2.2.3 De dynamiek van Bijbelse namen

Ontdekken van de functie en de betekenis van namen in de Hebreeuwse Bijbel en het Griekse Nieuwe Testament.

Inleiding

Moderne namen als Cindy, Joke, René en Raymond klinken mis­schien mooi, aangenaam of saai, maar de betekenis kennen we er meestal niet van. Daarvoor heb je een namenwoordenboek nodig. Bijbelse namen daarentegen stonden in de tijd waarin ze gebruikt werden bol van betekenis. Elke naam had zijn eigen verhaal. Er zat leven, kracht en dynamiek in.

What’s in a name? Wat schuilt er in een naam? is een vraag die vaak met schouderophalen gesteld wordt. We kunnen evenwel niet zonder namen. Voorwerpen, plaatsen en mensen worden ermee geïdentificeerd. Maar hoe betekenis­loos zijn niet vele van onze namen vandaag!

Dragers van betekenis

In het Oude Midden Oosten lag dat heel anders. Namen werden doelbewust gege­ven. Niet zozeer om de schoonheid ervan, maar om een verbinding te leggen tussen de naam en de persoon. Het vertelde iets over diens voorkomen, karakter, bestem­ming of drukte iets uit over de omstandighe­den waarin hij of zij geboren werd. Er werd vaak vanuit gegaan dat de naam die men droeg, iets zei over de persoon : ‘zoals zijn naam is, zo is hij’ (1 Samuël 25:25).

Een naam hebben was van levensbelang. Als men gestorven was, leefde men onder de mensen voort via zijn naam. Een man wilde daarom niet kinderloos sterven, om­dat hij dan helemaal uit de samenleving zou verdwijnen. Wie geen naam had, bestond in feite niet. Wie in een bijbelverhaal wel een rol speelde maar geen naam droeg, bleef in de schaduw staan.

a. lachen en huilen

In bijbelteksten krijgen kinderen namen naargelang de omstandigheden waarin ze worden geboren. Abram en Sara geven hun zoon de naam Isaak (‘hij lacht’). Er wordt immers nogal wat afgelachen voor en na zijn geboorte. Abram gelooft niet dat hij als honderdjarige nog vader kan worden (Genesis 17:17). Sara op haar beurt ligt dubbel. Toch te belachelijk voor woorden om nog moeder te worden op haar 99ste (18:12,13 en 15)!  Na de geboorte lacht zij van blijdschap maar beseft tegelijkertijd dat iedereen haar moeder worden een be-lach-elijke zaak zal vinden (21: 6).

De vrouw van Pinechas is hoogzwanger. Haar man bevindt zich op het slagveld bij de verbondskist van de God van Israël. Later bericht een boodschapper dat de Filistijnen de strijd hebben gewonnen. Zij hebben Gods kist buitgemaakt en Pinechas is gesneuveld. Zijn blinde vader Eli, de leider van Israël hoort ervan en valt van zijn stoel. Hij breekt zijn nek en sterft. Zijn schoondochter hoort het allemaal en wordt meteen door weeën over­vallen. Zij baart ter plekke een kind en noemt het Ikabod dat letterlijk ‘weg is de heerlijkheid (nl. de verbondskist)’ betekent (Richteren 4:19-22). Reden genoeg om te huilen!

b. met het oog op morgen

De profeet Jesaja is enorm betrokken bij het wel en wee van zijn volk in Juda. Zijn koning Achaz trekt zich niets aan van de boodschappen die hij van godswege bekendmaakt.  De koning vertikt het om op God te vertrouwen. Desondanks is Jesaja er rotsvast van over­tuigd dat God zijn volk Israël niet in de steek zal laten. Vanuit dit geloof geeft hij namen aan zijn kinderen die de lijn van de toekomst aangeven. Zij houden een duidelijke waar­schuwing in. De ene noemt hij Mahar-Shalal-Chaz-Baz (Jesaja 8:3.4) of ‘haastig buit, spoedig roof’! Je zult je kind maar zo noe­men! Hij noemt hem zo met het oog op de komende militaire veldtocht van de Assyriërs die het land van de vijand Israël als een kip komen kaalplukken. De ander draagt de eveneens veelzeggende naam Sear-Jasub: ‘een rest bekeert zich’ of ‘een rest blijft behouden’ (7:3). Gods volk zal niet volledig ten onder gaan. Beide symbo­lische namen bewijzen in de daarop vol­gende decennia efficiënte godswoorden te zijn. De geschiedenis verloopt zoals door die woorden aangegeven.

c. niet meer ‘zus’ maar ‘zo’

Mensen veranderen ook wel eens van naam in de Bijbel. De barende maar tevens ster­vende Rachel noemt haar zoon Benoni, wat zoveel wil zeggen als ‘zoon van mijn el­lende’. Veroorzaakt haar pasgeborene niet haar dood? Ja toch? Haar man Jakob kan en wil zijn kersverse zoon niet met zo’n gevoel van schuld het leven insturen. Daarom geeft hij hem een nieuwe naam: Benjamin of zoon van de rechterhand (Genesis 35:18). De rechterhand gold als het onderpand van voorspoed en liefde. Zo krijgt de zoon van zijn lievelingsvrouw een enorm positieve naam. Benjamin moet iets van Jakobs verlies goedmaken.

De Babylonische koning Nebukadnessar zet in 597 voor onze jaartelling koning Jojakin van Juda af. Hij plaatst diens oom Mattanja of ‘geschenk van JHWH’ op de troon. Deze vier letters staan voor de naam van de God van Israël over wie hieronder meer. Nebukadnessar geeft aan Mattanja bij zijn kroning een andere naam: Sedekia of ‘mijn gerechtigheid is JHWH’ (2 Koningen 24:17). Volgens oudoosters gebruik gaven mees­ters hun slaven een nieuwe naam als teken van hun onderworpenheid. Toch krijgt Mattanja geen Babylonische naam. Hij mag zelf een Hebreeuwse naam kiezen die door de overwinnaar bezegeld wordt. Met zijn nieuwe naam wil Sedekia getuigen dat hij hoopt dat de God van Juda de aan zijn volk beloofde gerechtigheid zal bewerken via zijn persoon en zijn beleid.

De naamgever is machthebber

a. een naam geven is een claim leggen

De naamgeving aan Mattanja door Nebukadnessar verraadt zijn machtsposi­tie. Hij grijpt in diens leven in en stippelt via zijn naam het door hem te volgen beleid uit. De eerste mens geeft namen aan de dieren (Genesis 2:19). Dit bewijst zijn heerschap­pij over hen. Aan de vrouw geeft hij echter zelf geen naam. Hij zegt dat zij ‘isjsjā – Hebreeuws vrouw (of ‘mannin’ in de NBG-51 vertaling) – zal worden genoemd omdat zij van ‘isj – Hebreeuws voor man – is verwijderd. Daarmee onderstreept hij hun onderlinge gelijkheid (Genesis 2:23). Ouders geven hun kinderen namen omdat zij hun levensgevers zijn. In de Hebreeuwse Bijbel geven zowel vaders (18 keer) als moeders (28 keer) hun kinderen een naam. Wie een naam geeft aan een ander claimt een invloed over de persoon in kwestie te hebben.

b. van mijn naam blijf je af

Wie dit niet wil is de God van Israël. Hij geeft zijn naam niet prijs. Als Mozes wil weten in wiens opdracht hij naar de Israëlieten in Egypte gestuurd wordt, laat deze zo goed als niets los. Met een ‘Ik ben’ of ‘ik ben die ik ben’ moet Mozes tevreden zijn (Exodus 3:13-14). Deze mys­terieuze naam betekent zoveel als: het gaat je niet aan en je zult nog wel merken wie ik ben. De Egyptenaren hebben dit aan de lijve ondervonden. Mozes en Israël heb­ben er de vruchten van geplukt. In hun ervaringen hebben zij JHWH leren kennen als diegene die zich niet laat manipuleren, maar wel alles op alles zet om hen gelukkig te maken. Met een omschrijving van ‘ik ben de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob’ moet Mozes het maar doen (3:15).

c. een niet-uit-te-spreken naam

Tot op vandaag weten we niet met zeker­heid hoe zijn naam die in het Hebreeuws uit de vier medeklinkers JHWH bestaat moet worden uitgesproken omdat de authentieke klinkers ontbre­ken. Dit heeft mogelijk te maken met zijn wil om zelf de machthebber te willen zijn. Hij wil niet te pas en te onpas door de mens te worden genoemd want dan kan deze hem ook zegenen of vervloeken. Daar moet ook o.a. de betekenis van het derde van de tien woorden (d.i. een betere vertaling dan ‘geboden’) worden gezocht (Exodus 20:7). Zijn naam mag niet ijdel worden gebruikt en dat betekent niet verbonden worden aan dat wat niet van zijn niveau is. De naam JeHoVaH is taalkundig beslist uitgesloten. Andere uit­spraken zoals JaHWeH of JaWHoe – die dicht aanleunen bij de mogelijk oorspronkelijke naam kunnen gelovigen maar beter achterwege laten, omdat het gissingen blijven. Bovendien kan het joodse mensen in hun diepste wezen kwetsen. De God van de Bijbel verdient in zijn omgang immers meer dan het door hem verwachte respect.

Namen in Bijbelvertalingen

Er wordt wel eens gezegd dat vertalen tot op zekere hoogte een verraden inhoudt. Dat is ook het geval met de namen in de Bijbel. Zowat alle vertalingen kiezen ervoor de Hebreeuwse, Aramese en Griekse na­men in de Bijbel in hun oorspronkelijke hetzij wat aan de moderne taal aangepaste vorm te laten staan. Zo wordt Jehoshua Jozua, Shmuel Samuel, Dawid David, Shlomo Salomo, Jeshajahoe Jesaja, Joanneis Johannes, en Jeisous Jezus.

a. verlies van kleur

Op die manier probeert men het de lezer gemakkelijk te maken. Deze namen worden zogezegd toegankelijker. Toch wel jammer. De oorspronkelijke kleur gaat erdoor verlo­ren. Jakob krijgt op een dag de naam Israël. Wat is verkeerd aan de naam Jakob zal menigeen denken? Wie heet er niet Jaap, Jacques of James? Anders wordt het wanneer blijkt dat Jakob ‘hielelichter’ of ‘pootjeshaker’ betekent. Zijn overgang van ‘hielelichter’ tot ‘ strijder Gods (Israël) wordt dan heel betekenisvol. Een hielelichter en strijder voor eigen zaakjes kan God niet gebruiken. Een hielelichter die zich van die houding afkeert en een strijder voor en van God wordt, wel!

Bij het lezen van een naam als Johannes (ouderwetse vorm van Jan), Jean of John in de Bijbelvertalingen denkt nagenoeg nie­mand meer aan het feit dat het om een jood gaat. Als zijn oorspronkelijke naam Jochanan gebruikt zou worden, uiteraard wel. Dan wordt men meteen behoed voor het al te negatief inschatten van deze boete­prediker. Zijn naam ‘JHWH is genadig’, klinkt dan beslist niet naar verdoemenis!

b. verlies van associatie

Bovendien zijn de vertalers niet conse­quent te werk gegaan. In de Hebreeuwse Bijbel wordt de naam Jehoshua vertaald met Jozua, maar in het Griekse Nieuwe Testament ge­bruikt men de naam Jezus van het Jesous. Simeon wordt Simon. Voor Mirjam wordt Maria geschre­ven. Juda klinkt ineens als Judas. Dit valt te betreuren omdat zo de zeer belangrijke techniek van associatie schade wordt toe­gebracht. Gebruikt men diezelfde namen wel, dan wordt de lezer uitgenodigd ver­banden te leggen, die anders bij hem niet opkomen. Jezus moet wel degelijk als een tweede Jozua gezien worden. Mirjam staat mee aan de basis van Mozes’ leven, zoals Maria aan dat van Jezus. Die overeenkomst ontgaat de meesten omdat zij Maria en niet Mirjam wordt genoemd terwijl dat wel haar echte naam is. Jezus wordt niet voor niets als de tweede Mozes gepresenteerd.

c. verlies van betekenis

Zo is het jammer dat Bijbelvertalingen niets over de betekenis van deze bijbelse namen vermelden. Het verhaal van de ontmoeting tussen Abram en de koningen van Sodom en Gommora met de mysterieuze Melchisedek verliest zo in waarde (Genesis 14:18-24). De lezer weet immers niet dat diens naam ‘koning van gerechtigheid’ be­tekent. Zo ontgaat hem het schrille contrast tussen deze koningen van Sodom en Gom­mora en de koning van gerechtigheid die optreedt als dienaar van de Allerhoogste. Abram staat dus tussen de vertegenwoordigers van goed en kwaad. Hij bewijst hulde aan Melchisedek en wil absoluut geen banden aangaan met de heersers over diegenen die het slechte doen (13:13). Elia’s naam bete­kent ‘mijn God is JHWH’. Wie dat weet, leest met veel meer profijt zijn levensverhaal en begrijpt veel beter zijn levenstaak. Hij be­wijst zijn volk dat niet de Fenicische god Baal van koningin Izebel de scepter zwaait in hun bestaan. Het is integendeel JHWH die hun leven gevende God is. Op de berg Karmel wint deze laatste dan ook van de namaak god Baal. Het hele volk gaat op de knieën en roept uit ‘JHWH, die is God’! Een klin­kende variatie op de naam van Elia.

Zo vergaat het ook met de naam van zijn opvolger Elisa ‘God helpt’. Deze ‘man van God’ zoals hij door het volk wordt genoemd, maakt in het leven van Israël die helpende hand van God tastbaar. Zo vermenigvuldigt hij brood voor een menigte mensen, laat een jongen uit de dood opstaan, geneest de Syrische generaal van zijn ongeneeslijke huidaandoening en verblindt hij Israëls vijanden. Veel van wat hij heeft gedaan, wordt later door Jezus / Jehoshua (Jozua) of ‘JHWH helpt’ (!) eveneens gerealiseerd. Als in de oorspronkelijke Hebreeuwse ver­halen deze en andere namen vermeld wor­den, spelen hun betekenis telkens mee. Zo dragen zij bij aan het doorgeven van de boodschap ervan. De lezer wordt er telkens weer op gewezen. De les van het verhaal blijft dan ook veel duidelijker hangen. Het maakt een groot verschil of men louter de eigen­namen Melchisedek, Elia, Elisa en Jezus leest of hun betekenis ‘mijn koning is ge­rechtigheid’, ‘mijn God is JHWH’, ‘God helpt’ en ‘JHWH helpt’ hoort doorklinken. In dat opzicht doen onze gebruikelijke vertalingen de oorspronkelijke teksten onrecht aan en de lezer mag zich terecht enigszins verra­den voelen.

Ter afronding

Bij de vraag ‘wat schuilt er nu in een bijbelse naam?’ mag men de schouders beslist niet ophalen. Bijna elke bijbelse naam vertegenwoordigt een verhaal of een eigen­schap, een verlangen of een uiting van dankbaarheid, een onderworpenheid of een eer. De Bijbel lezen zonder de dynamische betekenis van de eigennamen te kennen is een kolossale verarming. Helaas dragen de Bijbelvertalingen bij aan die verarming en in dat opzicht vormen zij obstakels tot een helder begrip.

De echt geïnteresseerde bijbellezer doet er dus goed aan een bijbels woordenboek, een bijbelse encyclopedie of een bijbels namenboek te raadplegen.[1] Zo niet dan ontgaat hem of haar de kleur, de onderstreping, de betekenis of een of ander levenselement van juist die bijbelverhalen. Dan verdwijnt een deel van hun indrukwekkende dyna­miek in het niets en doet het de relevantie van haar lessen voor vandaag behoorlijk tekort.

Voetnoot

[1] J. Wicchers en S. Kat, Het Bijbels namenboek, ’s Gravenhage 1982

error: Alert: Content is protected !!