9.2.2 Paulus’ hartzeer voor zijn volk Israël 2

Ontdekken van Paulus’ visie in de Romeinenbrief op de relatie tussen christenen en joden.

Inleiding

Het christendom heeft veruit de overhand op het jodendom zowel in aantal als in macht. Bijna 2.000 jaar lang heeft de joodse gemeenschap die sterke hand van christelijke zijde ervaren. Joden van allerlei leeftijden hebben bespottingen, lastercampagnes, vervolgingen, kruistochten, martelingen, pogroms en uitmoorden moeten ondergaan van voornamelijk of met medewerking van allerlei kerkelijke instanties. De grote kerken hebben daar hun bijdrage aan geleverd. Sommige andere, meestal kleinere kerken, zijn misschien niet tot de daad overgegaan maar hebben in preken, studiegroepen, literatuur en theologie het joodse volk negatief voorgesteld en beschuldigd. En waarom? Omdat zij als gemeenschap Jezus niet als de messias hebben verwelkomd?

Het aandachtig lezen van de belangrijkste tekst hierover in het Griekse (of Nieuwe) Testament is Romeinen 9-11. Deze is beslist niet de gemakkelijkste. Hij helpt echter wel inzien dat een superieure houding ten aanzien van Jezus’ volksgenoten niet terecht is én dat een verzoenende rol tussen kerk en synagoge een absolute noodzaak is.

Jodenchristenen onder druk

Jezus’ apostelen richtten zich eerst tot de joden en daarna tot de heidenen. In hun land groeide hun messiaanse gemeenschap (Handelingen 21:20) maar ook daarbuiten. Toch waren na verloop van tijd er flink meer christenen uit de heidenen dan christenen uit de joden. In bepaalde kerken leidde dat tot spanningen. Vaak kwam het tot discussies over het niet volgen van Jezus door Israëls meerderheid. De groeiende groep van heidenchristenen die weinig gedegen kennis van de Hebreeuwse Bijbel of Oude Testament had kwam vaak tot verkeerde conclusies over de positie van het in Gods ogen bijzondere volk. Superieure en eigenwijze ideeën bleven niet uit. De in de minderheid verkerende jodenchristenen kregen het steeds moeilijker. In Romeinen 9-11 poogt Paulus als rabbijn én als apostel voor de heidenen Jezus’ volksgenoten in bescherming te nemen tegenover de heidenchristenen.

Gods trouw ten aanzien van Israël – Romeinen 11: 1 -5

Na de twee vorige hoofdstukken (9 en 10) konden Paulus’ lezers ten onrechte denken dat Israël had afgedaan.

1 Dan is nu mijn vraag: heeft God zijn volk soms verstoten? Beslist niet. Ik ben immers zelf een Israëliet, een nakomeling van Abraham, afkomstig uit de stam Benjamin – Romeinen 11:1

Zijn ‘beslist niet!’ moet men begrijpen als een ‘hoe kom je daar nu bij’? Als jood is Paulus er zelf een levend bewijs van! Bovendien lijkt de situatie op een moment uit de geschiedenis van het Oude Israël toen de profeet Elia door zijn teleurstellende ervaring met zijn volk in de put zat.

2 God heeft zijn volk, dat hij al van tevoren uitgekozen heeft, niet verstoten. Of weet u niet wat de Schrift over Elia zegt, hoe hij Israël bij God aanklaagt? 3 ‘Heer, uw profeten hebben ze gedood, uw altaren verwoest. Ik ben als enige overgebleven, en nu hebben ze het ook op mijn leven voorzien.’ 4 Maar hoe luidt het antwoord van God aan hem? ‘Ik heb zevenduizend mensen voor mijzelf in leven gelaten; die hebben niet voor Baäl geknield.’ 5 Zo is ook nu een klein deel over dat God uit genade uitgekozen heeft – Romeinen 11:2-5

Op de berg Karmel had het volk immers de knie voor Israëls God gebogen. Kort daarna haalde het echter bakzeil en werd het onder bedreiging van zijn heidense koningin Izebel God opnieuw ontrouw. De hierdoor sterk ontgoochelde Elia had qua zienswijze een correctie van God nodig. Deze laat hem weten dat 7.000 volksgenoten hun knie voor Izebels afgod Baal niet hadden gebogen! Genoemd getal drukt een volheid uit of anders gezegd een flinke minderheid binnen het volk. ‘Dat is mijn overblijfsel, dat is mijn volk!’ zei God toen.

Ook de Romeinse heidenchristenen moeten worden gecorrigeerd vindt Paulus! ‘Misschien heb ik me wat sterk over Israëls ongehoorzaamheid en halsstarrigheid uitgelaten, maar … er zijn meer joden overgebleven dan jullie denken. Zij hebben in Jezus Christus Gods kant gekozen’. Met klem herhaalt hij uitdrukkingen als ‘niet verstoten’ en ‘uitgekozen’. De huidige bijbellezer doet er goed aan te beseffen dat er heel wat teksten in het boek Handelingen vertellen dat juist heel wat joden Jezus als de messias aanvaardden:

  • Degenen die zijn woorden aanvaardden, lieten zich dopen; op die dag breidde het aantal leerlingen zich uit met ongeveer drieduizend – Handelingen 2:41

  • Ze loofden God en stonden in de gunst bij het hele volk. De Heer breidde hun aantal dagelijks uit met mensen die gered wilden worden – 2:47

  • Maar van degenen die naar de toespraak hadden geluisterd, bekeerden velen zich, zodat het aantal gelovigen aangroeide tot ongeveer vijfduizend – 4:4

  • Steeds meer mensen gingen in de Heer geloven, een groot aantal mannen zowel als vrouwen – 5:14

  • Het woord van God vond steeds meer gehoor, zodat het aantal leerlingen in Jeruzalem sterk groeide; ook een grote groep priesters aanvaardde het geloof – 6:7

  • Na afloop van de samenkomst liep een groot deel van de Joden en de vrome proselieten met Paulus en Barnabas mee, die hen toespraken en hen aanspoorden zich over te geven aan de goedgunstigheid van God – 13:43

  • Ook in Ikonium bezochten ze de synagoge van de Joden, en ook daar werd een groot aantal mensen, Joden zowel als Grieken, door hun verkondiging tot geloof gebracht – 14:1

  • Nog diezelfde nacht stuurden de leerlingen Paulus en Silas naar Berea. Toen ze daar waren aangekomen, gingen ze naar de synagoge. 11 De Joden in Berea waren welwillender dan die in Tessalonica, want ze luisterden vol belangstelling naar de verkondiging van het evangelie en bestudeerden dagelijks de Schriften om te zien of het inderdaad waar was wat er werd gezegd. 12 Velen van hen aanvaardden dan ook het geloof, evenals een groot aantal Griekse mannen en vooraanstaande vrouwen – 17:10-12

  • De volgende dag ging Paulus met ons naar Jakobus, bij wie alle oudsten waren samengekomen. 19 Nadat Paulus hen begroet had, vertelde hij tot in bijzonderheden wat God door zijn verkondigingswerk onder de heidenen tot stand had gebracht. 20 Toen ze dat hoorden, prezen en eerden ze God en zeiden: ‘Je hebt kunnen zien, broeder, dat ook vele duizenden Joden het geloof hebben aanvaard, en allen leven vol overtuiging volgens de wet – 21:18-20

Overblijfsel en overigen

De aan God trouw gebleven Israëlieten in Elia’s tijd ervoeren Gods genade. Zij antwoordden gelovig op zijn ‘genadevol’ handelen tijdens het afgodische bewind van koning Achab en Izebel. Zij vormden de door God uitgekozenen of Israëls overblijfsel’ (vers 6).

6 Maar wanneer ze uit genade zijn uitgekozen, dan is dat niet omdat ze de wet naleven, want in dat geval zou de genade geen genade meer zijn – 7 Wat betekent dit alles? Wat Israël heeft nagestreefd, heeft het niet bereikt; alleen zij die zijn uitgekozen hebben het bereikt. De overigen werden onbuigzaam, 8 zoals ook geschreven staat: ‘God heeft hun geest verdoofd, hun ogen blind gemaakt en hun oren doof, tot op de dag van vandaag.’ 9 En David zegt: ‘Laat hun tafel een valstrik worden, een strik, een valkuil en een straf. 10 Laat het licht uit hun ogen verdwijnen, krom hun rug voorgoed’ – Romeinen 11:6-10

Werken hebben daarmee niets van doen. Via de wet tot behoud komen is niet de weg, zo betoogt Paulus. Het behoud is er voor ieder die gelooft in het reddende handelen van God. Zo werd het gelovige Israël uit Egypte gered en zo worden de in Jezus-Christus gelovende joden behouden. De ‘overigen’ die zich tegen God verharden sluiten zich zelf af voor het heil.

Hiermee heeft Paulus een tweedeling aangebracht. Hij laat verstaan dat Israël als geheel ‘de gerechtigheid’ – die het via de wet najaagde – niet heeft verkregen. ‘Maar opgelet! Een deel van Israël – het uitverkoren deel – is wel ingegaan op het door Christus aangeboden heil.’ Daardoor ontstaat er een ander, een tweede deel van Israël. Hij noemt hen die zich hebben afgesloten ‘de overigen’. Israël verliet Egypte omdat het zich openstelde. Farao bleef achter omdat hij zich verhardde. Wordt het lot van deze tweede groep dan gelijk aan dat van farao? Beslist niet! Het verharden van farao was van een andere aard. Hij ‘verstokte’ zich en ging als het ware aan (multiple) sclerose lijden. Weigerachtige joden ‘verhardden zich’. In het Grieks staat hier een ander werkwoord dan het ‘zich verharden van farao’. Deze joden doen dat door hun oren (poriën) dicht te stoppen. Zo worden ze slap, traag, loom en hardhorig.

Waarschuwing tegen misverstaan

Paulus speelt zeer gevat in op de door hem vermoede bezwaren van zijn lezers.

Maar nu vraag ik weer: ze zijn toch niet gestruikeld om ten val te komen? Dat in geen geval, maar door hun overtreding konden de heidenen worden gered en daarop moesten zij afgunstig worden – Romeinen 11:11

‘Opgelet’, zegt hij dus, ‘denk nu niet dat zij zijn gestruikeld omdat God wilde dat zij zouden vallen.’ In bijbelse taal houdt ‘vallen’ vaak in dat men daarna niet meer opstaat en dus echt dood is.

1 Luister naar mijn woorden, Israël, luister naar mijn klaaglied over jullie: 2 Ze is gevallen, vrouwe Israël, ze zal niet meer opstaan, verlaten ligt ze op haar land, en er is niemand die haar opricht  – Amos 5:1-2 

‘Vergeet dat maar!’ roept Paulus uit. Van een misstap – beter dan ‘val’ in vers 11 – kan men zich weer oprichten! Zij zijn gestruikeld omdat zij het evangelie of de goede boodschap niet hebben aangenomen. God verkondigde het goede nieuws dan maar aan de heidenen. Dus uit iets spijtigs is veel goeds voortgekomen! Als nu al hun struikelen of tekort schieten een positief effect of rijkdom voor anderen heeft gehad dan kan er heel wat uit voortvloeien als ze weer opstaan en zich bekeren.

12 Maar als hun overtreding al een rijke gave voor de wereld is en hun falen een rijke gave voor de heidenen, hoeveel rijker zal dan de gave zijn wanneer zij zich allen hebben bekeerd. 13 Ik spreek nu tot degenen onder u die uit heidense volken komen. Zeker, ik ben een apostel voor de heidenen, maar ik schat mijn taak juist dáárom zo hoog 14 omdat ik hoop afgunst bij mijn volksgenoten op te wekken en een deel van hen te redden. 15 Als God zich met de wereld heeft verzoend toen hij hen verwierp, wat zal hij dan, wanneer hij hen opnieuw aanvaardt, anders teweegbrengen dan hun opstanding uit de dood? – Romeinen 11:11-15 

Paulus redeneert verder: ‘Als apostel van heidenen dien ik me op jullie heil te concentreren. Dat is mijn taak. Het feit dat jullie het heil aanvaarden zal de jaloersheid van de overigen van Israël opwekken. Zo kan ik via die weg toch nog ‘enkelen’ van mijn eigen volk winnen’. Bedoelt hij dat het de rol is van Jakobus, Petrus en de andere apostelen om zich intensief met de verloren schapen van Israël – het verharde deel – bezig te houden (Galaten 2:1-10 en Handelingen 21 :20)? Daar lijkt het op. Intussen onderstreept Paulus hier opnieuw zijn hooggespannen verwachting: het aannemen van de genadeboodschap door hen – die overigen, die verhard zijn – kan als een ware opstanding uit de doden worden gezien.

Waarschuwing tegen hoogmoed

Zijn bijzonder moeizaam betoog illustreert Paulus nu met een gelijkenis. Hij wil duidelijkheid scheppen en misverstaan absoluut vermijden. Zo gebruikt hij het beeld van een olijfboom waarvan een aantal takken zijn afgebroken en waarop enkele wilde loten zijn geënt. Wie al het voorafgaande in gedachte houdt is het begrijpen ervan gewoon kinderspel. De edele olijftakken – als symbool voor de Israëlieten – hebben deel aan de wortel van de olijfboom en dat is het heil dat God aanbiedt zolang zij zich met hem verbonden tonen. Zo gauw hun ongeloof blijkt dan worden ze afgebroken. De wilde takken – die de heidenen symboliseren – worden ingeënt en krijgen door hun geloof deel aan de saprijke wortel van het heil.

16 Als een klein deel van het deeg aan God is gewijd, is al het andere deeg het ook; als de wortel aan God is gewijd, zijn de takken het ook. 17 En als nu sommige takken van de edele olijfboom zijn afgebroken en u, loten van een wilde olijfboom, tussen de overgebleven takken bent geënt en mag delen in de vruchtbaarheid van de wortel, 18 dan moet u zich niet boven de takken verheffen. Als u dat doet, moet u goed bedenken dat niet u de wortel draagt, maar de wortel u. 19 Maar nu zult u tegenwerpen: ‘Die takken zijn toch afgebroken zodat ik geënt kon worden?’ 20 Zeker, ze zijn afgebroken vanwege hun ongeloof en u dankt uw plaats aan uw geloof. Wees daarom echter niet hoogmoedig, maar heb ontzag voor God: 21 als hij de oorspronkelijke takken al niet heeft gespaard, zou hij u dan wel sparen? 22 Houd daarom voor ogen dat God niet alleen goed is, maar ook streng. Hij is streng voor wie gevallen zijn, maar goed voor u – als u tenminste trouw blijft aan zijn goedheid, want anders wordt ook u afgekapt. 23 En als de Israëlieten niet volharden in hun ongeloof, zullen ook zij worden geënt, want God is bij machte hen opnieuw te enten. 24 Immers, als u die van nature een tak van de wilde olijfboom bent, tegen de natuur in op de edele olijfboom bent geënt, hoeveel eerder zullen dan zij die er van nature bij horen, op die boom worden geënt! – Romeinen 11:16-24 

Dit heldere beeld bouwt Paulus uit tot een les waarmee hij voor zijn heidenchristelijke medegelovigen een dringende waarschuwing verweeft:

  1. verhef u dan niet boven de takken (vers 18);
  2. niet u draagt de wortel (vers 19);
  3. wees niet hoogmoedig, maar heb ontzag! (vers 20);
  4. indien gij bij de goedheid blijft (vers 22);
  5. anders zult u ook weggekapt worden (vers 22).

Het is niet omdat de tot geloof gekomen heidenen nu bij God in een goed blaadje staan dat zij daar prat op mogen gaan. Of dat zij mogen neerkijken op weigerachtige joden. De tuinder (God) kan – als hij daartoe redenen ziet – de rollen gemakkelijk omdraaien.

Mysterie van Israëls behoud

Nu belandt de lezer bij het hoogtepunt van Paulus’ bewijsvoering waarbij hij een mysterie ontvouwt.

25 Er is, broeders en zusters, een goddelijk geheim dat ik u niet wil onthouden, omdat ik wil voorkomen dat u op uw eigen inzicht afgaat. Slechts een deel van Israël werd onbuigzaam, en dat alleen tot het moment dat alle heidenen zijn toegetreden. 26 Dan zal heel Israël worden gered, zoals ook geschreven staat: ‘De redder zal uit Sion komen, en wentelt dan de schuld af van Jakobs nageslacht. 27 Dit is mijn verbond met hen, wanneer ik hun zonden wegneem.’ 28 Ze zijn Gods vijanden geworden opdat het evangelie aan u kon worden verkondigd, maar God blijft hen liefhebben omdat hij de aartsvaders heeft uitgekozen. 29 De genade die God schenkt neemt hij nooit terug, wanneer hij iemand roept maakt hij dat niet ongedaan – Romeinen 11:25-29

Eigenwijsheid van heidenchristenen is voor hem taboe omdat Israëls gedeeltelijke verharding geen definitief karakter heeft. Het geldt slechts totdat alle heidenen – of hun ‘volheid’ – zijn toegetreden. Dat wil zeggen: als het evangelie is verkondigd aan alle volken (Matteüs 24:14). Zodra hun maximum getal of hun volheid dat ja zegt is bereikt dan zal via deze weg uiteindelijk ‘heel’ Israël (of zijn volheid) worden behouden.

verharding door Israël  →  aanneming door heidenen  →  jaloersheid van Israël

‘Heel’ Israël betekent hier niet alle joden maar het ‘overblijfsel’ – of de joden die Jezus aanriepen – samen met de ‘overigen’ die hem uiteindelijk zullen aanvaarden. De uitdrukking ‘heel Israël’ duidt in de Hebreeuwse Bijbel zo goed als nooit op de absolute totaliteit van Israël. Teksten als Deuteronomium 11:6, Jozua 8:24 en Ezra 2:70 gebruiken deze uitdrukking voor een deel van het volk dat zich op de een of andere manier in zijn handelwijze of keuze ten aanzien van God positief onderscheidt van andere volksgenoten. Deze uitleg kadert het best met Paulus’ betoog:

  1. geen hoogmoed door heidenenchristenen (verzen 18, 20 en 25);
  2. Israëls tekort door weigering gaat over in Israëls volheid via aanneming. Een waar opstaan uit de doden (vers 15);
  3. ‘heel’ Israël staat niet gelijk met Israël als volk of natie maar met hen die in het geloof antwoorden;
  4. God vergeeft Jakobs of Israëls zonde of hun huidige verharding (vers 26);
  5. eens verharde vijanden, later geliefden dankzij verkiezing (vers 28);
  6. het jaloers maken van Israël door God via de bekering van heidenen zal succes hebben (vers 29).

Gods ontferming over Israël

Paulus werkt in Romeinen 9-11 zijn betoog schematisch uit. Hij geeft het verloop van Gods heilsplan voor de wereld aan.

30 Zoals u God eens ongehoorzaam was, maar door hun ongehoorzaamheid Gods barmhartigheid hebt ondervonden, 31 zo zijn zij nu ongehoorzaam om door de barmhartigheid die u ondervonden hebt, ook zelf barmhartigheid te ondervinden. 32 Want God heeft ieder mens uitgeleverd aan de ongehoorzaamheid, opdat hij voor ieder mens barmhartig kan zijn – Romeinen 11:30-32 

Duidelijker kan hij nauwelijks zijn. Ondanks de viervoudige vermelde ongehoorzaamheid aan beide kanten – van joden én van heidenen – onderstreept hij viervoudig Gods barmhartigheid! Wat groots van Gods kant!

Er is Paulus alles aan gelegen om misverstanden bij zijn Romeinse heidenchristenen te voorkomen. Stap voor stap probeert hij hen te overtuigen:

Fase 1    In Egypte ontfermt God zich over Israël waarbij Israël gehoor geeft maar de volken dat niet doen;

Fase 2    God zendt de messias die door een deel van Israël (het overblijfsel) wordt aanvaard maar door een ander deel (de overigen) wordt afgewezen;

Fase 3    God richt zich tot de heidenen en verdooft het verharde deel van Israël;

Fase 4    Als het maximum aan heidenen dat het evangelie aanvaardt is bereikt maakt God het verharde deel van Israël jaloers en vergeeft hij hen. Dan komt ‘heel’ het gelovige Israël – of het overblijfsel en de overigen die het evangelie uiteindelijk aanvaarden – tot behoud;

Conclusie  Over allen – heidenen en joden die eens afwijzend stonden – heeft God zich ontfermd. Allen die ja zeiden, zeggen en zullen zeggen, mogen Gods ontferming ervaren en worden behouden. Omdat Gods liefde zich dus uitstrekt tot alle mensen –  heidenen en joden – eindigt Paulus met een onvoorstelbare mooie ode aan God: 

33 Hoe onuitputtelijk zijn Gods rijkdom, wijsheid en kennis, hoe ondoorgrondelijk zijn oordelen en hoe onbegrijpelijk zijn wegen. 34 ‘Wie kent de gedachten van de Heer, wie was ooit zijn raadsman? 35 Wie heeft hem iets gegeven dat door hem moest worden terugbetaald?’ 36 Alles is uit hem ontstaan, alles is door hem geschapen, alles heeft in hem zijn doel. Hem komt de eer toe tot in eeuwigheid. Amen – Romeinen 11:33-36 

Ter afronding

Bij herhaling waarschuwt Paulus zijn heidenchristelijke lezers te Rome (en daarmee ook op andere locaties) zich niet eigenwijs, arrogant of superieur te gedragen tegenover de joden van zijn tijd. Het loopt met Israël anders af dan dat zij zich voorstellen: het behoort tot Gods geheim en wijsheid die moeilijk te doorgronden zijn. Rabbi Paulus en apostel voor de heidenen hoopt op mildheid, begrip, openheid, vriendschap, verzoening en liefde van heidenchristenen ten aanzien van joden zodat hierdoor God als hun aller Heer wordt geëerd.

error: Alert: Content is protected !!