5.3.2 Taal en Bijbel 2

Zich verdiepen in aspecten die met taal en bijbelvertalingen te maken hebben.

 

De vorige bijdrage legde de focus op de niet onbelangrijke invloed, die taal in het algemeen, de eigen leesvaardigheid en bijbelvertalingen bij het bijbellezen hebben. Ook werd duidelijk dat er bij het lezen en begrijpen van de Bijbel heel wat komt kijken. In de praktijk valt het echter op dat bijbellezers niet zelden geneigd zijn om van een – op het eerste gezicht gemakkelijke – tekst te denken, dat het gewoon rechttoe rechtaan lezen ervan in een betrouwbare vertaling volstaat om er toegang tot te krijgen.

 

Inleiding

De onderhavige bijdrage richt de aandacht op het gegeven dat bijbellezers eigenlijk te maken hebben met een heuse bibliotheek van bijbelboeken. Elke tekst in de Bijbel bevindt zich temidden van veel andere teksten, die in min of meerdere mate met elkaar verwant zijn of – anders gezegd – zich binnen een uitgebreid netwerk bevinden van bijbelteksten. Dat geldt net zo goed voor de omliggende teksten, waarmee de tekst in kwestie in verband staat als voor de volledige boekrol, waar hij toebehoort. Daarnaast zijn er in ‘die bibliotheek’ ook allerlei onderlinge verbanden tussen teksten. Voor lezers volstaat het dus niet om ‘gewoon taalvaardig’ bijbelteksten te lezen en zich tevreden te stellen met wat er gewoon letterlijk in staat. Het gaat er eerder om te ontdekken wat de tekst eigenlijk – in de breedte en diepte – aan zijn lezers wil communiceren. Dit laatste overstijgt in het overgrote deel van de gevallen véél meer dan dat het concrete letterlijke en wijkt er soms ook van af. Veel bijbellezers beseffen niet dat de taal van de tekst niet zómaar de betekenis ervan rechttoe rechtaan vrijgeeft. Soms staat er gewoon wat anders en is er een sleutel nodig om er toegang toe te krijgen. Een aantal voorbeeldteksten maken dit verschil inzichtelijk en doen de meerwaarde van dit grondig lezen én het lezen van teksten tussen andere teksten beseffen.

 

Toch nog even over taal

Woordenschat en grammaticaregels helpen lezers om een tekst talig te begrijpen. Bij taal en taaluitingen in teksten komt echt meer kijken. Het is niet, omdat lezers de regels van de spraakkunst onder de knie hebben en over een rijke woordenschat beschikken, dat ze daarmee teksten uit de losse pols correct kunnen duiden. Vooral bij verhalen spelen ook andere elementen en aspecten een rol. Hoe ontplooit zich bijvoorbeeld het verhaalverloop? Wie zijn de hoofdrol- en bijrolspelers en de figuranten en waaruit bestaat het verloop van hun handelingen en hun onderlinge interactie? In hoeverre verhouden de dialogen zich tot de vertelling en het commentaar van de verteller in het verhaal? Hoe werkt het verhaal thema en plot in het verhaal uit? Welke stijlkenmerken vallen op en hoe beïnvloeden zij het begrijpen van de lezers? In welke mate maakt deze gebruik van beeldspraak, symbolen en toespelingen? Dit zijn allesbehalve onbelangrijke vragen, waarvan de antwoorden bijdragen om de door het verhaal bedoelde betekenis te achterhalen.

 

Voor en na het verhaal

Verder bestaat er ook een verschil tussen enerzijds het van het begin tot het einde (of lineair) lezen en anderzijds het terugkoppelend (of teruggaand) lezen. In het eerste geval voelen lezers vanzelf de betekenis aan vanwege de manier waarop de werkelijkheid wordt uitgebeeld. Moeiteloos vullen zij onvolledige of compacte beschrijvingen, toespelingen of citaten in het verhaal correct aan. In het tweede geval herinneren zij zich – terwijl zij door de tekst vorderen – wat zij net ervoor hebben gelezen. Daardoor wijzigt hun inzicht over wat ze aan het lezen zijn. Het eerdere gelezene overdenken zij via een terugleesbeweging opnieuw, heroverwegen daardoor hun indrukken en maken zij onderlinge vergelijkingen. De maximale betekenis van het verhaal komt bijgevolg – en uiteraard eerst – aan het eind van het verhaal aan het licht. Anders gezegd: de taal van een bijbeltekst of een bijbelverhaal vangt niet aan bij zijn eerste zin, noch eindigt dit bij de laatste zin.

 

Het hele boek uitlezen

Door de bank genomen volstaat het niet om één van de verhalen of hoofdstukken van een boek te lezen om de brede betekenis ervan te achterhalen. Het hele boek uitlezen is echt een must! Alleen vanuit het einde van het boek kunnen lezers het verhaal of hoofdstuk in kwestie op z’n merites begrijpen. Toch zijn er heel wat bijbellezers, die dat om allerlei redenen niet doen. Uit tijdgebrek? Uit ongeduld? Of omdat zij niet beseffen dat zij zodoende slechts een oppervlakkige toegang tot de betekenis van het verhaal of hoofdstuk krijgen. Gevolg? Een ondermaatse kennis en dito begrijpen.

 

Het lezen van het scheppingsverhaal (Genesis 1:1-2:4a) is daar een markant voorbeeld van. Nogal wat lezers denken dat ze meteen na het te hebben gelezen kunnen uitleggen wat het betekent. Zij wachten niet totdat zij de hele boekrol hebben uitgelezen, terwijl ze eerst aan het slot echt kunnen vaststellen, ontdekken, waar het de schrijver om te doen was. Tijdens de lectuur van Genesis – of elk ander (bijbel)boek – merken lezers gegevens en zaken op die ze op de een of andere manier al eerder zijn tegengekomen. Dit ‘herinneren’ wekt een gewaarwording van een déjà-vu – of beter gezegd een déjà-lu – op. Deze herkenning nodigt hen uit verbanden te leggen met wat zij aan het lezen zijn. Zodoende helpt het hen thema en opzet van de schrijver naar waarde in te schatten. Lezers zouden die déjà-lus of herkenningen serieus moeten nemen en ze moeten betrekken bij het achterhalen van de door de schrijver bedoelde betekenis van het verhaal. In het geval van het hoofdstuk over de schepping van de wereld blijkt dit in de boekrol Genesis slechts als een opstapje te dienen. Terwijl alle volken hun bestaan aan deze schepper God hebben te danken, wil de schrijver de schepping van het volk Israël vooropstellen. Op allerlei wijzen en allerlei verhalen betoogt hij dat JHWH op een heel specifieke wijze aan de basis ligt van het ontstaan van Israëls volk. Terwijl alle volken zich ontwikkelen via de natuurlijke weg van verwekkingen, lukt het op drie cruciale momenten niet om Israël te doen ontstaan. JHWH neemt bij drie stammoeders de onvruchtbaarheid weg, zodat ook Israël zich tot een volk ontwikkelt. In een heel bijzondere zin wordt JHWH zodoende de concrete schepper van dat volk. Het grootste gedeelte van de boekrol – van hoofdstuk 12 tot en met 50 – wordt precies aan dit eigenste volk van God besteed. De schepping van hemel en aarde blijkt dus slechts als een korte aanloop te fungeren om juist deze boodschap aan zijn lezers bekend te maken (zie bijvoorbeeld de bijdrage 3. Hebreeuwse Bijbel 3.3. Verdiepen 3. Het verhaal van de schepping van Israël 1)

 

Over het lezen van een volledig verhaal

 

  1. Salomo’s eerste droom gewoon lezen

Lezers die het bijbelboek 1 Koningen openslaan en daarin hoofdstuk 3 beginnen te lezen, merken meteen dat de verteller koning Salomo tot de hoofdfiguur ervan heeft gemaakt. In een kort bestek vertelt hij een aantal van diens indrukwekkende initiatieven. Lezers komen van meet af aan er sterk door onder de indruk. De grootste aandacht van de lezers gaat meestal naar de droom in dit hoofdstuk.

 

Eerste deel van de droom

Hieronder volgt een nagenoeg letterlijke vertaling van het eerste gedeelte van de droom van Salomo, die hij van Godswege te Gibeon kreeg. Hij komt er van Jeruzalem naar toe om er voor JHWH 1.000 offers te slachten (3:4).

 

 

In deze tekst krijgt Salomo dus een droom, waarin hij van God een wens mag uitspreken (3:5). In zijn antwoord steekt hij de loftrompet over zijn vaders voortreffelijke relatie met JHWH (3:6). Dan presenteert hij zichzelf als een kleine jongen (3:7) die volgens zijn zeggen niet capabel is om het volk te leiden (3:8). Het is dáárom dat hij God om een horend hart en inzicht vraagt (3:9). In zijn positieve respons benadrukt God dat Salomo geen hang heeft naar eer, geld of macht (3:11-15a).

 

Makkelijk te lezen verhaal

In Salomo’s eerste droom stuiten lezers niet op onbegrijpelijkheden en genieten zij van een mooi en makkelijk te begrijpen verhaal. Alle kinderbijbels, kunstwerken en volkswijsheden benadrukken op grond van deze droom het beeld van Salomo als dat van een wijze koning. Zo komt hij naar voren als dé ideale koning in dienst van de God van Israël. Salomo lijkt zijn regering met een volledig vertrouwen op JHWH aan te vatten. Vanwege zijn nederigheid komt de koning vanwege zijn vraag enorm positief over en wordt ervoor door God geprezen. Hij geeft Salomo immers veel meer dan wat hij vraagt.

Met zijn vraag aan God (3:6-9) toont Salomo zich hier dus van zijn beste kant. Daarvan getuigt duidelijk zijn taalgebruik:

  • ik ben nog een onervaren jongen (7c) geldt als een uitdrukking van nederigheid en van onervarenheid;
  • ik weet niet uit te rukken noch terug te keren (7d) is een typische uitdrukking die zijn gebrek aan militaire vaardigheden verwoordt om succesvol oorlog te kunnen voeren;
  • een omvangrijk volk (8b) veronderstelt dat hij opziet tegen de moeilijke taak om koning te zijn van Gods volk Israël, omdat het zo enorm talrijk is;
  • geef dan aan je dienaar een horend hart om jouw volk te richten (9a) betekent dat hij zich dienstbaar opstelt God wil gehoorzamen en daarom acht wil slaan op diens wil om diens volk te kunnen richten.

 

Tweede deel van de droom

Dit positieve beeld dat de lezers stapsgewijs voor ogen krijgen, wordt bevestigd en intenser naarmate zij rekening houden met Gods reactie in het tweede deel van de droom. Ook hier gaat het om een nagenoeg letterlijke vertaling.

 

 

God benadrukt inderdaad een opvallend gebrek aan Salomo’s eigenbelang (11). Terwijl hij hem aanzet om te vragen wat hij graag zou willen (5), solliciteert Salomo zelfs niet eens naar een lang leven, noch naar rijkdom of naar macht (11). Desalniettemin beloont God hem met rijkdom, met eer en met onvergelijkbare eigenschappen. Mensen noch koningen zullen ooit aan Salomo’s niveau en kwaliteiten kunnen tippen (12-13). Tot slot belooft God hem een lang leven op voorwaarde dat hij in zijn vaders voetsporen stapt (14). Het vertellercommentaar over de goedkeuring van Salomo’s verzoek door Adonai of de Heer accentueert dit uitermate positieve beeld over Israëls koning (10).

 

  1. Salomo’s eerste droom in zijn verband lezen

 

Weten de lezers nu na bovenstaande eerste lezing wat dit droomverhaal over Salomo betekent? Kunnen zij op grond daarvan stellen dat ze nu weten wie Salomo was en wat voor soort koning hij wilde zijn? En ook hoe de schrijver van de boekrol Koningen hem voor zijn lezers wilde neerzetten?

 

Zoals eerder aangegeven volstaat het niet om de betekenis van een tekst of een verhaal louter af te leiden op basis van de leesruimte tussen zijn eerste en zijn laatste zin. Er is ook op gewezen dat elke tekst zich tussen andere teksten bevindt en dat is ook het geval bij 1 Koningen 3:5-15a. Het droomgebeuren wordt immers voorafgegaan door een inleiding en er volgt ook een afsluitende paragraaf. Lezers doen er dus goed aan om met beide rekening te houden en het eerdere begrijpen van het droomverhaal (nog) niet vast te leggen, maar de uitleg ervan on hold te zetten. De vraag is dus of de betekenis van het droomgebeuren dan nog hetzelfde blijft. Hier volgt opnieuw een nagenoeg letterlijke vertaling.

 

Voorspel van het droomgebeuren

Als de lezers Salomo horen zeggen dat hij zichzelf als een onervaren jongen kwalificeert, zullen zij – tenminste als zij zich herinneren wat zij eerder in 3:1-4 lazen – hun wenkbrauwen fronsen. Zij zullen zich beslist afvragen of wat hij daar in de droom zegt echt wel geloofwaardig is. Hoe kan hij dát nu beweren? Hij had immers toch al een demonstratie gegeven van zijn kunnen door heel ambitieus

  • zich te verzwageren met farao, de machtige koning van het wereldrijk Egypte (3:1a)?
  • diens dochter in de stad van David te installeren (3:1b), terwijl zijn vader nooit iets met Egypte te maken had?
  • kolossale bouwprojecten aan te vatten (3:1c) met eerst (!) zijn paleis, dan pas JHWH’s tempel en ten laatste de ringmuur ter verdediging van Jeruzalem?
  • het volk te overtreffen met zijn cultusactiviteiten (3:3b)?
  • een megacultus te houden met ‘zijn’ 1.000 brandoffers (à la farao?) op Gibeon, de belangrijkste hoogte van het land (3:4)?

 

In het licht van deze gegevens krijgt zijn bewering een onervaren jongen te zijn een totaal tegenstijdige betekenis. Salomo doelt op zijn onervarenheid, maar het klinkt dus echt overdreven. En wat te denken van zijn beschrijving van Gods volk als omvangrijk volk, dat niet kan worden berekend en niet kan worden geteld vanwege zijn omvang? Komt deze hyperbool overeen met het kleine Israël als men het vergelijkt met de bevolking van het wereldrijk van zijn schoonvader?

 

Lezers kunnen zich ook vragen stellen bij het feit dat Salomo zich tolerant toont ten aanzien van de cultus die het volk praktiseert op de hoogten met hun in JHWH’s ogen sterk ongunstige reputatie (2a). Maar meer dan dat. Hij conformeert zich ook aan de cultuspraktijken van het volk (3b // 2a) en aan de instructies van David, waarmee hij zijn liefde voor JHWH bewijst (3a).

 

Daarnaast zijn er nog een aantal gegevens in deze inleidende tekst die vragen oproepen. Zo kunnen de lezers zich afvragen of zij bij de zinsnede ‘maar Salomo toonde zijn liefde voor JHWH’ die liefde in een absolute zin moeten opvatten. Daar lijkt het echter niet op want het ‘maar’ functioneert als een toelichting op ‘omdat er nog geen huis voor de naam van JHWH was gebouwd tot op die dagen’ (3:2b). Bovendien wordt zijn liefde gepreciseerd met ‘door te gaan conform de instructies van David’, zodat deze laatste wel betrekking moeten hebben op de bouw van JHWH’s huis. Het is toch merkwaardig te noemen dat hij zich respectievelijk inzet voor Farao (1b) en de hoogten (3b) en daartegenover zich lijkt toe te wijden aan JHWH en de tempel (3a). Kunnen de lezers hem dan als een exclusieve dienaar van JHWH beschouwen?

 

Naspel van het droomgebeuren

 

De vraag rijst waarom Salomo op de hoogten bleef slachten, reukoffers brengen (3b) en brandoffers omhoog doet gaan op het altaar van de belangrijkste hoogte Gibeon (4abc). Waarvoor was dat nodig? Had hij dat niet voor de verbondskist van Adonai te Jeruzalem kunnen doen (15b)? Het is toch duidelijk dat hij hiermee als koning van JHWH’s volk de niet te onderschatten spanningen intensiveert tussen Jeruzalem en de verbondskist enerzijds en de hoogten, Gibeons hoogte en altaar anderzijds.

 

Aan het slot vermeldt de verteller dat de koning een feestmaaltijd voor ‘al zijn dienaren’ bereidt (15d). Waarom niet voor zijn hele volk of een afvaardiging ervan? Had hij in de droom niet gesuggereerd dat hij zich wilde inzetten voor het volk (9a)? Gedraagt hij zich hier niet als een farao met zijn hofhouding?

 

Een balans en veel onbeantwoorde vragen

Salomo komt in dit droomverhaal met zijn inleiding en afsluiting (3:1-15) dus zeer ambivalent over. Enerzijds ervaren de lezers een euforische teneur, omdat Salomo JHWH liefheeft en deze aan hem verschijnt. Ook doet God hem een aanbod en willigt zijn wens in waarbij hij hem een grootste koninklijke toekomst belooft. Salomo blijkt Davids gedrag te maximaliseren terwijl hij zijn eigen kunnen minimaliseert. Na zijn Gibeon-ervaring besteedt Salomo aandacht aan JHWH’s verbondskist in Jeruzalem. En tenslotte rapporteert de verteller Adonai’s goedkeuring over Salomo’s vraag.

 

Anderzijds vallen echter flink wat onduidelijkheden en tegenstellingen op. Het regent vragen:

  • Waarom verzwagert Salomo met de koning van Egypte? Louter uit politieke beweegredenen of speelt er ook een godsdienstig aspect mee?
  • Wat is de functie van de informatie over het feit dat Salomo ‘de stad van David’ binnenbrengt? Bestaat er een verband tussen haar aanwezigheid en de geplande tempelbouw?
  • Waarom volgt Salomo het volk qua slachten op de hoogten? Laat hij zich op dat vlak door zijn onderdanen beïnvloeden (zij offeren op de hoogten en dat doet hij ook)?
  • Waarom begeeft Salomo zich naar Gibeon om daar brandoffers te brengen en doet hij dat niet in Jeruzalem?
  • Wil hij zich met zijn 1.000 brandoffers een evenknie van Farao tonen of hem misschien zelfs overtreffen?
  • Waarom verschijnt JHWH nu juist te Gibeon en waarom doet hij dat niet bij zijn verbondskist in Jeruzalem zelf?
  • Hoe moet verder het gesuggereerde statusverschil tussen Gibeon als belangrijkste hoogte met het nadrukkelijk geaccentueerd dát altaar (4c) en de verbondskist van Adonai in Jeruzalem (15b) worden begrepen?
  • Waarom geeft God wel commentaar op Salomo’s vraag, maar reageert hij niet op zijn daden?
  • En waarom maakt God rijkdom en eer niet afhankelijk van zijn gaan à la David maar wel een lang leven?
  • Suggereert de voorwaardelijke formulering – ‘indien jij gaat in mijn wegen door mijn instructies en mijn geboden in acht te nemen, zoals David jouw vader is gegaan’ – dat Salomo dat nog niet heeft gedaan of doet?
  • Wat is de functie van de feestmaaltijd die Salomo voor al zijn dienaren bereidt? Gaat het om een cultusmaaltijd als dank voor Gods aanbod en toezegging te Gibeon? Of een huwelijksdiner? Of nog om zijn koninklijke machtspositie te vieren?
  • En hoe moeten tenslotte de lezers het wisselend gebruik van de godsnamen inschatten: JHWH verschijnt, God spreekt en Adonai die goedkeurt! Gewoon als synoniemen of is er meer aan de hand?

 

Ter afronding

Redenen te over om bij de beoordeling van koning Salomo in dit verhaal zeer voorzichtig gereserveerd te zijn. Hij komt niet echt positief over en dit vooral, omdat zijn woorden niet sporen met zijn voorafgaand en navolgend gedrag. Lectuur van een aantal zaken in de twee voorafgaande hoofdstukken (1 Koningen 1-2) en in de zes volgende hoofdstukken (4-11) kunnen mogelijk voor enige opheldering zorgen en het beeld van koning Salomo in dit verhaal bijstellen.

Wordt vervolgd

 

 

 

error: Alert: Content is protected !!