9.1.1 Heilige schriften voor joden en christenen

Kennismaken met de eigenheid van de Hebreeuwse Bijbel en van het Griekse Nieuwe Testament en met hun onderlinge verwantschap. 

Inleiding

Leden van de joodse gemeenschap van over de hele wereld lieten en laten zich inspireren en onderrichten door teksten die het licht zagen in perioden waarin Egyptische, Assyrische, Babylonische en Griekse culturen op hun hoogtepunt waren. Christenen zijn hen daarin gevolgd en hebben er teksten aan toegevoegd die ontstonden in de Grieks-Romeinse wereld van de eerste eeuw van onze jaartelling.

Aan de basis van deze teksten bevinden er zich het geloof, de visie en de ethiek van Israëlitische en Joodse schrijvers die verantwoordelijk waren voor de uitgave van de geschriften van de Hebreeuwse Bijbel en van wat men gewoonlijk het Nieuwe Testament noemt. Het is de moeite waard om te onderzoeken hoe de kennis van deze teksten kan bijdragen aan een toenadering, dialoog en gezamenlijke aspiratie van beide geloofsgemeenschappen.

Gemeenschappelijk geloof, hoop en liefde

De Hebreeuwse Bijbel vormt het verbindingsteken tussen joodse en christelijke gemeenschappen. Zij ontmoeten er hun God, die zich in zijn zelfopenbaring richt tot de schepping, tot de volken en tot individuele mensen. Het gaat om een God, die door middel van deze als heilig beschouwde bladzijden, zijn verlangen uit om in contact te treden met elke mens om zijn partner te worden ten einde de schepping te bewaren, de harmonie tussen mensen te bevorderen en dit met het oog op blijvende vrede en gerechtigheid.

Unieke God

Die God wordt door de schrijvers – profeten, dichters en wijzen – aan hun lezers gepresenteerd om hun vertrouwen op te wekken en aan te sporen tot een ethiek die doordrongen is van liefde en tevens een visie bij te brengen van hoop in het dagelijkse leven. Dit geloof heeft zijn centrum in een God die gelijktijdig van ver af is (transcendent) en van dichtbij (immanent) is: een scheppende, bevrijdende en zich openbarende God.

De termen, woorden en uitdrukkingen van diens verbond verwijzen naar een geheel van gewoonten, regels en normen (of referentiekader) waarnaar men zich richt. Daarnaast helpen ook de verbondshelden zoals Noach, Abraham, Jakob, Mozes, Jozua, David, Hizkia en Josia – om er een aantal te noemen – te ontdekken dat deze God wil begrepen worden als een rationeel en existentieel God die op zoek is naar de mens om hem te kunnen ontmoeten.

De mens in het hier en nu

De Hebreeuwse teksten ontwikkelen eveneens het thema van de hoop. Deze focust op een verwachting naar een ideaal land of een ideale wereld met nakomelingen die er zich kunnen vestigen. En daarnaast op een leven na de dood maar bovenal op het geluk van de mens in het hier en nu. De wijzen van de Hebreeuwse Bijbel schilderen beelden met het oog op de verwerkelijking van liefde, gerechtigheid en vrede voor zowel Israëliet als vreemdeling en voor zowel hun eigen volk als voor de volken van de wereld.

Gemeenschappelijke ervaring

Joodse en christelijke gemeenschappen nemen – ieder op hun eigen wijze en volgens hun eigen inzichten – deze hoofdlijnen van de geschriften serieus. En dat in de vijf boeken van Mozes (thora), de profeten (neviim) en de overige geschriften (chetoebim) gaande van Genesis over Maleachi tot aan Kronieken. Beide gemeenschappen hebben de normen en principes van liefde en recht vanuit deze Hebreeuwse Bijbel verdedigd met – zoals verwacht mag worden – een deel van de mislukkingen die nu eenmaal bij alle menselijke pogingen horen. Het vormt een interessante uitdaging om te onderzoeken in welke mate het begrijpen door de ene gemeenschap nuttig zou kunnen zijn voor dat van de andere gemeenschap. Beiden zijn immers onderweg en worden door diezelfde teksten vergezeld.

Hebreeuwse Bijbel

Niet Grieks-Romeinse God

Waarom zou de christelijke gemeenschap zich niet aan de voeten van joodse wijzen zetten die – als oudere broeders – zoveel ervaring hebben met dit heilige boekwerk, dat de christenen het ‘Oude Testament’ noemen. Dan zouden juist die laatsten hun kennis verdiepen van die God van het Oude Israël. Hij wordt erin voorgesteld als heer van de geschiedenis, als rechter over allen en als beschermer van armen en ongelukkigen. Hun Hebreeuwse inzicht in de namen van hun God zou kunnen bijdragen tot een nauwkeuriger zicht op deze niet Grieks-Romeinse God als diegene die handelt in het verleden, het heden en de toekomst. De overtuiging dat zijn eigenschappen tot uitdrukking komen in zijn namen (de heilige, de rechtvaardige, de barmhartige, … ) kan bijdragen tot het beter begrijpen van deze unieke God. Bovendien fungeren zijn namen als programma’s (van heiligheid, rechtvaardigheid, barmhartigheid, …) om door gelovigen in hun leven te worden gerealiseerd,

Holistische mens

Het antropologisch-dualistisch westers begrip van de mens – met een superioriteit van de geest boven het lichaam – dat christenen meestal hebben zou plaats kunnen ruimen voor het Hebreeuwse begrip van de mens in zijn totaliteit als beeld Gods. Dat legt immers niet de nadruk op de geest maar op de hele persoon als een holistisch wezen waarbij de geest niet de overhand krijgt ten koste van het lichaam.

Realistische bestemming

Het uitdrukkelijke verlangen van de bijbelse God naar gerechtigheid en zijn strijd tegen armoede en onderdrukking zou dan terecht terrein winnen. Zo zou men in christelijke kringen kunnen leren dat de Bijbelse gerechtigheid die zijn oorsprong heeft in het Hebreeuwse woord ‘tsedāqā’ veel meer inhoudt dan het gebruikelijke westerse begrip van gerechtigheid dat uit het Grieks stamt (dikaiosu,nh). De christelijke lezers zouden gaan inzien dat de bestemming van de mens niet in een toekomstig leven in de hemel te zoeken valt. Het gaat daarentegen om het geluk ‘hier beneden’ op aarde met zijn vreugden en noden. Het hemels ideaal kan dan worden gerealiseerd door de inzet van de mens als schepsel en vertegenwoordiger van God. Zo zouden zij zich beter de grote daden van God uit het verleden kunnen herinneren door de viering van de Bijbelse feesten.

Belichting van binnenuit

Natuurlijk geeft het bovenstaande geen totaalbeeld. Integendeel, de diepten van de Hebreeuwse geschriften reiken ver uit boven een dergelijke korte opsomming. Wat echter duidelijk moet zijn, is dat de joodse lezing ervan niet anders kan dan christelijke lezers verrijken. Net zoals hun joodse geloofsgenoten dienen zij een historische, aardrijkskundige, sociologische en culturele kloof – tussen het hier en nu van onze postmoderne wereld en het toen en daar van de Bijbelse wereld – te overbruggen die hen van de bijbelschrijvers scheidt. Christelijke lezers hebben daarbij echter het nadeel dat zij deze teksten als outsiders lezen terwijl joodse lezers dat van binnenuit doen. De antropologische en godsdienstige begrippen van de Hebreeuwse Bijbel zijn hen niet zo vreemd omdat zij deze zich al gedeeltelijk of geheel hebben eigen gemaakt.

Levende woord van God

Joodse gelovigen kunnen daarom de rol van gids vervullen op deze bijbelse weg van geloof, hoop en liefde. “En dit ‘oude testament’ is voor de jood het altijd eeuwige actuele Woord van zijn God, het is voor hem ‘viva vox dei’ (= het levende woord Gods – nvdr) – en de christen zou er niet slechts waarde aan moeten hechten voor de jood, maar zou het eveneens ernstig moeten nemen voor zijn eigen geloof en zijn eigen leven als het steeds jonge Woord van God – en zelfs als ‘viva vox dei’”.[1]

Nieuwe Testament

Joodse auteurs

Hebben christenen dan helemaal niets te bieden bij een gesprek met joden? Moeten zij zich slechts de weg laten wijzen? Of kunnen ook zij deelnemen aan dit avontuur van geloof, hoop en liefde? Kan hun kennis van het Nieuwe Testament aan dit gemeenschappelijke ideaal bijdragen? Het antwoord daarop is zeer zeker positief. Dat is het al in de eerste plaats omdat deze nieuwtestamentische geschriften op en top joodse teksten zijn. Al haar schrijvers met inbegrip van Lucas[2] waren joden die deel uitmaakten van de synagogale gemeenschap van de eerste eeuw van onze jaartelling. Zij namen deel aan de Israëlitische godsdienst van de farizese stroming met als ideaal om een hervorming teweeg te brengen en alle joden terug te voeren tot het geloof van Mozes. Zij vierden de feesten in de tempel, namen deel aan de synagogale diensten, vierden de wekelijks sjabbat en onderwezen de thora aan het gewone volk van het land (`am-hā-ārèts).

Oudtestamentische afhankelijkheid

De boeken van de nieuwtestamentische auteurs getuigen van een exclusieve afhankelijkheid van de Hebreeuwse Bijbel. Zonder deze laatste kan men dit Griekse Nieuwe Testament niet op zijn juiste waarde begrijpen. Zijn woordenschat, begrippen en gedachten komen er bijna uitsluitend uit voort. Er zijn tenminste 1000 toespelingen op het Oude Testament en niet minder dan 250 woordelijke citaten. Meer dan 40 van zijn hoofdstukken worden in het Nieuwe Testament aangehaald. Zo zijn er bijvoorbeeld van de 404 verzen van de Openbaring als laatste nieuwtestamentisch geschrift 278 die de Hebreeuwse Bijbel citeren of er een toespeling op maken. Dat is dus zowat twee derde ervan! Voor de nieuwtestamentische schrijvers bleef de Hebreeuwse Bijbel de onbetwistbare Heilige Schrift en de Bijbel van hun leermeester Jezus. Zij wilden er absoluut geen ander geschrift van maken, noch een beter of hoogstaander produceren. Hun auteurs beschouwden hun teksten als commentaren die de heilige teksten van Israël ondersteunden, benadrukten en verdiepten.

Joods commentaar

Het spreekt dus vanzelf dat de verzameling van nieuwtestamentische geschriften de echo vormen van het geloof, de verwachting en de liefde van joodse gelovigen. Men kan er een legitieme interpretatie in vinden van de Hebreeuwse teksten, net zoals de Misjna en de Gemara commentaren en uitwerkingen zijn van hun inhoud. Joodse gelovigen van vandaag hebben met het Nieuwe Testament niet met een verzameling van boeken te maken die vreemd zijn aan het geloof van hun gemeenschap. Integendeel. Het zijn joodse teksten die hen feitelijk toebehoren en die licht werpen op de joods godsdienstige praktijk van de eerste eeuw van onze jaartelling.

Mozaïsche leer

Joodse lezers zullen er de rabbijn Jezus van Nazaret en zijn leerlingen in ontmoeten die de joodse bevolking van toen opriepen om tot God terug te keren en strikter te leven volgens Mozes’ thora. Verschillende Sinaïgeboden worden in het Griekse Nieuwe Testament vermeld, verklaard, ontwikkeld en zelfs verdedigd op de wijze van de profeten. Hun theologisch en ethisch onderricht is wezenlijk mozaïsch. De God van Israël wordt erin geprezen, geëerd en aanbeden. De joodse geschiedenis en zijn waarden worden erin noch aangevallen noch afgeschaft. Hun soms harde uitspraken weerspiegelen niets anders dan een levendige (farizese) discussie onder joden en zijn niet gericht tegen het jodendom als dusdanig.[3]

Geloof der Vaderen

Zelfs Paulus, de schrijver van een aanzienlijk deel van het Nieuwe Testament, was een rabbijn met een farizese opleiding[4] en hoorde bij de synagogale gemeenschap die in haar midden ontelbare niet- joodse sympathisanten – de zogenaamde ‘godvrezenden’ – verwelkomde.[5] Hij deed niets anders dan het geloof van de joodse vaderen verspreiden. In zijn ijver en enthousiasme, beschouwde hij zich als een afgezant van zijn meester, rabbi Jezus uit Nazaret. In de geest van de profeten verkondigde hij (zoals Jesaja, Zefanja en Maleachi en anderen)[6] dat de volken zich op een dag zullen verzamelen om Israëls God te aanbidden.

Griekse woorden verkeerd begrepen

Dat deze apostel maar al te vaak verkeerd wordt begrepen komt onder andere omdat hij in het Grieks schreef en zich hoofdzakelijk tot een hellenistisch publiek richtte. Die Griekse woordenschat bevatte Hebreeuwse begrippen die veel te veel op zijn westers werden (en worden) begrepen. Woorden zoals wet, gerechtigheid, volmaakt, enz. kregen daardoor een bijbetekenis die vreemd was aan hun oorspronkelijke Hebreeuwse betekenis. Daar komen bij de christelijke lezers uit een Grieks-Romeinse cultuur die talrijke misverstanden vandaan. Op die manier, wekte hij de indruk met de joodse traditie te breken en dat was absoluut niet zijn bedoeling.[7]

Joodse aandacht

Dat de auteurs van het Nieuwe Testament een messiaans geloof verspreidden dat slechts door een gedeelte van de joodse gemeenschap werd overgenomen, zou geen obstakel moeten vormen voor de joodse lezers van vandaag. Het feit dat de beroemde rabbijn Akiba zich vergiste door Bar Kochba als dé messias aan te duiden, heeft de belangstelling voor zijn onderwijs bij opeenvolgende joodse generaties tot op vandaag niet kunnen verhinderen. Waarom zouden de rabbijnen Jezus en Paulus niet enige aandacht mogen krijgen van de hedendaagse leden van hun eigen volk?

Conclusie

Joodse en christelijke gemeenschappen zouden beiden winst boeken als zij meer tijd en belangstelling zouden besteden aan hun wederzijdse geschriften. Christenen zouden verrijkt worden en zouden hun eigen geloof – waarvan de wortels door-en-door joods zijn – beter leren begrijpen. Het is heel goed mogelijk dat hun visie dichter bij de oorspronkelijke boodschap van Jezus en Paulus zou aanleunen. Bij het lezen van het ‘joodse’ Griekse Nieuwe Testament, zouden gelovige joden van hun kant meer inzicht krijgen in wat hun christelijke geloofsgenoten bezielt. Tevens zouden zij verrijkt worden door de visie van een messiaans-joodse stroming die tot hun eigen erfgoed behoort. Deze twee oefeningen kunnen de onderlinge relatie bevorderen en beide gemeenschappen helpen deelgenoot te worden van elkaars geloof, elkaars verwachtingen en elkaars liefde, zoals die onderwezen worden in hun heilige schriften. Het komt er slechts op aan om het te doen! De God van beide gemeenschappen zal er beslist zijn zegen aan geven.

Voetnoten

[1] H. Kremers, Juden und Christen liesen dieselbe Bibel, Duisburg 1977, 11

[2] W. Barnard en P. van ‘t Riet, Lukas de Jood, Kampen 1984

[3] Matteüs 5: 18-19; 23:23

[4] H. Falk, Jesus the Pharisee, New York, 1985, 158

[5] Handelingen 23: 6

[6] Jesaja 2:2-5; Zefanja 3:9-11; Zacharia 14:16-19

[7] P. Lapide, Paulus, rabbi en apostel, Kampen 1988, 35. Zie ook Romeinen 9:1-5

error: Alert: Content is protected !!