlieten en Judeeërs (hoofdstuk 37)? Vragen die blijven maar … intussen komt er een nieuwe koning uit Davids dynastie (hoofdstuk 34) van een gelouterd en verenigd Israël (hoofdstuk 36).

Van catastrofe tot apotheose

Ezechiël eindigt zijn compositie in majeur. De hoofdstukken 40-48 beschrijven een gran­dioos panorama van een herstelde tempel en een daarin teruggekeerde majesteitelijke God. De priesters treden weer in dienst van God en de koning wordt op zijn plichten voor het volk gewezen. Er worden feesten gevierd en offers gebracht door het volk dat woont in het opnieuw onder hen verdeelde land. De heilige stad zal JHWH’s aanwezigheid ervaren omdat hij bij hen zal wonen. Is dat niet een geweldig uitzicht dat Ezechiël biedt terwijl hij zich in een crisistijd tussen twee ver­nietigende oorlogen (597 en 586) bevindt die het bestaan van zijn volk bedreigen?

Ter afronding

En of Ezechiël de bijbellezer iets te zeggen heeft! Hoewel zijn boekrol zo dramatisch in mineur begon eindigt het in een ware apotheose. Het kan dus niet an­ders dan tot de verbeelding spreken. En dit vooral van mensen die in deze 21ste eeuw voor het voortbestaan van deze wereld vrezen. Mensen die leven tussen een IS-oorlog en andere oorlogsdreigingen, die hun adem doet inhouden voor een apocalyptische Armageddonoorlog die volgens bijbelse perspectieven nog in het verschiet zou kunnen liggen. Er is echter ook hier – volgens de neo-Ezechiël, Johannes – perspectief op een nieuwe en veel betere wereld (Openbaring 21 en 22).

error: Alert: Content is protected !!