3-Hebreeuwse bijbel3.3-Verdiepen

3.3.2 Jesaja wordt tot profeet geroepen

Jesaja 6:1-13

Zich verdiepen in de manier waarop Jesaja zijn visioen beschrijft, waarbij hij door de God van Juda tot profeet wordt geroepen.

Inleiding

In een eerdere bijdrage hebben lezers kennis kunnen maken met de inleiding van Jesaja’s zeven meter lange Hebreeuwse boekrol (3. Hebreeuwse Bijbel 3.1. Kennismaken 1. Jesaja valt bij Juda met de deur in huis).

Jesaja’s Hebreeuwse naam (jesja`jāhū) betekent: ‘JHWH redt’ of ‘bevrijding van JHWH’. Zijn ouders zullen wel nooit hebben vermoed dat deze naam, die zij hem gaven, overeen zou komen met de kern van zijn boodschappen, die hij later namens JHWH aan zijn volk zou doorgeven. Op grond daarvan kan hij als de evangelist onder de profeten worden beschouwd. Het was een man met een onwrikbaar vertrouwen in JHWH. Met veel verve probeerde hij die instelling bij zijn toehoorders en lezers aan te bevelen. Dit betekent echter niet dat hij zich steeds zalvend tot zijn publiek richtte.

Over zijn vader Amos (1:1; 2:1; 13:1) – iemand anders dan de profeet Amos – is er in de Hebreeuwse Bijbel niets bekend. Volgens een joodse traditie zou hij een broer zijn geweest van koning Amasja, de vader van Uzzia[1] in wiens sterfjaar (circa 740 voor de gewone jaartelling) zijn roepingsvisioen plaatsvond (6:1). Volgens een rabbijnse overleve­ring zou Jesaja onder koning Manasse van Juda (- 696 of 686-642) de marteldood zijn gestor­ven.

Historische situatie

Jesaja’s roeping valt dus samen met het jaar waarin koning Uzzia (of Azarja in 2 Koningen 15:1-7) van Juda – die deed wat recht was in JHWH’s ogen – stierf. Nadat hij met een soort schimmel of huidvraat (NBV) door JHWH ziek werd, regeerde zijn zoon Jotam als regent. Dit was een rechtvaardige maar niet zo sterke figuur (15:5) over wie Jesaja zijn lezers geen informatie verschaft (7:1). Uzzia kende een voorspoedige regeerperiode, maar naar het einde toe kwam Juda in een lastige situatie terecht. Met de opkomst van de Assyrische koning Tiglat-Pileser III (-745-727) ondervonden de kleine staten, die tussen Egypte en Assyrië in lagen – waaronder ook Israël en Juda – enorme moeilijkheden vanwege diens legers. Merkwaardig genoeg dateerde Jesaja zijn eigen optreden niet als het tweeënvijftigste regeringsjaar van koning Uzzia, maar als diens sterfjaar. Hij moet daar een bijzondere reden voor hebben gehad. Geen enkele andere profeet heeft immers een dergelijke gebeurtenis op deze wijze gedateerd. De chronisch zieke koning leefde dus jaren in afzondering, verwijdering en vervreemding (2 Koningen 15:5).

Positie van hoofdstuk 6

‘Dit hoofdstuk werd het voorwerp van meer exegese dan welk ander hoofdstuk in Jesaja dan ook’.[2] Duidelijk is dat de eerste zes hoofdstukken van de boekrol niet in een chronologische volgorde staan. Volgens de joodse bijbelcommentator Abravanel uit de 16de eeuw kreeg Jesaja dit visioen (in hoofdstuk 6) pas, nadat hij zijn bestraffende profetieën uit de hoofdstukken 1-5 had bekendgemaakt.[3] Het lijkt erop dat hij zijn lezers eerst over de redenen daartoe wilde informeren, vooraleer hij zijn ervaring ging vertellen. Zijn geschriften beginnen niet meteen met zijn roeping, zoals bijvoorbeeld zijn collegae Jeremia en Ezechiël dat in hun eerste hoofdstuk deden. Het leek hem blijkbaar minder geschikt. Inderdaad, want hoe zouden zijn lezers het anders hebben kunnen begrijpen, dat hij te midden van een onrein volk leefde? Met zijn besef dat hij als onreine zelf niet beantwoordde aan de verwachtingen van zijn Heer, wilde hij zijn lezers mogelijk aansporen tot een zelfonderzoek. En hem bijgevolg als een rolmodel te laten zien? Mogelijk dienden ook zij tot het besef te  komen van hun ‘eigen onreinheid’.

Pas nadat Jesaja de aanklachten tegen het zondige Juda, die hij in het lied van de wijngaard (5:1-7) en het zesvoudig ‘wee’ (hōj) over de onrechtvaardigen (5:8-30) had geformuleerd, rapporteert hij JHWH’s opdracht om de ondergang van het volk aan te kondigen (6:9-12). Deze komt dan niet als een verrassing. Hun vasthouden aan en hun verharding in het kwaad moet duidelijk maken dat er een onafwendbaar oordeel zit aan te komen. De mogelijkheid tot omkeer (tesjūwā), waarvan nog sprake is in het eerste hoofdstuk (1:16-20), wordt hier door de inhoud van JHWH’s opdracht volledig uitgesloten. Die opdracht schokkeert. Jesaja moet er immers zelf toe bijdragen dat de mensen hun harten verharden en zich afsluiten, zodat zij juist niet genezen! De boodschap eindigt met een raadselachtige hoop. Blijkbaar zal er slechts een tronk van de boom, die Juda voorstelde , overblijven, maar die desondanks een heilig zaad zal voortbrengen (6:13).

Tekst

Om verschillende redenen vormt hoofdstuk 6:1-13 een samenhangende tekst met een zeer efficiënte en overtuigende opbouw, zoals hieronder blijkt. Zijn verhalend karakter onderscheidt zich duidelijk van het dichterlijk en orakelachtig aandoend voorafgaande hoofdstuk 5. Hoofdstuk 7 dat erop volgt, betreft een andere tijd waarin Uzzia’s kleinzoon Achaz regeerde (7:1).

Het verhaalverloop van hoofdstuk 6 komt hieronder (in de NBG’51-vertaling) in enkelvoudige zinnen, die overeenstemmen met de accentuering in de Hebreeuwse tekst[4] (zie Appendix). Enkele aanpassingen worden hier cursief aangegeven en ‘de HERE’ is vervangen door de vierletternaam JHWH. Waar de verteller het woord geeft aan de spelers, springt de tekst in.

Sommige naamwoorden, werkwoorden en eigennamen komen meer dan één keer voor en staan hier ingekleurd, onderstreept, vet gemaakt of omkaderd. Mogelijk wendt Jesaja ze aan als sleutelwoorden[5] om de lezer te begeleiden bij het begrijpen van het verhaal. Een aantal van de 187 woorden (in de Hebreeuwse tekst) geven er een aantal meerdere keren present: 32 woorden twee keer, 8 woorden drie keer, 3 woorden vier keer en 1 woord zelfs 9 keer (‘zeggen’). Zij maken de helft van de tekst uit (109 woorden !). Al met al dus een bijzonder compacte tekst.

Jesaja’s rol

Jesaja, die hier niet met zijn eigennaam wordt genoemd, maar er als ik-persoon voorkomt, zegt drie keer iets. Dat het werkwoord ‘zeggen’ (‘āmar) het meest wordt herhaald (9x), duidt op een drukke communicatie. Een eerste keer doet hij dat op eigen initiatief. Hij wordt immers overweldigd door wat hij ziet en door wat hij de serafijnen hoort zeggen. De klanken ervan overdonderen hem (1:3ab). Dit komt door de vele (in de Hebreeuwse tekst) op elkaar volgende lange a en o-klanken: qādōsj, qādōs, qādōs, JHWH tsebā’ōt, melō’ kol-hā’ārèts, kevōdō. Zij zetten JHWH’s overweldigende grootsheid in de verf. Jammerend reageert hij zelf (1:5) met een stortvloed van i-klanken – ‘ōj-lī kī-nīdmējti kī ‘īsj themē’-śefātaīm ‘ānōkhī ūvetōkh `ām-themē’ śefātaīm ‘ānōkhī – die zijn kleinheid of nietigheid uitdrukken. Hij ervaart die tegenover de grootsheid van zijn Heer (of meester) in wiens dienst hij staat. Hij ziet hem immers als koning op die hoge en verheven troon zitten met zomen, die de tempel (waarin hij staat?) vullen (6:1bc).

Bij de tweede keer zegt Jesaja met véél nadruk (5e) dat hij de koning met eigen ogen heeft gezien. Hij noemt hem nu niet ‘Heer’ maar JHWH van de legers of legermachten (tsebā’ōt). Binnen de eerste scène (6:1-5) ontstaat daardoor een krachtig contrast. De vermelding daarin van de dood van ‘de koning’ Uzzia (6:1a) mist de gebruikelijke opmerking van de troonsbestijging van zijn opvolger (hier: zijn zoon en regent Jotam). Deze wordt vergezeld van Jesaja’s waarneming van ‘de koning’, die op een hoge troon zit. Daarmee onderstreept hij dat zijn Heer in werkelijkheid regeert over ‘het land’ (i.e. Juda) dat hier als vertaling (vanuit het Hebreeuws) beter past dan ‘de aarde’. De beschrijving van dat land, dat in de laatste scène zo goed als dood (nl. verwoest) is (11d-13d) – vanwege het grondig ziek zijn van het volk (1:5) dat zich immers niet wil bekeren (6:10d) – harmonieert met de dood van de koning, die volgt op zijn tergend lange ziekte.

Bij Jesaja’s lezers situeert JHWH’s heiligheid zich normalerwijze in de hemelse regio’s, terwijl zijn heerlijkheid (kāvōd) zich in deze tekst manifesteert beneden in de tempel van Jeruzalem. Jesaja ervaart dus niet louter een God, die boven de wereld uit troont, maar die ook in de wereld present is. Meestal wordt kāvōd met glorie vertaald, maar in het Hebreeuws gaat het voornamelijk om eigenschappen van macht, kracht en beter nog van zwaarte of gewicht. De sleutelwoorden, die de focus daarop versterken, zijn ‘heilig’ (qādōsj), ‘zien’ (rā’ā) en ‘horen’ (sjāma`), die hier alle wel vier keer voorkomen. Daar dragen ook de woorden ogen, lippen, zitten, volk, Heer, JHWH, het werkwoord vullen en het getal twee toe bij.

Opbouw van het verhaal

Jesaja heeft in dit hoofdstuk 6 aan zijn verhaal een evenwichtige en krachtig aandoende opbouw gegeven, waarin zich een tegengestelde tweeheid of polariteit aanbiedt. Het magistrale effect dat het eerste deel (1-7) bij Jesaja (en de lezer) teweegbrengt, wordt in het tweede deel (9-13) met een afschrikwekkend beeld totaal omgekeerd. De tegenstellingen en onverenigbare beelden tussen de overeenkomstige alinea (A-A’; B-B’, C-C’, D-D’) spreken voor zich. Ze staan in het schema ingekleurd met daarbij onderstreepte, gecursiveerde, vet gemaakte en omkaderde woord(groep)en. De lezers kunnen ze makkelijk met elkaar vergelijken en duiden.

Onafhankelijk van zijn wil, maar wel bewust van zijn kleinheid, vervult de vrijwilliger Jesaja een scharnierfunctie, die het verhaal doet kantelen (X). Ingeklemd tussen de grote overweldigende koning JHWH op zijn troon en het verstokte volk, dat op een haar na van de aardbodem verdwijnt, gaat hij in op de oproep om naar het volk te worden uitgezonden. Jesaja’s eigen onverwachte reiniging van ongerechtigheid en verzoening van zonde (6:7de) geeft de lezers mogelijk hoop op een miniem overblijfsel van het volk.

Heiligheid contra ongerechtigheid

Jesaja krijgt in het jaar, waarin zijn koning Uzzia sterft een visioen, waar hij zijn Heer (‘adōnāj) ziet zitten op een hoge en verheven troon (6:1). Het suggereert zowel Gods majesteit boven als buiten de wereld (d.w.z. zijn transcendentie). De zomen van zijn mantel onderstrepen die koninklijkheid en dat zij de tempel vullen, betekent dat zijn troon en zijn persoon torenhoog boven de tempel uitrijzen. Zij benadrukken het idee van die transcendentie. Door de rook heen ziet de profeet de zomen van de mantel van de Heer, maar over de vorm van God zegt de profeet niets.

De aanwezigheid van de serafijnen (6:2) sluiten ook aan bij die bovenzinnelijkheid, omdat zij ‘boven hem’ staan. Het kan ook als ‘bij hem’ worden opgevat,[6] dat logischer klinkt en zeker als het om een soort dienende wachters gaat.[7] Martin Buber[8] noemt deze hemelse wezens ‘Brandwesen’, omdat het werkwoord śāraf (branden) aan de basis ervan ligt. Blijkbaar gaat het om heel hooggeplaatste dienaren, die zich ophouden bij de troon van de Heer en die Jesaja iets verder JHWH van de legers noemt. Al vliegende roepen deze vuurwezens het indrukwekkende drievoudige ‘heilig’ (qādōsj) naar elkaar toe, terwijl zij hun gezicht en hun onderlichamen niet bloot geven.

In het Oude Midden Oosten werd het begrip ‘heilig’ toegepast op de goden, die afgescheiden waren van het gewone volk zonder dat er een morele betekenis aan werd verbonden. Voor Israël echter betekende JHWH’s kwalificatie als ‘heilig’ enerzijds dat hij een totaal ander karakter had dan de toenmalige andere goden. Anderzijds ook dat hij een God was, die een intens contact met zijn volk wenste, maar niet tegen elke prijs. Hij verwachtte immers dat het volk die kwalificatie van heiligheid ook nastreefde. Daar maakt de thora duidelijk gewag van: ‘Heilig zullen jullie zijn; want heilig ben ik, JHWH, jullie God (Leviticus 19:2). De wijze van dit heilig leven wordt o.a. in de hoofdstukken 11 en 19 tot en met 21 van die boekrol grondig uitgewerkt. Het draait daarbij om zowel hun relatie met God als met hun medemens. En dat laatste dan hoofdzakelijk in ethisch opzicht. Twee relaties die onlosmakelijk met elkaar verbonden horen te zijn. Met betrekking tot Jesaja 6 houdt dit in dat de rituele reiniging – de gloeiende kool van het altaar die zijn lippen aanraakt – niet los hoort te worden gezien van die morele dimensie. Zijn ‘overtreding’ (`āwōn) van de thora en zijn ‘zonde’ (chāthth’āt) als tekortschieting ervan wijzen duidelijk naar die ethische dimensie. De link met de beschuldigingen, die JHWH uit ten aanzien van zijn volk, wijzen alle in die richting:

  • Wee het zondige volk, de natie, beladen met ongerechtigheid, het gebroed van boosdoeners, de verdorven kinderen. Zij hebben JHWH verlaten, de heilige Israëls versmaad, zich achterwaarts gewend (1:4);

  • Welnu, de wijngaard van JHWH van de heerscharen is het huis Israëls, en de mannen van Juda zijn de planten waarin hij vreugde heeft; hij verwachtte goed bestuur, maar zie, het was bloedbestuur; rechtsbetrachting, maar zie, het was rechtsverkrachting (5:7);

  • Maar JHWH van de heerscharen wordt verhoogd door recht en de heilige God wordt geheiligd door gerechtigheid (5:16);

  • Wee hun die de ongerechtigheid tot zich trekken met koorden van valsheid en de zonde als met een wagentouw, die zeggen: hij haaste zich, hij volvoere snel zijn werk, opdat wij het zien; het raadsbesluit van de heilige Israëls nadere en kome, opdat wij het leren kennen (5:18-19)

  • Daarom zal, zoals een vuurtong stoppelen verteert en brandend stro ineen zinkt, hun wortel als molm worden en hun bloesem als stof opstuiven, omdat zij de wet (thōrā) van JHWH van de heerscharen verworpen en het woord van de heilige Israëls hebben versmaad (5:24).

Het door de serafs uitgeroepen heilig, heilig, heilig (3x qādōsj) fungeert dus als een overtreffende trap. Dit trio tilt JHWH’s karakter tot op een hemelse hoogte. Het lijkt over te komen als tegenhanger van Jesaja’s drie negatieve kwalificaties: onreine (themē) lippen, zijn ongerechtigheid (`āwōn) en zijn zonde (chāthth’āt). Pas als deze lippen zijn aangeraakt, is er sprake van verzoening. De heilige God beweegt zich via zijn dienaren naar hem, die zijn schuld beseft en die bewust is van zijn miserabele toestand om de veroorzaakte verwijdering teniet te doen.

Jesaja ervaart dit met de Heer verzoend zijn tot in het diepste van zijn wezen. Hierdoor voelt hij zich uiteindelijk vrij om spontaan en positief te reageren op diens vraag ‘wie zal er voor ons gaan?’.  Daarmee plaatst hij zich solidair aan de kant van die heilige Heer. Jesaja blijkt bereid om naar zijn volk te gaan, waarvan hij eerder had gezegd dat het net zoals hijzelf ‘onrein van lippen’ was. Eigenlijk neemt hij een analoge rol op zich als die van de seraf, die naar hem toe was gekomen. Hij maakt immers aanstalten om zich naar zijn volk te begeven om de door de Heer gegeven opdracht uit te voeren.

‘De tekst over dit visioen maakt op exemplarische wijze helder dat profetische visioenen niet spreken over het zien van krachten achter deze wereld. Ze laten integendeel de diepten van de menselijke en de goddelijke werkelijkheid zien, waar aarde en hemel bij elkaar horen in een onlosmakelijk eenheid’.[9]

Jesaja’s onvoorstelbare opdracht

Het is op z’n minst gezegd een uiterst merkwaardige opdracht (9-10). Jesaja moet immers zódanig spreken dat de mensen hem wél horen, ja écht horen, maar er niets van kunnen verstaan. Hij moet hen oproepen om wél te zien, ja écht zien zonder tot inzicht te kunnen komen hoe erg het met hen gesteld is. Hij moet hun hart (nl. zetel van het verstand) ‘vet’ maken of anders gezegd hermetisch vergrendelen, zodat ze niet eens kunnen kiezen. Het gevolg van dat alles is dat ze geen behoefte krijgen om zich te bekeren of te genezen.

Wil JHWH niet dat zijn volk wordt genezen? Heeft hij het voorbestemd om te worden vernietigd? Een dergelijke opvatting wordt door de inhoud van het hele boek absoluut tegengesproken. JHWH wil dat uiteraard wel, want dat maken o.a. zijn beloften in de hoofdstukken 2 en 4 glashelder. Abraham Joshua Heschel verklaart dit in zijn magistraal boek over de profeten[10] als volgt:

“Het mandaat dat Jesaja ontvangt is belast met een ontstellende tegenspraak. Hij krijgt de opdracht profeet te zijn om te verijdelen en teniet te doen wat het wezenlijke doel van profeet zijn is. Het is de omgekeerde wereld. Twijfelt hij bij het horen van deze boodschap niet aan zijn eigen vermogen om te zien, te horen en te begrijpen? Waardoor is hij er zo zeker van dat het de stem van God is die tot hem spreekt? Algemeen wordt aangenomen dat het de missie van een profeet is de harten van mensen te openen, hun begrip te versterken, te bewerkstelligen dat zij zich tot God keren in plaats van dat te voorkomen. Is Jesaja’s dienst niet geheel gewijd aan het overtuigen, vermanen en beïnvloeden van zijn volk? … De huiveringwekkende woorden die Jesaja te horen krijgt lijken niet alleen bedoeld om ongevoeligheid te bewerken, maar ook om duidelijk te maken dat het volk al geteisterd wordt door een gebrek aan ontvankelijkheid. De straf van het ontnemen van geestelijk inzicht is slechts een intensivering of uitbreiding van wat de mensen zelf hun ziel al hebben aangedaan. Want verharding van het hart is te wijten aan de mens zelf (Jer. 5:3; Jes. 44:18; Zach. 7:11-13; Joz. 11:20; 1 Sam. 6:6; Ps. 95:8) of het voltrekt zich als een hemelse bestraffing. De Bijbel vermeldt op meerdere plaatsen dat God het hart van mensen verhardt.”

De laatste paragraaf in deze tekst van Jesaja 6 (11-13) vertolkt wat er met het volk en hun land gaat gebeuren: steden, huizen en bouwland worden verwoest. De mensen worden gedeporteerd, zodat het hele land er verbrand en verlaten bij zal liggen. De verwoesting zal zó grondig plaatsvinden, dat er nauwelijks een teken van leven zal zijn. Een oertoestand, een chaos en een leegte, die alleen te vergelijken is met de situatie van voor de schepping (Genesis 1:2). Het tegenbeeld van de luister van JHWH, die de Serafs bezongen[11]. Wat een tragedie! En dat alles, omdat het volk en haar leiders het vertikken om te leven volgens de richtlijnen van de thora van Juda’s God JHWH!

Wat een toekomst!

De profeet wordt een blik in de toekomst gegund en die blijkt ingekleurd te worden door de strafexpedities van de Assyrische legers. Rabbi Abravanel (16de eeuw) dacht aan de deportatie van het volk van het Noordrijk Israël. De overgebleven tronk zou dan verwijzen naar de stammen Juda en Benjamin – een tiende van de totale bevolking – die na de Babylonische ballingschap zouden terug mogen keren.[12] Jesaja’s opdracht omtrent de vernietiging en de deportatie van het volk zou dan wezenlijk van toepassing zijn op het noordelijke rijk Israël.

Het laatste vers (6:13) is inderdaad niet makkelijk te verklaren. Enerzijds kan het wijzen naar het overblijvende tiende deel van het land, dat daarna ook verbrand zal worden, zodat er van enig leven geen sprake meer zal zijn (13ab). Anderzijds zou het beeld van de overgebleven tronk (van een boom) die een heilig zaad zal zijn (13cd) erop kunnen wijzen dat er toch nog sprake zal zijn enige levensvatbaarheid.

De vraag alleen is waarop dit zou slaan. Op een heel miniem heilig overblijfsel van het volk dat een nieuw begin kan maken? De reiniging van de profeet van schuld en zonde door een seraf (6:5-7) zou dan model kunnen staan in het geval er toch nog wat volksgenoten zijn voorbeeld zouden navolgen. Het beeld van het ontspruiten van een heilig zaad uit de omgehakte boomstronk zou een dergelijke gedachte kunnen oproepen. Het brengt Jesaja’s eerdere melding in herinnering:

‘En het zal geschieden, dat wie overgebleven is in Sion, overgelaten in Jeruzalem, heilig zal heten – ieder die in Jeruzalem ten leven is opgeschreven’ (4:3 – NBG).

Of gaat het om een verwijzing naar een rijsje uit de tronk van Isaï als beeld van de messias, die de garantie vormt op een toekomstig volk, waarover hij zal regeren?

‘En er zal een rijsje voortkomen uit de tronk van Isaï en een scheut uit zijn wortelen zal vrucht dragen. En op hem zal de Geest van JHWH rusten, de Geest van wijsheid en verstand, de Geest van raad en sterkte, de Geest van kennis en vreze van JHWH;  ja, zijn lust zal zijn in de vreze van JHWH. Hij zal niet richten naar hetgeen zijn ogen zien, noch rechtspreken naar hetgeen zijn oren horen;  want hij zal de geringen in gerechtigheid richten en over de ootmoedigen van het land in billijkheid rechtspreken, maar hij zal de aarde slaan met de roede van zijn mond en met de adem van zijn lippen de goddeloze doden. Gerechtigheid zal de gordel zijner lendenen zijn en trouw de gordel zijner heupen – Jesaja 11:1-5 (NBG).

Ter afronding

De toon van dit visioen is heel neerslachtig en zelfs beangstigend. Dit komt, omdat Jesaja’s heilige Heer de ogen weigert te sluiten voor het manifeste en algemene negatieve en destructieve gedrag van het volk (Jesaja 1-5). Niet alleen de profeet, maar ook zijn lezers leren dat diens heiligheid ook nog ruimte laat voor genade. Zelfs een tot aan de tronk gevelde boom kan nog groeien. Van onder dat ‘zondige volk, de natie, beladen met ongerechtigheid, het gebroed van boosdoeners, de verdorven kinderen’ (1:4 NBG), kan er toch een heilig zaad ontspruiten. Jesaja’s Heer, JHWH van de legers, heeft nog een toekomst voor zijn volk in petto. Ondanks alles eindigt dit visioen toch nog op een positieve noot, op een belofte, die de profeet verder in 11:1-12:6 onder de aandacht van zijn lezers brengt.[13]

[1] b.Megilla 10b; b.Sota 10b

[2] K. Koch, The Prophets, Vol. One, The Assyrian Period, London 1984, 108.

[3] Tenachon, De Profeten 7, 106.

[4] Masoretische Tekst van de Biblia Hebraica

[5] Leitwörter, key-words, mots-guides.

[6] Tenachon (107).

[7] Rasji of de in de 11de eeuw beroemde Franse Rabbi Sjlomo Jitschaki.

[8] Joodse theoloog, filosoof en vertaler van de Hebreeuwse Bijbel in het Duits.

[9] Koch, The Prophets 109.

[10] A.J. Heschel, De Profeten, Vught 2014, 133.

[11] L.A. Snijders, Jesaja, deel I, Nijkerk 1969, 92-93.

[12] A.J. Rosenberg,  Isaiah, Volume One, New York 1987, 60-61.

[13] J. Goldingay, Isaiah, Grand Rapids, 2001, 62.

Appendix