3.3.1 Elisa’s broodverhaal

Verdiepen van de relatie tussen de teksten van het Oude Testament en het Nieuwe Testament

2 Koningen 4:42-44

In 1 Koningen 19:19-21 leren de lezers van de Boekrol Melachim een nieuwe figuur kennen. Hij is de zoon van een grootlandeigenaar in Safat (sjāfāt / een rechter?) waar de grote Elia hem komt weghalen om hem namens JHWH tot profeet te zalven (19:16). Deze Elisa was met het twaalfde en laatste span ossen aan het werk. De ‘twaalf’ span ossen verwijzen net zoals de twaalf stenen van Mozes, Aaron, Jozua en Elia telkens naar het aantal stammen van Israël (Ex. 24:4; 28:21; Joz. 4:20; 1 Kon. 18:31). Als symbool lijken zij in anticipatie te fungeren voor Elisa’s inzet voor heel Israël.

Alvorens deze Elisa met Elia meegaat slacht hij zijn ossen niet om ze te offeren maar om ze (ten afscheid) te eten te geven aan het volk. Mogelijk aan zijn familie, zijn vaders personeel en de mensen van het dorp. Dit voorval anticipeert blijkbaar op andere momenten waarop Elisa mensen van eten voorziet (2 Kon. 4:38-41; 42-44; 6:23). De vraag is of deze episoden louter melden dat hij de honger van betrokkenen stilde of fungeerden zij tevens als metaforen voor het doorgeven van de thora aan het volk? Die tweede episode (4:42-44) wekt de indruk op beide (brood en thora) van toepassing te zijn.

Elisa’s verhalencyclus

Hoewel Elisa al eerder als profeet (nāvī’ – 2 Kon. 3:11) voorkwam – en daarna nog zes keer – wordt hij bij aanvang van dit erg beknopt verhaal van amper 42 woorden voor de tiende keer als de man van God (‘īsj – hāèlōhīm – 42) aangeduid. Later gebeurt dit nog zo’n achttien keer. Binnen zijn verhalenserie in 2 Koningen 2:1-13:21 blijkt deze benaming hem dus het meest te karakteriseren. Terecht want zijn vele daden, wonderen en uitspraken onderstrepen dat met verve. Bijgevolg kunnen de lezers ervan niet niet onder de indruk komen. Hier een overzicht:

  1. Elisa splitst het water van de Jordaan. (2 Kon. 2:14)
  2. Hij maakt het water van Jericho weer gezond (2:19-22)
  3. Hij bezit een geweldige charismatische kracht (2:23-25)
  4. Hij profeteert voor koningen (3:1-27)
  5. Hij maakt dat de olie van de weduwe niet opraakt (4:1-7)
  6. Hij zorgt ervoor dat een vrouw een kind krijgt ondanks haar flink oude man (4:14-17)
  7. Hij wekt een dode jongen op (4:31-35)
  8. Hij maakt oneetbaar voedsel weer eetbaar (4:38-41)
  9. Hij vermenigvuldigt eten (4:42-44)
  10. Hij geneest een melaatse (5:1-27)
  11. Hij laat een stuk ijzer in het water naar boven drijven (6:1-7)
  12. Hij slaat vijandelijke soldaten met blindheid en maakt dit weer ongedaan (6:8-23)
  13. Hij voorspelt gebeurtenissen die uitkomen (6:24; 7:20; 8:7-15; 9:1-15)
  14. Hij wekt een dode op terwijl hijzelf al dood is (13:20,21).

Al die gebeurtenissen in 2 Koningen maken de lezers duidelijk dat deze man van God – wiens naam Elisa (èlīsjā`) God helpt, redt, verlost betekent – God present maakt te midden van Israël. Onderhavig verhaal in de NBG-vertaling en in de colometrische presentatie (waarvan de Hebreeuwse tekst in de appendix) past met zijn zeer bijzonder eenvoudige plot volledig in betreffende cyclus van Elisaverhalen.

De tekst

In de voorafgaande context (4:38-41) is er sprake van een hongersnood in de regio van Gilgal als Elisa er weer terugkomt (2:1 en 4:38). Als de profetenleerlingen naar hem toekomen instrueert hij meteen zijn dienaar om eten voor hen klaar te maken. Een van hen verzamelt groenten die hij na ze te hebben gesneden in de ketel doet. Het klaargemaakte eten valt echter niet te eten en de aanwezigen vrezen er doodziek van te worden. Elisa lost het probleem op en zegt tegen zijn dienaar: ‘Schep voor het volk op, dat zij eten’ (41).

Op dat punt in het verhaal blijkt er een man te zijn aangekomen (qal. pf. 3m.sg) uit Baäl-Salisa (4:42) dat ‘de heer van de drie’ betekent. Maar welke drie dan? Zou het gezien de algehele context in de boekrol Koningen iets suggereren omtrent de spanning tussen Baäl en JHWH? Het blijkt hoe dan ook een niet gemakkelijk te lokaliseren plaats. Gaat het om Khirbet Sirisya zo’n 20 km ten noorden van Lod (Sweeney 292) of om een plaats in het centrale district van Israël terwijl Redak meent dat het in het Zuiderland lag? In Tenach komt het eerder in 1 Samuël 9:14 voor waar Saul door het gebied Salisa trekt wanneer hij op zoek is naar de ezelinnen van zijn vader. Baäl-Salisa speelt echter volgens Dawes (131) geen rol van betekenis (Dawes 131).

Het genoemde brood van de eerstelingen wijst er volgens Rashi op – hoewel er geen tijdstip bijstaat – dat het om de tijd van Pesach gaat omdat het graan dan rijp is geworden. Hij denkt dat ze dienen om de profeten te betalen voor bewezen diensten (zoals in 1 Kon. 14:9). Eigenlijk waren de eerstelingen voor de priesters bestemd en niet voor Elisa die bij de stam Gad hoorde. Brengt iemand eerstelingen als geschenk aan de thorageleerden dan wordt dit beschouwd alsof hij ze naar de tempel brengt (Scherman 265). Hij heeft in zijn knapzak ook vers koren (karmèl) bij (Buber) en dan gaat het om korrels van het niet gedorste aren die licht geroosterd als lekkernij dienden (Brongers 48).

Tegen die man zegt Elisa: ‘geef’ (imp. 2 m.sg) het aan het volk’ met de bedoeling dat de aanwezigen ervan eten. Hij wordt hier ‘zijn dienaar’ (43a) genoemd – vroeger was Elisa Elia’s dienaar – van wie Brongers (49) denkt dat het beslist om Gechazi gaat. Met ‘aan het volk’ bedoelt Elisa de profeten die bij hem zijn of de profetenleerlingen en hun families die hij laat bevoorraden (Provan 188). Uit de verbaasde reactie van de man uit Baäl-Salisa blijkt dat deze zijn twintig broden absoluut onvoldoende vindt voor die grote groep van 100 man. Elke cluster van vijf man zou het dan met één brood moeten stellen!

Elisa duldt echter geen tegenspraak en herhaalt zijn opdracht woord voor woord. Om er kracht bij te zetten voegt hij er de bodeformule (‘want zo zegt JHWH’) aan toe en een dubbele infinitivus absolutus die hij als imperativi gebruikt: ‘Eten! En overhouden!’ (‘āgōl wehōtēr).

Eten, verzadigd worden en overhouden worden in Israël gezien als een zegen van JHWH (Ruth 2:14; Psalm 78 en 2 Kon. 31:10). Net zoals in een eerder verhaal (in 2 Kon. 4:1-7) wordt er hier een te kleine hoeveelheid vermeerderd (Provan 188). In beide gevallen wordt er niet alleen in de behoeften van de aanwezigen voorzien maar blijft er ook nog over. Interessant genoeg zegt deze perikoop niets over hun reactie (Frettheim 148) noch over een eventueel beroep van Elisa op hun geloof. Enerzijds bewijst het verhaal dat JHWH Elisa’s God is en anderzijds dat Elisa’s handelen en spreken hem toonbaar en tastbaar maken te midden van het volk.

Spiegelverhalen?

Bijbellezers die vertrouwd zijn met Jezus’ broodvermenigvuldiging voor de 5.000 in bijvoorbeeld Lukas 9:10-17 hebben weinig verbeelding nodig om dit broodverhaal als een knipoog of als een soort echo op te vatten van dat van Elisa.

De overeenkomsten kunnen niet over het hoofd worden gezien:

  • lexicaal (woorden en woordgroepen)
  • hoofdspelers (Elisa en Jezus)
  • hulpspelers (dienaar en leerlingen met onvoldoende voedsel voeren de instructies uit)
  • figuranten (de mensen die niet reageren)
  • vertelaspecten (verwondering van dienaar en leerlingen)
  • attributen (broden en vers koren / vissen)
  • parallel plotverloop (met initieel probleem en uiteindelijke oplossing)
  • dubbele thematiek (eerst genezing en onderwijs dan onvoldoende voedsel en spijziging)

De parallellen tussen beide broodverhalen zijn zó overtuigend dat de lezers Elisa’s kwaliteiten als de man van God met een terugwerkende kracht op Jezus kunnen toepassen. Lukas’ broodverhaal lijkt juist het doorslaggevende antwoord te geven omtrent de vraag naar Jezus’ identiteit die Herodes net daaraan voorafgaand stelt: ‘Maar wie is deze? (ti,j de, evstin ou-toj – 9:9). Hij is immers verbaasd over Jezus’ handelingen en omdat er onder het volk wordt geopperd dat hij de uit de dood opgestane Johannes zou zijn, of de verschenen Elia of een van de profeten uit het verleden (7-8). Daar het broodverhaal (9:12-17) Jezus niet bij name noemt lijkt het er sterk op dat dit juist die vraag wil beantwoorden. Onmiddellijk erna ondervraagt Jezus zelf zijn leerlingen over hoe de mensen hem opvatten waarop zij precies die eerdere drie opties noemen. Dankzij de opvallende parallellie van beide verhalen blijkt de derde optie de juiste te zijn: één van de oude profeten. Het lijkt er sterk op dat Lukas zijn lezers wil meegeven dat Jezus net als Elisa een man Gods is die God in een heel bijzondere mate present maakt te midden van het volk en dat zij niet alleen van hem kunnen leren maar ook merken dat hun problemen in zijn nabijheid als sneeuw voor de zon kunnen verdwijnen. Niet voor niets blijken beide mannen van God analoge namen te hebben: èlīsjā` of God helpt, redt, verlost en VIhsou/j als vertaling van het Hebreeuwse Jehōsjhua of JHWH helpt, redt, verlost.

Tevens blijkt uit deze twee spiegelverhalen dat de relatie tussen de hoofdspelers met hun hulpspelers en hun gesprekken centraal staan. Met hun eigen inzet en bijdrage lijken de laatsten in de voetspo­ren van hun meesters te moeten stappen en zich om de problemen van het volk te moeten bekommeren. Als kenners van Israëls geschiedenis kunnen zij ongetwijfeld gedacht hebben aan het feit dat Elisa en Jezus respectievelijk Elia en Johannes de Doper tot voorganger hadden. Lukas legt de nadruk niet op het wonder op zich maar op de rol van de leerlingen. In beide verhalen is er geen enkele reactie van het volk op het gebeuren te bespeuren. Hadden de mensen niet in de gaten dat er een wonder gebeurde?

De meest voor de hand liggende en belangrijkste betekenis van Lukas’ broodverhaal is dat Jezus net als Elisa het volk van voedsel voorziet nadat hij het heeft onderwe­zen. Beiden tonen zich als leraars van mensen en wijzen hun de weg en zorgen voor hen. De overeenkomst tussen leraar en herder is dan op z’n plaats.

Niet van brood alleen

Ten slotte valt het op dat er in Lukas’ broodverhaal zoveel getallen voorkomen die in elkaars verlengde liggen: 5 broden, 5000 mensen in (100) groepen van 50 en verder 12 leerlingen en 12 korven brokstukken. Wie enigszins thuis is in de bijbelse traditie zal het opvallen dat het getal 5 met Gods openbaring heeft te maken: 5 boeken van Mozes, 5 boeken van de Psalmen, 2 x 5 woorden (of geboden). Een ander interessant gegeven is dat tussen Jezus’ 5 broden en de 5 toonbroden van David waarmee hij de honger stilde van zijn manschappen (1 Samuël 21:3). Voor de lezer van nu lijkt dit niets met elkaar te maken te hebben maar in bijbelse tijden legde men meestal wel dergelijke verbanden. De 12 toonbroden symboliseren dat God de gever is van het brood voor de 12 stammen van Israël. Daarnaast fungeert brood tevens als metafoor voor Gods woord zoals Lukas in 4:4 verwijst naar Jezus’ uitspraak die refereert aan Deuteronomium 8:3. Te bewijzen valt er hier niets maar het lijkt er erg veel op dat beide verhalen niet alleen bedoeld waren om te melden dat beide Godsmannen de mensen de honger stilden maar ook om het verdelen van het Gods Woord via hun onderwijs en verkondiging aanschouwelijk te maken. De opvallende nadruk op de aantallen 5, 50, 5000 bij Jezus (en waarom ook niet de impliciete vijfvoudige verhouding tussen 20 en 100 bij Elisa) lijkt mogelijk Jezus met de reeds door Samuël gezalfde koning David te verbinden. Een dergelijke veronderstelling spoort met Petrus’ antwoord omtrent Jezus’ identiteit (9:20): de Christus (of Messias) van God (To.n Cristo.n tou/ qeou/). Met zijn 12 apostelen wil hij Israël weer vormgeven zoals David zich op zijn manier voor de 12 stammen inzette. In dit opzicht reikt Lukas’ bewondering voor Jezus niet alleen zover dat hij hem als de man van God die net zoals Elisa God te midden van zijn volk present maakte maar ook als de David van zijn tijd die Gods koningschap met tweeërlei brood aanbreekt. Lukas’ lezers dienen Elisa’s broodmaaltijd dan ook niet als een sacramentele maaltijd op te vatten maar als een messiaanse maaltijd. Tevens doen zij er goed aan om het Lukasverhaal met zijn voorstelling van Jezus’ leven en leer verder te lezen met een geconcentreerde aandacht voor de verhalen over Elisa in 2 Koningen.

Appendix

Literatuur

Brongers, H.A., II Koningen, Prediking van het Oude Testament, Nijkerk 1982

Dawes, S.B., 1 & 2 Kings, The People’s Bible Commentary, Oxford 2001

Frettheim, T.E., First and Second Kings, Louisville 1999

Provan, I.W., 1 and 2 Kings, Peabody Ms. 1995

Scherman, N., The Prophets, Kings, New York 2006

Sweeney M.A., I & II Kings, Louisville / London 2007

error: Alert: Content is protected !!