4.2.2 God laat drie keer van zich horen 2

Ontdekken hoe Marcus Jezus’ levensverhaal in drie episoden presenteert, waarbij zijn doop, zijn verheerlijking en zijn opstanding een cruciale rol spelen

Inleiding

In de vorige bijdrage (4. Griekse Testament 2. Ontdekken 1. God laat drie keer van zich horen 1) is ervoor gekozen om het Marcusevangelie gewoon te lezen en te begrijpen als een (mega)verhaal. De aandacht gaat dan uit naar het verloop van de verhalen, de rol van hoofdspelers, hulpspelers en figuranten. Daarnaast ook naar het woordgebruik van de verteller en dat van de spelers. Bij dit alles speelt de al dan niet aanwezige voorkennis van de lezers een grote rol. De aanvankelijke lezers tot wie Marcus zich richt, waren voor het allergrootste deel synagogegangers. Op grond van hun uitgebreid kennisreservoir – de inhoud van de Hebreeuwse Bijbel – legden zij quasi automatisch allerlei terechte (tekst)verbanden, die huidige lezers ontgaan. Een dergelijk door Marcus bedoeld lezen brengt ook laatstgenoemden niet alleen op het spoor van interessante verbanden, maar vooral van hun betekenis en bedoeling. Wie louter leest vanuit een leerstellige, dogmatische of historische achtergrond, zal er zo goed als geen toegang toe krijgen.

B. De bergepisode – Marcus 8:27-9:13

Na de Jordaanepisode (A) met daaropvolgend Jezus’ ervaring in de woestijn was er in de vorige bijdrage ook aandacht voor de gebeurtenissen, die tot in het achtste hoofdstuk worden verteld. Zij spelen zich alle af in Galilea, afgezien van het korte verblijf van Jezus en zijn leerlingen in niet-joods gebied. Eerst in dat van Gerasa in de Dekapolis, dat bij de provincie van Syrië hoort (Marcus 5) en daarna in dat van Tyrus en Sidon in Fenicië (7:24-32). Als lezers in de tweede helft van hoofdstuk 8 aanbelanden, merken ze dat Jezus zich met zijn leerlingen voor een derde keer buiten Galilea begeeft.

 

Cruciaal

Hij trekt naar Caesarea Filippi, dat zo’n 37 km ten noorden van het meer van Galilea ligt in het landsgedeelte van de viervorst Herodes Filippus en broer van Herodes Antipas (8:27-9:1). Binnen het megaverhaal van Marcus vindt dáár een cruciaal kantelmoment plaats. Het sluit enerzijds de Galileaperiode af (1:2-8:26) en het leidt anderzijds de Jeruzalemperiode in (8:27-15:47) met op kop de genoemde bergepisode (9:2-13). De betekenis van deze laatste kunnen lezers slechts op volle waarde schatten op voorwaarde dat zij stilstaan bij voorafgaand Jezus’ gesprek met zijn leerlingen. Betreffende tekstgedeelte (8:27-38) wordt hieronder – net zoals in de vorige bijdrage – colometrisch en aan de hand van dezelfde criteria gepresenteerd.

 

Wie is hij volgens de mensen?

Tijdens zijn tocht naar de dorpen in de regio van Caesarea Filippi zet Jezus een gedachtewisseling met zijn leerlingen in gang over zijn eigen persoon. Hij wil van hen weten hoe de mensen hem duiden. Wie denken zij dat hij is? Er komen drie antwoorden naar voor die naar profetische figuren verwijzen, met wie zou Jezus kunnen worden vereenzelvigd.

De leerlingen noemen drie mogelijkheden, die al eerder aan het hof van Herodes Antipas over de tong gingen (6:14-17). Toen mensen ervoeren wat Jezus allemaal verwezenlijkte, speculeerden zij. Er waren er, die daarbij eerst aan Johannes de Doper dachten, die na zijn executie door Herodes Antipas uit de dood was opgewekt. Zelfs voor deze viervorst leek dit een aannemelijke optie, die hem helemaal niet geruststelde. Anderen dachten aan Elia, omdat Jezus – in het voetspoor van Johannes – net zoals die weergaloze oudisraëlitische profeet het volk opriep tot gedragsverandering of omkeer (dit is een correcter woord dan het in de vertalingen gebruikelijke ‘bekering’). En als derde optie, de ietwat vagere aanduiding ‘een van de profeten’. De mensen kunnen daarbij aan Elia’s opvolger Elisa hebben gedacht. Hij had immers gelijkaardige en zelfs overtreffende tekenen en wonderen als zijn leermeester verricht. Of was het, omdat zij in de handelingen en de persoonlijkheden van Johannes en Jezus een déjà-vu meenden te herkennen vanwege het vermaarde profeten-duo Elia-Elisa. Of gingen bij Jezus hun gedachten eerder uit naar de mogelijke verschijning van de profeet, die vele eeuwen eerder Mozes had aangekondigd (Deuteronomium 17:15-18)?

 

Wie is hij volgens zijn leerlingen?

Na deze inventarisatie van de indrukken, die de ronde deden onder het volk van Galilea, stelt Jezus precies diezelfde vraag aan zijn leerlingen. Dat Petrus als eerste antwoordt, kan betekenen dat hij zich vanwege zijn karakter niet kan inhouden en meteen zijn eigen mening ten beste geeft. Of, dat hij zich als woordvoerder van de elf andere leerlingen opwerpt. Er klinkt in ieder geval geen aarzeling in Petrus’ stem. Marcus schrijft dat hij ‘σu. ei= o` χristo,j’ heeft gezegd, dat in de NBG als ‘jij bent de christus’ wordt vertaald. Petrus heeft deze woorden niet uitgesproken, omdat hij de Aramese omgangstaal (of het Bijbels Hebreeuws) bezigde. Voor Marcus’ lezers, die wel Grieks lezen, maar in hun moedertaal denken, was deze benaming heel helder, maar ‘voor Grieken was ‘Christus’ een vreemde uitdrukking, die geen enkele diepzinnige betekenis had en niet veel anders betekende dan zoiets als gepommadeerde heer’ (C.J. den Heyer, Marcus II. Een praktische bijbelverklaring, 1985, 9). In de Bijbel-Hebreeuwse taal zou het om drie woorden gaan: ‘ata hu hammashiah’. Letterlijk en met nadruk betekent dit: ‘het is jij (alleen), die de christus bent’ of in eleganter Nederlands: ‘jij bent het, de (echte) christus’. Wat een verklaring!

 

De Griekse vertaling (LXX) van de Hebreeuwse Bijbel (of Oude Testament) gebruikt ‘christos’ voor het Hebreeuwse māsjījach dat ‘gezalfde’ betekent. Hoewel het voor een gezalfde priester en zelfs voor een gezalfde profeet wordt gebruikt, verwijst het hoofdzakelijk naar een gezalfde koning. In de bijbelverhalen of -teksten wordt deze ‘gezalfde koning’ telkens verbonden met JHWH (nl. de gezalfde van JHWH of mijn/ zijn/ jouw gezalfde). In de boekrol Samuël, waarin deze gezalfde koning een centrale rol speelt, verwijst die twaalf keer (!) naar Saul, die de eerste koning wordt van Israëls twaalf stammen (!). Drie keer komt deze titel bij David voor, die in de boekrol Koningen als de ideale koning geldt.

 

Jij bent de christus

Afgaande op de stem uit de hemel bij de Jordaan, die Jezus aanspreekt met ‘jij bent mijn zoon’ en hem daarmee aanstelt als Israëls koning (zie vorige bijdrage), geldt dus hier in Petrus’ mond de betekenis van ‘gezalfde koning’. De vraag is natuurlijk of hij wel echt beseft wat die titel, die hij op Jezus toepast, betekent. Dit geldt natuurlijk ook voor de leerlingen, die hier slechts een figurantenrol vervullen. Waarom reageert Jezus niet op Petrus’ uitlating. Zijn respons is er niet één van ‘ja, dat klopt’ of ‘nee, dat is niet waar’. Het feit dat hij zijn leerlingen heel nadrukkelijk verbiedt om het hierover met derden te hebben, lijkt te suggereren dat hij met die aanduiding instemt. Blijkbaar wil hij niet dat deze op de één of andere manier onder het volk de ronde gaat doen. In het kader van de Romeinse bezetting zou de publieke bewering, dat hij de messias is – de gezalfde van JHWH en dus een zoon van David – en bijgevolg de koning van het joodse volk, nogal wat politieke onrust kunnen veroorzaken.

 

Gezalfd en door de geest gestuurd om te bevrijden

Voor Marcus’ lezers wordt bij dit tekstgedeelte nu een en ander duidelijk. Door God tot koning verklaard, wordt Jezus door diens geest gestuurd. Eerst in de woestijn en daarna in Galilea en daarbuiten kan hij het hoofd bieden aan de bedreiging van de macht van het kwaad. Gezien al zijn verrichtingen in het bijzijn van zijn leerlingen (zie eerste bijdrage) is het echt niet verwonderlijk dat Petrus deze uitspraak doet.

 

Bij de zalving van Saul tot koning stelt de profeet Samuël hem in het vooruitzicht dat JHWH’s geest hem zal aangrijpen en dat hij bijgevolg een ander mens zal worden (1 Samuël 10:6). En zo gebeurt het, want iets later herkennen mensen hem niet meer: hij profeteert (10:11)! Iets later wordt Saul – mede vanwege zijn uiterlijk – door het volk tot koning uitgeroepen en twee jaar later bevrijdt hij – door Gods geest gegrepen – de inwoners van de door de Ammonieten belegerde stad Jabes (11:6).

 

Een gelijkaardig scenario speelt zich af in de verhalen over David. Hij blijkt anders te zijn dan zijn zeven broers. Zij komen niet in aanmerking om als Israëls koning te worden gezalfd. JHWH laat Samuël weten dat hij bij zijn keuze niet naar het uiterlijk van de mens mag kijken. Alleen het hart van de mens moet de doorslag geven en daarom wordt het David. Nadat deze door Samuël is gezalfd, grijpt de geest van JHWH hem aan (16:13). Niet lang daarna treedt David de Filistijnse geweldenaar Goliat tegemoet. Hij doet dat met woorden – in de naam van JHWH, de God van Israëls legers – én met daden. Zo bevrijdt hij zijn volk van de macht van het Filistijnse kwaad (1 Samuël 17).

 

Mens, mensenkind en mensenzoon

Nadat Jezus zijn leerlingen heeft verboden om over hem als christus met anderen te spreken, laat hij hen niet in het ongewisse. Hij slaat een pad in, dat niet alleen voor hen, maar ook voor Marcus’ (toenmalige) lezers nogal wat bevreemding opwekt. Hij gaat niet door op die specifieke messiastitel – die hij zelf ook niet in de mond neemt – maar hij begint hen te onderwijzen over ‘de mensenzoon’ of ‘de mens’, die veel zal moeten lijden (31a). De vraag is of zijn leerlingen begrijpen op wie hij daarbij hint en hoe zij dit aspect van het lijden moeten opvatten.

Wat bedoelt Jezus met de uitdrukking ‘de mensenzoon’ of letterlijker ‘de zoon van de mens’? In eerste instantie geldt deze als een doodgewoon synoniem voor ‘de mens’. Beide termen kennen synagogegangers – en dus ook de Marcuslezers – zeer goed vanwege bijvoorbeeld de twee dichtregels in Psalm 8:5: ‘wat is de mens (‘enōsj) dat jij aan hem denkt? // wat is de mensenzoon dat jij naar hem omziet (NBG)? In de Hebreeuwse tekst staat bèn-ādām en daarom is zoon van de mens meer op zijn plaats. Beide Hebreeuwse woorden (de mens en de zoon van de mens) zijn hoe dan ook synoniemen en verwijzen gewoon naar ‘de mens’ (zo ook in Psalm 144:3; Job 25:6; Jesaja 56:2).

 

Onvervalste synoniemen

Binnen Marcus’ megaverhaal komt de parallellie tussen mens en mensenzoon ook voor. Dit gebeurt als Jezus het over de relatie heeft tussen de sabbat en de mens: ‘de sabbat is gemaakt om de mens en niet de mens om de sabbat. Daarom (alzo, zodoende) is de mensenzoon heer ook over de sabbat’ (2:27-28). Iets eerder zegt hij ‘dat de mensenzoon de macht heeft op aarde zonden te vergeven (2:10). Dit hoeft niet te verwonderen. Jezus maakt er immers op attent dat mensen de verplichting hebben om te vergeven: ‘Indien gij echter niet vergeeft, zal ook uw Vader, die in de hemelen is, uw overtredingen niet vergeven’ (11:26). Al met al, kunnen de lezers Jezus’ aanwending van de mensenzoon (in het NBG) met recht niet alleen opvatten als maar ook vervangen door de mens. Een flink aantal bijbellezers zullen mogelijk vanuit hun leerstellige of dogmatische overtuigingen met een dergelijke gedachtegang moeite hebben. Daarbij worden zij bij het lezen van deze teksten ook sterk beïnvloed door de vertalers ingevoegde hoofdletters (de Mensenzoon of de Zoon des Mensen).

 

 

 

Niet zómaar een mens

Naar aanleiding van het gesprek over zijn messiasschap (‘jij bent de christus’) begint Jezus zijn leerlingen te onderwijzen. Hij valt meteen met de deur in huis: dé mens (of de mensenzoon) zal veel moeten lijden en zelfs … sterven! Petrus is een snelle denker. Hij doorziet onmiddellijk dat Jezus het niet zomaar over een mens heeft, maar heel specifiek over zichzelf. Dat kan er bij hem niet in. Zijn leraar, die hij net als messias (christus) heeft geïdentificeerd – en waar Jezus zich niet tegen heeft verzet – kan toch onmogelijk moeten lijden? En zelfs erger nog worden gedood! Iedereen weet toch dat de messias een overwinnaar, een bevrijder van zijn volk zal zijn. Net zoals David dat was! Het wordt Petrus te veel en hij neemt Jezus apart, zodat zijn medeleerlingen hem niet kunnen horen.

 

De leerling pakt zijn leraar fors aan en ‘bestraft’ hem. Op grond van eerder gebruik in het Marcusevangelie fungeert dit werkwoord als ‘verbieden’. Zo verbiedt Jezus zijn persoon aan te spreken als de ‘heilige van God’ (1:25), als de ‘zoon van God (3:12) en als de ‘messias’ (christus – 8:30). Hij beveelt ook alle betrokkenen om daarover te zwijgen. Later snoeren zelfs omstanders de blinde Bartimeüs de mond, omdat hij Jezus luidkeels met ‘zoon van David’ aanroept (10:48). In al die gevallen moet er worden gezwegen. Petrus verbiedt Jezus dus om zoveel onheil over zich uit te roepen.

 

Stop, jij satan!

Jezus is helemaal niet blij met Petrus’ demarche. Hij draait zich om in de richting van de andere leerlingen en kijkt hen betekenisvol aan. Dan leest hij Petrus de levieten en dat in heel straffe bewoordingen! Dat moeten de anderen ook kunnen horen. Voor Petrus moet het slikken zijn geweest, want Jezus noemt hem, zijn leerling, ‘satan’! En waarom? Omdat hij met zijn verbod Jezus stokken in de wielen wil steken, zoals een tegenstander dat doet. Hij wil immers niet dat Jezus zich focust op een dergelijke geschetste dramatische uitkomst. Het begrip ‘satan’ fungeert hier dus als de factor, die Jezus op het vlak van zijn voornemen wil laten struikelen. Hij maakt Petrus duidelijk dat Gods zaken van een andere orde zijn dan die van mensen en dus ook … dan die van Petrus.

 

Lijden in het vooruitzicht

In de lijn met die-zaken-van-God houdt Jezus er dus een heel andere visie dan Petrus op na. Gods verklaring bij de Jordaan – dat hij diens zoon is en hem liefheeft – heeft hem duidelijk gemaakt dat hij tot Israëls koning is aangesteld (Psalm 2:7). En daarnaast dat hij als de door God gekozen dienaar diens geest op zich heeft rusten. In het eerste geval houdt dit in dat hij zijn volk terug onder Gods koningschap dient te brengen. In het tweede geval betekent dit dat hij de volken (nl. de niet-joden) moet duidelijk maken wat recht is en hij tot een licht moet worden voor de natiën (Jesaja 42:1-6). Gezien de Romeinse bezetting vat Jezus dit niet als een sinecure op. Hij beseft maar al te goed dat dit tot conflicten zal leiden. Enerzijds met de Sadducese tempelleiders van het volk, die met de goedkeuring van de Romeinse procurator Pilatus de dienst uitmaken in het joodse land (en dan vooral in Judea en in Jeruzalem). Anderzijds met de Romeinse overheid als hij het gezag van eerstgenoemden in het gedrang zou brengen. De dubbele opdracht, die Jezus bij de Jordaan heeft aangehoord, kan hem niet anders dan onnoemlijk grote problemen bezorgen. Het is dan ook daarom dat hij er zich terdege van bewust is dat hij een lijdensweg heeft te gaan, waarop hij geduchte tegenstanders zal ervaren.

 

In de eerste plaats zullen dat de oudsten, overpriesters en schriftgeleerden van het Sadducese tempelbestuur zijn. Het volk en de Farizeeën met hun schriftgeleerden zullen hem zeker geen vingerbreed in de weg leggen (zie de twee bijdragen 1. Jezus van Nazaret 1.2. Ontdekken 2. Wie veroordeelde Jezus 1 en 2). Dat hij zal worden gedood, zal op het conto van de Romeinen moeten worden gezet, omdat de tempelleiding daar gewoon het gezag niet toe heeft. Uiteraard is het alleen God, die ervoor kan zorgen dat hij uit de dood zal kunnen opstaan. Deze drie door Jezus voorziene gebeurtenissen vinden plaats in de lijdensweek, waarover Marcus zijn lezers aan het einde van zijn megaverhaal vertelt (11:1-15:41).

.

Een lijdende koning David

Al met al komt Jezus op die manier in goed gezelschap terecht. David verduurt immers ook een heftige tegenstand en dat niet eens van buitenlandse vijanden. In allerijl moet hij zijn paleis in Jeruzalem uitvluchten, omdat zijn oudste zoon Absalom met een leger komt aanstormen. De schrijver van de boekrol Samuël vertelt, dat hij daarbij al wenend met een bedekt hoofd en op blote voeten de Olijfberg beklimt (2 Samuël 15:30). Later als de koning verneemt dat zijn lievelingszoon Absalom in de strijd is omgekomen, kan hij nauwelijks stoppen met wenen. Hij wilde zelfs in diens plaats sterven (2 Samuel 18:33).

 

JHWH’s lijdende dienaar

De hoofdstukken van Jesaja (42; 49; 50; 52 en 53) die de terugkeer uit ballingschap voor de geest van de lezers roepen, richten hun focus op een anonieme lijdende dienaar van JHWH. Deze teksten maken niet erg duidelijk of het om een persoon gaat of om het volk. Droeve tonen wisselen af met heilstonen. Deze rechtvaardige dienaar lijdt door wat de mensen hem aandoen, maar ook God heeft daar een aandeel in. Dit komt, omdat het lijden van die dienaar een plaatsvervangend karakter heeft met het oog op het heil van velen.

 

Als trouwe verbondspartner gaat deze profetische figuur gehoorzaam de lijdensweg, die JHWH hem voorhoudt. Overeenkomsten met David zijn er niet echt, maar wel met Mozes. Deze wordt immers meer dan eens JHWH’s dienaar genoemd, die zelfs bereid is om zijn leven voor het volk te geven. Hij wil daarmee vermijden dat JHWH zijn volk van de aardbodem zou doen verdwijnen. Respectievelijk ontpoppen beiden zich – Mozes en deze profeet uit Jesaja (van 42 tot en met 53) – als begeleiders van Gods volk. De eerste bij het vertrek uit Egypte en de tweede bij dat uit Babylonië. Het heeft beide profeten als het ware bloed en tranen gekost.

 

Jezus als de mens of mensenzoon

De lezers, die dit gesprek van Jezus met zijn leerlingen en in het bijzonder met Petrus onder ogen krijgen, weten op dat moment nog niets over de gebeurtenissen, die in de lijdensweek zullen plaatsvinden. De duiding van Jezus door Petrus als de messias (christus) voert hen makkelijk tot bij David. Na die aansprekingen met ‘de heilige van God’ en ‘de zoon van God’ – is het met ‘de messias/ christus’ immers de derde keer dat de associatie met deze gezalfde koning duidelijk in het vizier komt. Telkens maakt Jezus nadrukkelijk duidelijk dat een dergelijke titel niet met betrekking tot hemzelf mag worden uitgesproken. Op die manier vermijdt hij dat er onder het joodse volk een grote onrust ontstaat en dat dit mogelijk op een opstand tegen de Romeinse bezetters kan uitdraaien.

 

Wat moeten Marcus’ synagogelezers echter aan met de term ‘de mensenzoon/ mens’, die Jezus op zichzelf toepast? Zouden zij geneigd zijn aan die mensenzoon te denken die voorkomt in een visioen in het boek Daniël? Daarin geeft God aan iemand als een mensenzoon eeuwige heerschappij, eer en koninklijke macht, zodat alle volken, natiën en talen hem gaan dienen (7:13-14). Meteen daarop ontvangen ook de heiligen van God het eeuwig koningschap (7:18, 22). Jezus’ opmerking in het bijzijn van de menigte mensen (in de regio van Caesarea of toch al terug in Galilea?) pleit in ieder geval voor een dergelijke invulling. Hij heeft het immers over de mensenzoon, die komt ‘in de heerlijkheid van zijn Vader, met de heilige engelen’ (8:38). Noch de lezers, noch de leerlingen hebben bij dit tekstgedeelte al weet van de latere gesprekken tussen Jezus en zijn leerlingen over het heersen en het dienen. Hun meester maakt hen daarbij heel nadrukkelijk duidelijk dat alleen dat laatste van belang is. Als de mensenzoon is hij immers niet gekomen om te heersen maar om te dienen (Marcus 10:35-45).

 

Op een hoge berg

Hoelang Jezus met zijn leerlingen in de regio van Caesarea Filippi verblijft, is niet duidelijk. En ook niet of het volgende tafereel er zich nog afspeelt óf dat zij intussen terug in Galilea zijn. Marcus verschaft daarover nauwelijks informatie. Lezers moeten het op dat vlak stellen met slechts één tijdsgegeven (‘na zes dagen’) en één locatie (‘een hoge berg’). De eeuwenoude (kerkelijke) traditie meent dat het om de berg Tabor gaat, die in Galilea op enkele kilometers van Nazaret ligt. Met zijn 550 m kan hij echter moeilijk voor een hoge berg doorgaan. Bovendien ligt hij zo’n 90 km van de regio Caesarea Filippi verwijderd. Zou Jezus met de twaalf dan eerst via Kafarnaüm naar de berg Tabor zijn gestapt en daarna door Galilea rondgetrokken (9:30) voor hij naar zijn huis in Kafarnaüm zou zijn teruggekeerd (9:33)?

 

Het is veel logischer dat hij na zijn gesprek met zijn leerlingen over zijn identiteit naar de berg Hermon is gegaan, die in de regio van Caesarea ligt. Met zijn 2.804 meter kan deze met recht een ‘hoge’ berg worden genoemd. Een link met de 2.285 meter hoge Sinaïberg is dan snel gelegd (zoals iets verder wordt gesuggereerd).

Onontbeerlijke voorkennis

Opnieuw moeten huidige lezers beroep doen op de verhalen in de Hebreeuwse Bijbel voor zover zij die kennen natuurlijk. Marcus’ synagogale lezers doen dit quasi automatisch. Bij het lezen van dit – hoewel bijzonder kort tafereel – koppelen zij regelrecht terug naar het voor hen overbekende verhaal in de boekrol Exodus. De onderlinge overeenkomsten – qua spelers, locatie, tijd en de allesbehalve alledaagse gebeurtenissen (zoals bijvoorbeeld de uit een wolk klinkende stem) – kunnen zij voor de beste wil van de wereld niet over het hoofd zien. Naast duidelijk identieke parallellen zijn er nog overeenkomsten met een analoog karakter.

Dergelijke overeenkomsten opmerken is natuurlijk interessant. Toch lijkt het uitdagender om zich af te vragen waarom Marcus die gebeurtenis op de berg op die manier presenteert. Als verteller is hij natuurlijk niet alleen vrij, maar ook eigenmachtig om sommige zaken wel en andere niet onder de aandacht van zijn lezers te brengen. Al selecterend bepaalt hij alleen het scenario en de vraag is wat voor betekenis hij aan zijn verhaal wil verbinden. Per slot van rekening weegt de betekenis van de impliciete boodschap zwaarder dan de historische informatie.

Jezus een profeet als Mozes

Marcus lijkt zijn verhaal over Jezus en zijn drie leerlingen op de berg te calqueren op het verhaal van Mozes en zijn drie priestergezellen op de berg. Zo tilt hij het eerste gebeuren op het niveau van het ontstaan van Israël. Daarin speelt de relatie tussen JHWH en het volk op de Sinaï een essentiële rol. Via Mozes komt het tot een onderling verbond. De thora vervult daarin als het ware de rol van grondwet of blauwdruk. Wil Marcus zijn lezers leren dat ze met Jezus met een tweede Mozes te maken krijgen? De aanwezigheid van Mozes zelf en naast hem Elia blijkt deze gedachte te bevestigen. Zij treden op als twee getuigen en bekrachtigen daarmee de geldigheid van de uitspraak, die vanuit de wolk klinkt. Dankzij het parallelle Sinaïverhaal verwijst deze duidelijk naar Gods stem. Zodoende bezorgt Marcus dit korte verhaal een onmiskenbare apotheose: ‘Deze is mijn zoon, geliefde, hoort naar hem!’ (9:7).

 

Het eerste gedeelte bevestigt Gods spreken bij Jezus’ doop in de Jordaan (1:11). Zijn opdracht – als koning van het volk (nl. mijn zoon) en als profetische dienaar (nl. de geliefde) voor het volk – wordt hier boven op de berg bevestigd. Toch is er een duidelijk verschil. De eerste keer richt de stem zich enkel tot Jezus, maar deze tweede keer tot drie van zijn leerlingen. Petrus had al beweerd dat hun meester de gezalfde koning (d.i. messias/ christus) is. Hij is echter slechts een medeleerling, maar nu horen deze drie het van God zelf. Geen twijfel meer mogelijk. Ze weten nu echt met wie ze te maken hebben.

 

Het blijft niet bij een louter informatief gegeven. Met het ‘hoort (of luistert) naar hem!’ krijgen zij een opdracht mee. God maakt hen duidelijk dat hun meester een Mozesrol vervult en dat betekent dat zij naar hem moeten luisteren. Samen met de leerlingen worden de lezers gestuurd om terug te koppelen naar JHWH’s woorden aan Mozes over een toekomstig profeet naar wie het volk zal moeten horen/ luisteren (Deuteronomium 18:15).

 

Deze drie leerlingen – de intimi van Jezus – moeten eruit afleiden dat zij hun leraar, hun rabbi als profeet moeten kwalificeren. De aanwezigheid van Mozes en Elia bevestigt het profetische karakter van het aan hem toegewezen ambt. En plotseling, nadat de stem zwijgt, zien ze niemand meer dan Jezus alleen. Maakte Petrus zich eerste nog druk om de aanwezigheid van Elia en Mozes en was hij samen met zijn twee compagnons flink bevreesd, nu beseffen zij dat het allemaal niet om deze twee groten van Israël draait, maar om enkel en alleen Jezus. Met hem moeten zij verder. Wat een adembenemende ervaring!

 

In afwachting

De episode van de openbaring op de berg halverwege Marcus’ verhaal blijkt een kantelmoment, waarna Jezus vanuit Galilea wegtrekt naar Judea, Perea, Jericho en uiteindelijk naar Jeruzalem. In zijn tweede helft verschuift Marcus de nadruk van die ene component van strijd en overhand op de manifestaties van het kwaad naar die andere component. Deze wordt er een van spanning met de gezaghebbers over Jezus’ thora-onderricht en profetisch optreden. Zijn toenemende reputatie als rabbi en profeet zal niet meer te stuiten zijn.

 

Wordt vervolgd

 

error: Alert: Content is protected !!