9.2.4 Wie veroordeelde Jezus? 2

Ontdekken van de verantwoordelijken voor de veroordeling van Jezus van Nazaret. Waren het de Romeinen en of de Joden?

(Deze studie is een kopie van en ook te vinden als 1.2.3 Wie veroordeelde Jezus? 2)

Inleiding

Wil de geïnteresseerde lezer een zo correct mogelijk antwoord kunnen geven op deze vraag dan hoort hij of zij  – zoals in de vorige bijdrage (Wie veroordeelde Jezus? 1) werd gesteld – de evangelieteksten eerst uiterst nauwkeurig te lezen, te analyseren en te interpreteren. Na deze leesoefening in tekstuitleg (of exegese) dient de lezer alle mogelijke historische achtergrondinformatie van de evangeliën en de rabbijnse geschriften te raadplegen. In deze uiterst ernstige zaak – waarbij onder christenen helaas het idee overheerst dat het hele Joodse volk verantwoordelijk was voor Jezus’ dood – moet de lezer vrij kunnen beslissen wat hij of zij het meest logische antwoord vindt. De christelijke theologie zou in deze niet het eerste noch het laatste woord horen op te eisen.

 

In de vorige bijdrage kwamen in het kader van Jezus’ veroordeling de onderwerpen tempelcomplex, sanhedrin en sadduceeën aan bod. Hier is het de beurt aan de Romeinen, het volk en de farizeeën.

 

Romeinen en Jezus

In het hele imperium traden Romeinen op als beschermheren van heilige plaatsen en dus ook van Jeruzalems tempel die zij uiterst tactvol bejegenden. De keizer had er zelf belang bij om ook de Joodse God aan zijn kant te hebben. Zo ondersteunde keizer Augustus de Joodse tempel financieel en werden daarin dankoffers voor hem gebracht. Daar de Romeinen bij interne Joodse religieuze twisten niet tussenbeide kwamen richtten de met Rome collaborerende hoofdpriesters juist daarom de aandacht van de procurator (of prefect) op Jezus’ bewering omtrent de toekomstige vernietiging van de tempel. Beducht voor alle mogelijke messiaanse opstanden – zij hadden er immers veel macht en geld bij te verliezen – onderstreepten zij Jezus’ (zogenaamde) bewering de messias te zijn terwijl hij dat zelf op geen enkele manier pretendeerde. De ene keer zweeg hij in alle talen en de andere keer schoof hij met ‘dat zeg jij’ de verantwoordelijkheid daarvoor op diegene die hem dat wilde laten beweren. Deze leden van de tempelaristocraten voegden er nog de volstrekt onjuiste beschuldiging aan toe dat Jezus het volk had verboden om belasting aan de keizer te betalen.[1] De Romeinen zouden hem daarvoor zwaar hebben kunnen straffen maar Jezus bleek zich op geen enkele manier tegen hen te verzetten noch zijn volksgenoten ertoe aan te zetten.

 

Pontius Pilatus

De vier evangeliën verhalen unisono dat Jezus op de vrijdagochtend van het Paasfeest door de tempelleiding voor procurator Pilatus werd voorgeleid. Deze had zijn hoofdkwartier in de havenstad Caesarea maar hij was afgereisd naar Jeruzalem en had zijn intrek genomen in het pretorium dat deel uitmaakte van Herodes’ burcht.[2] De beperkte ruimte voor het pretorium kon nauwelijks meer dan een honderdtal mensen bevatten. Rekening houdend met de aanwezige officieren en soldaten konden de aanwezigen slechts een beperkte groep mensen bij. Dat waren naast de sadducese hoofdpriesters en oudsten mensen die met hen waren meegekomen. Mogelijk waren er ook pelgrims uit de diaspora bij die de opschudding bij het pretorium hadden opgemerkt maar noch Jezus kenden noch op de hoogte waren van de corruptheid van de tempelleiding. Afgezien van mogelijk enkele vrijheidsstrijders waren er nauwelijks andere joden en zeker geen farizeeën aanwezig. Deze laatsten wilden op die dag beslist geen contact met onbesnedenen. Het zou hen ongeschikt maken om deel te nemen aan de tempeldienst van Pasen. Beweren dat het hele volk voor de Romeinse procurator stond is dus volledig uit de lucht gegrepen.

 

Uit historische bronnen blijkt dat Pilatus een onbuigzaam en wreed heerser was. Alleen als hij onder uitermate grote druk stond van het Joodse volk haalde hij bakzeil. De evangelisten melden echter dat deze Romeinse heerser zijn best deed om Jezus vrij te laten. Hij zag helemaal geen kwaad in deze voor hem wereldvreemde en voor Rome ongevaarlijke schriftgeleerde uit de verre Galileïsche provincie.

 

Barabbas ging vrijuit

De procurator was van plan enkele vrijheidsstrijders of zeloten waaronder Barabbas op het Joodse paasfeest te laten executeren. Zo kon hij het gezag van Rome weer eens laten gelden. Het lag voor de hand dat dit onder het volk tot onlusten kon leiden. De hoofdpriesters zagen dat liever niet gebeuren. Zij hadden er alle belang bij dat het tijdens het paasfeest in het tempelcomplex rustig bleef. Jaarlijks heerste er immers in die week in het door de pelgrims overspoelde Jeruzalem een broeiende en niet ongevaarlijke sfeer. Als Barabbas in leven zou blijven dan konden er opstoten of erger worden vermeden. De zeloten onder het publiek wensten trouwens ook Barabbas’ vrijlating.

 

Staande voor het pretorium spoorden de hoofdpriesters de aanwezigen aan om met het roepen van ‘kruisig hem, kruisig hem’ Pilatus onder druk te zetten. Hoewel hij in Jezus geen actieve opstandeling, onruststoker of militaire vijand zag liet hij hem toch kruisigen. Een straf voor politieke opstandelingen (en slaven) maar nooit voor veroordeelde Romeinse burgers want die werden onthoofd.

 

Het volk en Jezus

De verklaring van het kleine aantal mensen voor het pretorium tegenover Pilatus dat riep ‘zijn bloed kome over ons en over onze kinderen’ mag niet worden gezien – zoals men dat gewoonlijk doet – als een zelfverwensing of een vervloeking over henzelf en over hun hele volk. Die opvatting heeft 2.000 jaar lang zijn verschrikkelijke sporen nagelaten. Sommige christenen en theologen hebben niet alleen de vele joodse vervolgingen en pogroms als een terecht uitvloeisel van die uitspraak gezien maar zelfs de catastrofe van de holocaust! Binnen de theologische verhaalopzet van Matteüs moet die uitspraak integendeel juist positief worden geduid als ‘zijn bloed zal dienen tot vergeving van onze zonden en die van onze kinderen’.[3]

 

Het gros van het volk dat Jezus altijd op handen droeg – vanwege zijn leer, zijn genezingen, zijn bewogenheid en weldaden voor kwetsbare mensen, zijn tempelreiniging, enz. – was helemaal niet blij met het Romeinse vonnis. En dat blijkt ook tijdens de uitvoering ervan. Jezus werd gegeseld en daarna door soldaten die hem flink bespotten van Pilatus’ pretorium naar de plaats van executie gebracht. Uitgeput droeg hij met heel veel moeite het patibulum (Latijn) of de stauros (Grieks) op zijn schouders. Dat was de 40kg wegende dwarsbalk. Veel mensen volgden hem en sloegen zich op de borst. Het was een symbolische handeling die erop wees dat zij heel verdrietig waren over deze gang van zaken. Jezus merkte de empathie van deze Jeruzalemmers op en zei hen dat zij zich niet om hem hoefden te bekommeren.

 

Op de plek van de terechtstelling spijkerden de soldaten hem met gespreide armen op de grond liggende balk. Daarna hesen zij hem op de aanwezige verticale paal. Na het dobbelen verdeelden zij zijn kleding onder elkaar. In Pilatus’ opdracht bevestigden de soldaten boven de terechtgestelde Jezus het opschrift ‘de koning van de Joden’ en dat was o.a. bedoeld als afschrikking voor alle mogelijke vrijheidsstrijders. De hoofdpriesters en de oudsten hoonden hem en opnieuw dreven de soldaten de spot met hem. Intussen keek het machteloze volk naar dit schouwspel. Nadat Jezus gestorven was gingen de toegestroomde mensen terug naar huis terwijl ook zij zich – als teken van droefheid en rouw –op de borst sloegen.

 

Farizeeën en Jezus

In de afgelopen 2.000 jaar werden de farizeeën vaak samen in één adem genoemd met de sadduceeën als verantwoordelijken voor Jezus’ veroordeling. Dit was en is meestal het gevolg van een verkeerde inschatting van de relatie van de farizeeën met Jezus én vooral van een onvoldoende kennis van het toenmalige rabbijnse jodendom. Vaak beseft men niet dat felle woordenwisselingen onder joodse schriftgeleerden en gelovigen toen gebruikelijk waren en dat trouwens ook nu nog zijn. De twistgesprekken en discussies tussen farizeeën en Jezus worden door bijbellezers maar al te vaak als zeer negatief gekwalificeerd. Die zogenaamde spanning wordt heel sterk overtrokken. Velen concluderen dat zij erop uit waren om Jezus uit de weg te ruimen. Het was niet omdat er wederzijds harde woorden klonken (en klinken) dat zij elkaars vijanden waren. Niet de farizeeën – die uit alle groepen van de samenleving voortkwamen (waaronder veel priesters van de lagere geestelijkheid) – gedroegen zich als Jezus’ vijanden maar dat deden de sadduceeën. Farizeeën kwamen hem zelfs waarschuwen dat Herodes Antipas’ hem wilde doden. Tevens bleven zij hem op hun maaltijden uitnodigen.

 

Hoewel Jezus met farizeeën en hun schriftgeleerden – die de ruggengraat van de farizese beweging vormden – veel gemeen had en hun leer aanprees was hij het oneens met sommige van hun praktijken. Dat hij niet de enige was die daar kritiek op had en hen de les las blijkt uit het feit dat farizeeën dat onderling ook deden. Meer dan eens ontstond er soms een felle (woorden)strijd tussen de leden van Bet (d.i. huis) Sjammai en Bet Hillel. Dat waren de leerhuizen van de twee beroemde schriftgeleerden Sjammai en Hillel van net voor en aan het begin van de gewone jaartelling. In Jezus’ tijd stelden de aanhangers van de eerste school zich hard en soms zelfs agressief op als het ging om de toepassing van de thora. De tweede hield er zeer inschikkelijke en humane opvattingen op na. Tussen de jaren 30 voor de gewone jaartelling tot het jaar 70 kruisten zij de verbale degens over zo’n 350 zaken.

 

Discussies tussen farizeeën onderling deden soms in felheid niet onder voor Jezus’ woorden in Matteüs 23 tegen hen en hun schriftgeleerden. Het ziet er sterk naar uit dat juist zij bij de school van Sjammai hoorden. Als Jezus op grond van zijn interpretatie van Mozes’ thora deze farizeeën van schijnheiligheid betichtte en opriep tot barmhartigheid dan stond hij daarin niet alleen want dat deden Hillels leerlingen ook. Farizeeën waren er zich echt wel van bewust dat er ook onoprechte figuren onder hen rondliepen die zij dan ook scherp berispten.

 

Farizese gerechtsregels

Zorgvuldig lezen van de evangeliën leert dat farizeeën geen deel hadden aan Jezus’ veroordeling noch aan zijn overlevering. Hun gedragsregels omtrent het voeren van processen stonden hun dat niet toe. Hoewel de rabbijnse geschriften waarin die regels staan van een latere datum waren moeten zij al geruime tijd in zwang zijn geweest. Daaruit blijkt dat farizeeën qua straffen zeer mild waren in tegenstelling tot hun heel strenge sadducese tegenstanders. Volgens farizese regels mocht een halszaak door het sanhedrin nooit op een feestdag voorkomen en evenmin op één dag worden afgehandeld. Na het drinken van de vier bekers wijn tijdens de sedermaaltijd mochten farizeeën trouwens niet aan een rechtszitting deelnemen.

 

Farizeeën mochten in halszaken dus alleen overdag procederen en dat enkel en alleen in ‘de zaal van de gehouwen steen’ binnen het tempelcomplex. In de zaak van Jezus speelden alle besprekingen zich echter ‘s nachts af én in het huis van de sadducese hogepriester. De beslissing van de aanwezigen om Jezus aan de Romeinen uit te leveren kon de goedkeuring van farizeeën nooit hebben gekregen. Een Joods volksgenoot gaf men toch niet in handen van onbesnedenen! Het is dan ook niet verwonderlijk dat in de evangeliën Matteüs, Marcus en Lucas de farizeeën in Jezus’ zaak helemaal ontbreken.

 

Geen officiële zitting

Johannes zwijgt zelfs over een eventuele zitting van het sanhedrin en Lucas vermeldt met geen woord de uitspraak van de hogepriester die als voorzitter moest fungeren. Nachtelijk tijdstip, de plaats van ondervraging in het huis van de hogepriester, de hoofdpriesters als opdrachtgevers bij de uitlevering aan de Romeinen geven alle te kennen dat het bij Jezus’ veroordeling niet om een officiële zitting ging. Daar komt nog bij dat Jezus niet werd begraven op één van de twee begraafplaatsen die door het sanhedrin waren bestemd voor de lijken van terechtgestelden. Twee raadsleden Jozef van Arimatea en Nikodemus (één van de drie rijkste patriciërs van de stad) bewezen de laatste eer aan Jezus. Hieruit kan de lezer concluderen dat het absoluut onjuist is om te denken dat alle bestuursleden van het Joodse volk eenparig zouden hebben besloten om Jezus aan de Romeinen uit te leveren.

 

De stelling dat het toch om het volledige sanhedrin ging omdat in de verhalen telkens het trio hoofdpriesters-oudsten-schriftgeleerden wordt vermeld snijdt geen hout. Wijlen prof. dr. David Flusser – hoogleraar Nieuwe Testament en Vroegchristelijke literatuur aan de universiteit van Jeruzalem – wees dit argument resoluut van de hand. Hij stelde dat deze vermelding niet naar de drie hoofdgroepen van het sanhedrin verwees maar naar een formele omschrijving van de tempelcommissie of de tempeladministratie die de meeste activiteiten van het Sanhedrin uitvoerden. De in de teksten genoemde oudsten waren de oudsten onder de hoofdpriesters. De vermelde schriftgeleerden waren niet de farizeeën maar de tempelsecretarissen en bestuurders die eveneens bij de hoofdpriesters hoorden. Al deze sadduceeën legden dankzij hun hoge bestuursfuncties in het sanhedrin het grootste gewicht in de schaal. Ondanks het feit dat de farizeeën daarin de grootste joodse groepering vormden konden de sadduceeën meestal hun zin doordrijven. Dit was zeker zo in Jezus’ zaak waarbij zij de regels overtraden zodat farizeeën er niet aan konden deelnemen. Gezien de hogepriester zeer snel tewerk wilde gaan riep hij de sadduceeën samen om over het vereiste quorum van drieëntwintig leden te beschikken. Waarom zouden farizeeën er op uit zijn om Jezus te laten ombrengen terwijl hij hun eigen leer aanprees? Dat hij omtrent liefde, wetsgetrouwheid, barmhartigheid en vergeving van zonden soms andere accenten legde kon daar evenmin een reden toe zijn.

 

Kortom

Noch het volledige sanhedrin, noch de farizeeën waren schuldig aan Jezus’ uitlevering en terechtstelling. Voor het eerste waren de sadduceeën aansprakelijk voor het tweede de Romeinen. Het joodse volk komt als schuldige absoluut niet in aanmerking. Enthousiast verwelkomde het Jezus in hun hoofdstad want het droeg hem op handen vanwege zijn vele weldaden voor het gewone volk. In de tempel hing het aan zijn lippen en met veel empathie beklaagde het hem tijdens zijn lijdensweg naar zijn executie. Bij zijn sterven sloeg het zich daar verdrietig en al rouwend op de borst.

 

Nasleep

In de jaren na Jezus’ executie kregen zijn volgelingen nog serieuze problemen met de sadduceeën. Zo werden zijn intimi Petrus en Johannes door de sadducese tempelcommandant en de hoofdpriesters gearresteerd en gevangenzet. Tijdens hun dagvaarding kregen zij de verdediging van de schriftgeleerde Gamaliël die een van farizese leiders in het sanhedrin was. Gevolg? Beiden werden vrijgelaten. Later redde (de farizeeër) Paulus zich tijdens de aantijgingen van de hoofdpriesters in het sanhedrin door een beroep te doen op de steun van de farizeeën. Een geslaagde poging!

 

In het jaar 62 slaagden de sadduceeën er echter wel in om Jezus’ broer Jakobus en andere leerlingen voor (zogenaamde) wetsovertredingen te veroordelen en te stenigen. Hogepriester Annas II (of Ananus) maakte gebruik van de afwezigheid van een procurator in het Joodse land door alleen de sadducese leden van het sanhedrin op te roepen. Verontwaardigd en verbolgen benaderden de buitenspel gezette farizeeën de vanuit Alexandrië onderweg zijnde procurator Albinus en ook de Joodse viervorst Agrippa II. Albinus reageerde woedend en Agrippa zette de hogepriester uit zijn ambt! Dit bewijst dat de farizeeën zelfs ruim dertig jaar na Jezus’ executie zich tegen de sadduceeën verzetten en voor diens volgelingen opkwamen.

 

Ter afronding

Hoewel de evangeliën geen objectief verslag van de gebeurtenissen geven omtrent Jezus’ veroordeling is het toch helder wie de verantwoordelijken ervoor waren: een kleine groep van machtige sadducese tempelbestuurders van hoofdzakelijk hoofdpriesters – nu en dan bijgestaan door oudsten – rond de hogepriester Kajafas. Samen hielden zij de schijn op van een formeel proces. Bevreesd voor het verlies van hun macht, hun geld en hun invloed bij de Romeinse overheid leverden zij Jezus uit aan de procurator. Samen met de Romeinen waren de sadduceeën schuldig aan Jezus’ veroordeling met dodelijke afloop. Het Joodse volk dat achter Jezus stond en de farizeeën die er echt niet aan bijdroegen gingen beiden volledig vrijuit.

 

Vervolg aanbevolen literatuur

J.B. Doukhan, Joden en christenen: wat ons bindt. Twee stemmen voor dezelfde God, Huis ter Heide 2016 (vertaling van Israel and the Church: Two voices for the same God, Peabody 2002) H. Falk, Jesus the Pharisee. A New Look at the Jewishness of Jesus, New York 1985

  1. Goodman, Rome and Jerusalem. The Clash of Ancient Civilizations, London 2007
  2. van Goudoever, ‘In het teken van het kruis’ in: Zoals er gezegd is over het kruis 23, Hilversum 1968, 144-152
  3. Jeremias, Jérusalem au temps de Jésus. Recherches d’histoire, économique et sociale pour la période néo-testamentaire, Paris 1967 (vertaling van Jerusalem zur Zeit Jesu, Göttingen 1967) i.h.b. 205-356
  4. Küng, Jesus, München 2012

A-J. Levine & M. Zvi Brettler (eds), The Jewish Annotated New Testament. New Revised Standard Version Bible Translation, Oxford 2011

G.F. Moore, Judaism in the First Centuries of the Christian Era, Volume I, New York 1971

  1. Safrai, ‘Jewish Self-government’, in: S. Safrai and M. Stern (eds), The Jewish Temple in the First Century, Volume One, Assen 1974, 377-419
  2. Safrai, ‘The Temple’, in: S. Safrai and M. Stern, M. (eds), The Jewish Temple in the First Century, Volume Two, Assen / Amsterdam 1976, 865-907

E.P. Sanders, Jesus and Judaism, Minneapolis 1985

W.R. Wilson, The execution of Jesus, New York 1970

 

Voetnoten

[1] Zie 1. Jezus van Nazaret 1.1. Kennismaken 1. Jezus en Tiberius

[2] Of was het pretorium op de burcht Antonia gesitueerd?

[3] D. Monschouwer, ‘Zijn bloed op ons’ (Mat. 27:25) in: Interpretatie. Tijdschrift voor bijbelse theologie, 6.2, Zoetermeer 1998, 8-11

 

error: Alert: Content is protected !!