5.2.3 Luther en de Bijbel 3

Het ontdekken van de ongelooflijke bijdrage, die Martin Luther op het vlak van het vertalen en begrijpen van de Bijbel heeft geleverd aan de wereld van zijn tijd met diepgaande en verregaande gevolgen, die tot nu toe reiken. Verder aandacht voor Luthers manier van bijbeluitleggen met als voorbeeld zijn commentaar op Genesis 11:1-9

 

Inleiding

Martin Luther schreef een commentaar op het boek Genesis, waarin hij de teksten vers voor vers presenteerde, becommentarieerde en uitlegde via een lectio continua of de gewoonte om de Bijbel in zijn gewone volgorde te lezen. Na een introductie van Luthers manier van bijbeluitleggen wordt in deze bijdrage nagegaan in hoeverre hij zijn eigen basisregels hanteerde. Dit gebeurt dan aan de hand van de korte perikoop van Genesis 11: 1-9. Het staat bekend als het verhaal van ‘de toren van Babel ‘. De lezer kan na onderhavige bijdrage zich informeren hoe schrijver dezes dit bijbelverhaal zelf uitlegt (zie daarvoor op deze website 2. Leesvaardigheden 2.3. Verdiepen 2. Een stadsverhaal – Genesis 11.1-9). De lezer kan dit uiteraard ook van te voren doen, maar in dat geval staat hij of zij minder onbevangen voor Luthers uitleg.

 

Luthers manier van bijbeluitleggen

In Luthers tijd konden theologen gebruik maken van vier manieren om aan tekstuitleg te doen. Het zou te ver voeren om ze hier te bespreken, maar een illustratie omtrent het woord Jeruzalem geeft er al snel inzicht in. Eén lezing (de Antiocheense) beperkte zich tot de letterlijke stad Jeruzalem, een andere (de Alexandrijnse) benadering zag er de Kerk in. De derde profetische of typologische lezing vatte het als het hemelse Jeruzalem op en de vierde (de morele) lezing paste het woord Jeruzalem toe op de menselijke ziel. Aanvankelijk stond Luther achter deze vier betekenissen van de Schrift, maar geleidelijk maakte hij er zich van los, hoewel hij twee ervan – de letterlijke en de allegorische – soms nog vrijelijk toepaste.

Martin Luther ontwikkelde zelf een theoretische bijbeluitleg of exegese, waarmee hij de Bijbel wilde beschermen tegen verkeerde interpretaties. Hij bestreed dan ook kluchtig aandoende en absurde verklaringen en allegorische interpretaties. Die laatste gebruikten een aantal metaforen en of vergelijkingen om ze samen tot één beeld te vormen.

Trouw aan de tekst

Een van zijn basisregels was dat de teksten van de Bijbel in hun context moeten worden gelezen en begrepen. Daarnaast moet er rekening worden gehouden met de verschillende aanwezige genres. In dat opzicht vatte de hervormer de Bijbel op als een verzameling van literaire, verhalende, poëtische en wetgevende geschriften. Tevens zag hij ze als profetische oproepen om niet af te wijken van het juiste woord. Hij wilde absoluut trouw aan de tekst zijn, omdat dat de overhand moet hebben. Voor hem betekende dat niets anders dan trouw aan de taal en daarom zette hij alles in op een correcte grammatica en een correcte woordenschat.

Brontalen leren

Aanvankelijk vertaalde hij de Bijbel hoofdzakelijk vanuit de Latijnse Vulgaatvertaling. Na verloop van tijd begon hij te beseffen dat dit niet juist was. Hij wilde koste wat kost dichter bij de oorspronkelijke betekenis van de bijbelteksten komen. In Wittenberg maakte hij een aanvang om heel serieus Grieks en Hebreeuws te leren om zo een directe toegang te krijgen tot de bijbelse brontalen. In het besef dat hij ze onvoldoende beheerste, deed hij voortdurend beroep op de taalvaardigheden van o.a. zijn geleerde vrienden: Melanchton voor het Grieks en Aurogallus voor het Hebreeuws. Hij liet zich ook graag door andere geleerden voorlichten over de betekenis van teksten alvorens ze te vertalen. Het vertalen van de Profeten ervoer hij soms als een echte bevalling.

Kritisch studeren

Het is echt verrassend te noemen dat deze zestiende-eeuwse Luther al blijk gaf van een historisch-kritische geest. Zo vond hij dat de heilige boeken niet geïnspireerd waren. Bijgevolg zag hij er geen probleem in als Mozes de Thora (of Pentateuch) niet zou hebben geschreven. Hij ging er trouwens van uit dat Salomo helemaal niet de auteur was van Prediker en het Hooglied. Daarnaast achtte Luther Jona’s verhaal zó onwaarschijnlijk dat ‘als het niet in de Bijbel had gestaan, hij er om zou hebben gelachen als een gekke verbeelding van een dichter’.

De hervormer hield oprecht van wetenschap en als geleerde deed hij grondig onderzoek om de betekenis van teksten te begrijpen. Zo liet hij edelstenen naar hem toe brengen om Openbaring 21 nauwkeurig te kunnen vertalen. In het kader van Israëls offerdienst begaf hij zich naar de slachterijen met de bedoeling de verschillende lichaamsdelen van schapen en andere dieren in zijn vertaling correct weer te kunnen geven.

Niet kerk en paus, maar Bijbel en Christus

Voor Martin Luther horen kerkvaders, concilies, pausen en priesters niet het gezag van de bijbeluitleg te claimen. De Bijbel bevestigt zichzelf en daarna de kerk en niet andersom, zoals het pausdom dat veronderstelde. Omdat de Schrift de uiteindelijke autoriteit is voor christenen, mag de boodschap ervan niet worden geregionaliseerd of gedegradeerd tot een bepaalde tijdsperiode. De Bijbel interpreteert zichzelf. Dat impliceert dat de Bijbel op zichzelf duidelijk is. Alleen onfeilbaar en absoluut is het unieke gezag van de Bijbel en daarom stelt Luther: ‘De Schrift kan zich niet vergissen’, die Schrift kann nicht irren. Daarom geldt voor hem het principe sola scriptura, alleen door de Schrift. Hiermee legde hij dan ook de belangrijkste grondslag van de Reformatie.

Luther maakte nog een extra stap door de Bijbel ‘christologisch’ uit te leggen. Hij geloofde immers dat Christus de enige inhoud van de Schrift is. Luther zag Christus als zijn enige leraar, Christus onderwijst hem, Christus spreekt in hem. Christus is het vleesgeworden Woord van God. Daarom kan de Bijbel alleen Gods woord zijn als het over Christus gaat. Luther stelde verder dat de hele Schrift moet worden geïnterpreteerd in zijn relatie tot het evangelie. Elke tekst moet met andere woorden worden gezien in het licht van Gods verlossingswerk in de incarnatie, het leven, de dood en de opstanding van Jezus.

 

De tekst van Genesis 11:1-9

Luthers methode van bijbeluitleg wordt geïllustreerd met zijn commentaar op het verhaal van Genesis 11:1-9 dat hier volgt in de vertaling de NBG ’51. De tekst ervan komt in een (colometrische) presentatie van enkelvoudige zinnen, die het verhaalverloop goed zichtbaar maken. Waar de verteller het woord aan de spelers geeft, springt de tekst in. De aanduiding voor God met ‘HERE’ is vervangen door het vanuit het Hebreeuws overgezette vierletterwoord JHWH.

 

Luther legt uit met een kritische geest

De lezers van Luthers commentaar kunnen vaststellen dat hij deze tekst nogal letterlijk leest en ook met een kritische geest op een vrijwel correcte manier uitlegt. Hieronder volgen daarvan enkele voorbeelden omtrent de instelling van de bouwers van de toren en een aspect van Gods reactie daarop. De citaten komen uit de Franstalige vertaling van Luthers Genesiscommentaar, waarbij de pagina’s tussen haakjes staan. Tussen vierkante haakjes wordt verwezen naar de bladzijden van de Engelstalige vertaling.

  • “Dit hoofdstuk geeft niet duidelijk aan waaruit de zonde van de bouwers van de toren van Babel bestond. Bijgevolg variëren meningen zowel over de constructie van de toren als over de zonde van zijn bouwers, waarvan de vrijheid evenredig is met de auteurs en hun durf.” (400) [210-211]

 

  • “Laten we nadenken over de zonde van de bouwers, die niet duidelijk wordt uit de tekst … “. ‘Daarom geloof ik dat ze toch niet zo dom waren om te denken dat ze een stapel zo hoog konden oprichten dat deze hen zou beschermen tegen een overstroming. Ik geloof dat de kern van de zaak ligt in het woord dat ze spreken: “Kom, laten we voor ONSZELF een stad en een toren bouwen.” … Daarom denk ik dat hier de zonde niets anders was dan buitengewone zelfvoldaanheid en trots die gepaard ging met minachting voor God. ‘ (400-401) [211-212]

 

  • “Daarom moeten deze woorden, die Mozes zo sober heeft geformuleerd – dat zij elkaar hebben aangezet om een ​​toren en een stad te bouwen – rigoureus worden geïnterpreteerd.” (401) [212]

 

  • “Op zich was het geen zonde om een ​​toren op te richten en een stad te bouwen, want de heiligen deden hetzelfde.” (402) [214]

 

  • “Dan hoorde en zag hij, die eerder leek te slapen alles; en zijn toorn ontbrandt, woedt en doodt als een vuur. Op dezelfde manier staat hier dat God neerdaalt, alsof hij niet eerder aanwezig was geweest … De Heilige Schrift heeft dus zijn manier van uitdrukken waaraan je moet wennen. ‘God daalt af’ moeten we niet begrijpen in de zin van echt afdalen, want God is overal …” (409) [223]

 

  • “Hij toont een opvallende minachting voor deze tirannen en trotse bouwers wanneer ‘de tekst’ hen zonen van Adam, mensenkinderen noemt.” (In een voetnoot noemt Luther [voor ‘de tekst’] twee andere opties: of ‘Mozes’, of beter: ‘God’ …) (410) [224]

Bovengenoemde citaten maken duidelijk dat Luther zijn best deed om zo dicht mogelijk bij de tekst te blijven. Hij verstrekte zijn lezers hiermee een tamelijk getrouwe weergave van een aantal gegevens in het verhaal en dat deed hij op een vrijwel correcte manier.

 

Luther veroorlooft zich uitlegkundige vrijheden

Vraag is of Luther Genesis 11: 1-9 over de hele lijn nauwkeurig en correct uitlegde. Dat blijkt niet altijd het geval, want hij veroorloofde zich nogal wat vrijheden. Waarom deed hij dat? Las hij gewoon tussen de regels door om de tekst – die hij wilde respecteren – voor de lezer te verduidelijken? Of kleurde hij gewoon buiten de lijntjes van de tekst? Voegde hij zaken en gegevens toe in de tekst, die de toets van een gezonde tekstuitleg niet doorstaan. Luther verschafte zijn lezers ook toelichtingen, waarvan het maar de vraag is of ze op voldoende grond berusten.

Er volgen nu een reeks sprekende voorbeelden uit zijn commentaar op Genesis 11:1-9. Ze illustreren Luthers manier van denken en omgaan met de Bijbel. Het is aan de lezer van deze bijdrage om te beoordelen of de manier hout snijdt, waarop deze citaten hieronder worden gekwalificeerd of gekarakteriseerd.

  1. Speculatie
  • “Na de zondvloed beleefde de hele aarde een tijd van geluk. Omdat alle mensen maar één taal hadden, die geen onbelangrijke harmonische band vormde en die vooral nuttig was voor het in stand houden van de leer van de religie. (400) [210]
  • “Deze mannen die gegrepen zijn door zo’n intens verlangen om hun eigen naam te verheffen, zijn er zeker niet om bezorgd dat de naam van God geheiligd kan worden; en zij keken ongetwijfeld met diepe minachting naar de eenvoudige hutten van de heilige vaders en hun broers, daar zij in zo’n grootse stijl bouwden.” (400-401) [212-213]
  1. Dramatiek en sentimentalisme
  • “Moeten wij er niet vanuit gaan dat het de vrome Noach en zijn volk bedroefde dat zijn afstammelingen zich met dergelijke ondernemingen bezighielden, terwijl hun vader toekeek en zijn waarschuwingen niet mochten baten? Zo werd deze heilige voor een tweede keer als een zwakzinnige oude man belachelijk gemaakt.” (404) [216]
  • Dit is als een jammerklacht van God: hij is verbaasd en lijdt door zo’n grote aanmatiging en vast te stellen dat deze mannen doodgemoedereerd het gezag van Noach en Sem verachten, tot hun grotere schade.” (411) [226]
  1. Overdrijving
  • “Is het niet van hun kant een buitengewone trots en een grote minachting voor God om zo’n grote onderneming te hebben durven bedenken zonder God te raadplegen.” (401) [213]
  • “Want Hij noemt hen, die zonder het Woord zijn, zonen van de mensen, hopeloos perverse huichelaars.” (410) [224]
  1. Substitutie en projectie
  • “Kaïn was weggegaan van zijn vader en had de ware kerk veracht. Hij had een speciale kerk ingesteld (d.w.z. een valse kerk) zonder dat God het hem had opgedragen.” (400) [210]
  • “Als je deze zonden bij een andere naam wilt noemen, dan gaat het echt om godslastering van de naam van God en een schending van de sabbat; het is onmiskenbaar een afgoderij, waardoor de glorie van de levende God in een stierkalf wordt veranderd, dat wil zeggen in een afgod van het hart. Deze zonden verwekken er andere, namelijk die van haat tegen de ware kerk, vervolging, tirannie, moord, diefstal en zelfs hoererij en overspel.” (401) [214]
  1. Extrapolatie
  • “Want een valse en leugenachtige Kerk ontleent haar oorsprong aan Cham, als aan een bron van goddeloosheid en goddeloosheid.” (400) [210]
  • “Satan, de aanstichter van oorlogen en onenigheid (403) [216] … Want Satan, die de goddelozen oproept tegen de ware kerk, is altijd dezelfde.” (406) [219]
  1. Fantasie
  • “Dit is precies wat de goddelozen hier doen, die Noach de straf van de verstrooiing horen verkondigen … Ze lachen om de dreigementen, die ze horen uit de mond van Noach, hun voorvader. Dit zijn de papisten die heimelijk lachen als we praten over de dreiging die de komst van Christus voor hen ” (407) [220]
  • “… en Assur, die volgens mij in alle opzichten een heilige was, bouwde Ninevé omdat hij niet langer met de goddelozen kon leven (Genesis 10:11).” (401) [214]
  1. Dogmatisme
  • Het meervoud (laten wij … Genesis 11:3-4)) getuigt van de Drie-eenheid.” (413) [227]
  • “We hebben in het begin al iets gezegd over het meervoud dat Mozes gebruikt om over God te spreken en dat het gaat om een bevestiging van de allerheiligste Drie-eenheid: we geloven dat de Vader, die voortbrengt, dat de Zoon, die is verwekt, en dat de Heilige Geest, die voortkomt uit de Vader en de Zoon, één God zijn … Mozes duidt daarom de veelheid van personen in God aan, maar hij zegt niets over het aantal [personen] en hij kwalificeert hen niet. Het kwam de glorie van het Nieuwe Testament toe om ze expliciet aan te duiden … In het Oude Testament werd dit artikel van de Drie-eenheid daarom opgenomen in het geloof in het algemeen, waarin de heilige aartsvaders stierven en werden gered. Laten we daarom niet lijden dat dergelijke getuigenissen van ons worden afgenomen (Luther denkt hier nog altijd aan de Joden) .” (413) [227]
  1. Polemiek
  • “Want de verraderlijke kerk is altijd de vervolger van de ware kerk, niet alleen met geestelijke wapens – valse leerstellingen en goddeloze erediensten – maar ook fysiek, met het zwaard en de tirannie.” (402) [214]
  • “… ze lachen ook om de dreigementen, die ze van hun voorvader Noach horen. Op dezelfde manier lachen onze papisten heimelijk wanneer we hen bedreigen met de komst van Christus.” (407) [220]
  1. Ironie
  • “God maakt echter geen gebruik van stormrammen om muren in te beuken, noch gebruikt Hij andere krijgstuigen; Hij verwart alleen maar hun talen.“ (411) [225]
  • “Ze verachtten doodgemoedereerd het gezag van Noach en van de godvruchtige Sem.” (411) [225]
  1. Stereotype
  • “Hij (nl. God) toont een opvallende minachting voor deze tirannen en trotse bouwers wanneer Hij hen zonen van Adam of mensenzonen Hij (d.w.z. de tekst) doet dit met dezelfde bedoeling als hierboven (Genesis 6:2,3), namelijk om een onderscheid te maken de ware en de valse kerk, tussen de kinderen van God en de mensenkinderen.”(410) [224]
  • “Daarom is dit een tekst met theologische betekenis, want het onthult de gemoedstoestand van zowel de goddelijke als de goddeloze mensen.” (408) [221]
  1. Ongegronde veronderstelling
  • “Want de heiligen deden hetzelfde; en Assur, die volgens mij in alle opzichten een heilige was, bouwde Ninevé omdat hij niet langer met de goddelozen kon leven (Genesis 10:11).” (402) [214]
  • Het is mijn overtuiging dat het oosten de term is voor de regio, die het dichtst bij het oosten ligt van het land Kanaän. Zo worden in de boeken van de Koningen de Arabieren zonen van het oosten genoemd (1 Koningen 4:30).” (405) [217]
  1. Spot en anti-joods discours
  • “In het Oude Testament werd daarom dit geloofsartikel over de Drie-eenheid opgenomen in het algemene geloof, waarin de heilige vaders stierven en gered werden. Laten we daarom niet toestaan om ons deze bewijzen te laten afnemen door de goddeloze en verblinde Joden.” (413-414) [227-228]
  • Het meervoud (laten wij … Genesis 11:3-4) getuigt van de Drie-eenheid … We zeiden dat dit het zekere bewijs is van de meest heilige Drie-eenheid, van ons geloof … We gaan beslist geen tijd besteden aan de banale bezwaren van de Joden, die leuteren dat God met de engelen aan het spreken was.” [227] (413)

Bovenstaande citaten uit Luthers commentaar op het boek Genesis leren dat Martin Luther weinig adequaat en correct te werk ging bij zijn uitleg van en zijn commentaar op Genesis 11: 1-9. Hij veroorloofde zich tamelijk veel vrijheden, die de lezer weghouden van de betekenis van de tekst. De oogst op het niveau van adequate en correcte uitleg oogt daarom niet erg bijzonder.

 

Ter afronding

De hervormer Martin Luther ontwikkelde – zoals hierboven aangetoond – dus zelf een nieuwe methode van bijbeluitleggen, waarbij hij duidelijke criteria vooropstelde:

  • Trouw aan de tekst en aan de taal met een correcte grammatica en woordenschat;
  • Kennis van de bijbelse brontalen Hebreeuwse en Grieks om de oorspronkelijke betekenis van de teksten te achterhalen;
  • Noodzaak van een historisch-kritische geest met veel aandacht voor de oorspronkelijke historische, culturele en godsdienstige achtergrond;
  • Het gezag van de Bijbel staat als een huis, waarvoor alle andere gezagsinstanties moeten wijken onder het motto ‘de Schrift alleen’;
  • Uiteindelijk moet de bijbeluitleg ondergeschikt worden gemaakt aan de christologische opvatting. Gods Woord moet vanuit Christus worden uitgelegd.

Voor zijn tijd was zijn bijbeluitleg werkelijk bewonderingswaardig. Luther gebruikte hem niet alleen in de collegezalen, maar ook op de kansel. Daarmee wilde hij immers zowat alle barrières, die het begrijpen van de Bijbel in de weg stonden, uit de weg ruimen.

In de praktijk echter opereerde Luther erg eclectisch, telkens het beste uitkiezend. Hierdoor kan zijn bijbeluitleg moeilijk onder één noemer worden gevat. Soms ging hij letterlijk tewerk, soms christologisch, soms allegorisch, zelfs mystiek, soms historisch en kritisch, maar dan ook weer pastoraal en devotioneel. Bijgevolg gingen vele van zijn uitleggingen soms alle kanten op.

Desondanks onderstreepte Martin Luther op het eind van zijn leven nog eens met klem zijn oneindig respect voor de niet door de mensen te vangen zeggingskracht van de Schrift. Tegelijkertijd besefte hij zijn eigen tekortkomingen en juist daarom oordeelde hij minder gunstig over zijn arbeid aan zijn commentaar op Genesis. Hij verzette zich lang tegen de gedachte dat de collegedictaten over Genesis zouden worden uitgegeven. Met ‘het is een verward en onvolledig college, niet geschikt om gedrukt te worden, het is te zwak’ bewees hij zijn realistische kijk op zijn eigen werk en tevens de enorme bescheidenheid die hem enorm sierde.

 

Nabeschouwing

In een kort woord vooraf en in het slotwoord in het eerste deel van zijn Genesiscommentaar verzweeg hij zijn bezwaren niet tegen de publicatie van zijn collegedictaten. Hij erkende dat hij vaak zonder nauw verband met de tekst had gesproken over wat hem naar aanleiding van die tekst zoal in gedachte was gekomen. Maar ik heb tenminste m’n best gedaan, voegde hij eraan toe.

Toen Luther in 1535 met de behandeling van het boek Genesis begon, had hij al het besef dat dit zijn laatste college zou worden. ‘Dit zal mijn laatste werk zijn, daarmee zal ik, als het God behaagt, mijn leven afsluiten’. Op de 17de november 1545 beëindigde hij zijn bespreking met ‘Jozef stierf.., en zij leiden hem in een kist’ als het laatste vers van Mozes’ eerste boek. De slotwoorden van het dictaat waren:

‘Dat is nu de lieve Genesis.

Onze Here God geve, dat anderen na mij het beter doen.

Ik kan niet meer, ik ben op. Bidt God voor mij, dat Hij mij een goed, zalig einde verlene.’

 

Bibliografie

Arnold, M., Luther, Paris 2017.

Babel, H., Les sept principes du protestantisme, Neuchâtel, 1969.

Boendermaker, J.P., Luther als vertaler van de Schrift en Luther als uitlegger van de Schrift, in Rondom het Woord, Theologische etherleergang, 25 (1983) nr. 3, ‘Maarten Luther 1483-1983’, 39-44 en 45-50.

Ebeling, G., Evangelische Evangelienauslegung. Eine Untersuchung zu Luthers Hermeneutik, Tübingen 1991.

Gillaerts, P. e.a. (red.), De Bijbel in de Lage Landen. Elf eeuwen van vertalen, Heerenveen, 2015.

Heyer, C.J. Den., ‘Geschiedenis van de exegese vanaf de reformatie’, in Bijbels Handboek deel III, Het Nieuwe Testament, Kampen, 1987, p. 561-598.

Kern, U.,  Dialektik der Vernunft bei Martin Luther, Berlin, 2014.

Kooiman, W.J., Luther en zijn bijbelvertaling, Baarn, 2012.

Lienhard, M., Luther. Genève, Labor et Fides, 2016.

Luther, M., Œuvres, Tome XVII, Genève 1977, 400 à 413.

  1. Luther, Luther’s Works, Volume 2. Lectures on Genesis Chapters 6–14, Pelikan, J., (ed.), St. Louis 1960, 210-227.

Soury, J., Luther: Histoire de sa préparation exégétique, in : Revue des Deux Mondes, 2e période, 95 (1871). 897-934.

Urban, M., Ach Gott, die Kirche! Protestantischer Fundamentalismus und 500 Jahre Reformation, München, 2016.

 

 

error: Alert: Content is protected !!