3.3.4 Het verhaal van de schepping van Israël 2

Het verdiepen van de betekenis van het scheppingsverhaal (Genesis 1:1-2:4a) in het licht van de volledige inhoud van de boekrol Genesis.

Inleiding

In de vorige bijdrage[1] is duidelijk geworden, dat de meeste van de twaalf tōledōtverhalen over vanzelfsprekende verwekkingen gaan. Terachs, Isaaks en Jakobs tōledōtverhalen, die over Israëls stamvaders vertellen, vormen daar een opvallende uitzondering op. Hun nakomelingen Isaak, de tweeling Esau-Jakob en Jozef worden immers niet op natuurlijke wijze verwekt. De absoluut onvruchtbare stammoeders van Israël Sara, Rebekka en Rachel baren uiteindelijk toch na héél lang wachten, omdat JHWH zich ‘scheppend’ met hen inlaat. Conclusie? Het volk Israël heeft zijn bestaan ontegenzeggelijk aan JHWH te danken.

 

Het allereerste tōledōtverhaal over hemel en aarde (Genesis 1:1-2:4a) vertelt op een heel directe manier over God, die gedurende zes dagen scheppend bezig is. In de drie zonet genoemde tōledōtverhalen beschrijft de  verteller ook over Gods inbreng, maar hij doet dat op een subtielere wijze. Het loont daarom de moeite om na te gaan in hoeverre deze drie verwant zijn aan en verbonden zijn met dat van hemel en aarde. De beperkte omvang van deze bijdrage staat niet toe om ze ermee alle drie mee te vergelijken. Daarom fungeert hierna Terachs tōledōtverhaal dat over Abram als voorbeeld.

 

  1. Tōledōt van Terach – Genesis 11:27-25:11

De boekrol Genesis begint met een eerste cyclus vertellingen of tōledōt, die via Adam en Noach over alle mensen gaan. Met hoofdstuk 11:27 steken de tōledōt van Terach van wal, die over de belevenissen van diens zoon Abram vertellen. Samen zijn het éénentwintig (!) verhalen, waarmee de verteller zijn lezers wil onderrichten over deze voor Israël zo belangrijke stamvader. Ze worden hierna kort samengevat, zodat zijn betoog en visie makkelijk inzichtelijk wordt.

 

  • 11:26-32 Proloog: Abrams geboorte en achtergrond

Met Abram maken de lezers van de boekrol Genesis voor het eerst kennis in de tōledōt (of verwekkingen) van Terach. Hij verwekt zonen en dochters waaronder zijn zonen Abram, Nachor en Haran. Terwijl Haran een zoon (Lot) verwekt en Nachor twee dochters (Milka en Jiska) krijgt, blijft Abram kinderloos. Zijn vrouw Saraï is immers onvruchtbaar en dat vermeldt de verteller met veel nadruk.

 

  • 12:1-3 God nodigt Abram uit om Haran te verlaten

Hoewel Terach met zijn familie uit Ur van de Chaldeeën (in Mesopotamië) naar Kanaän wil reizen, vestigt hij zich in Haran (in Noordoost Syrië). Daar begint Abrams eigenlijke verhaal, omdat JHWH hem er ontmoet en aanspreekt. Hij zegt hem naar een land te gaan, dat hij hem zal laten zien. Tevens zal hij Abram tot een groot volk maken en hem een grote naam bezorgen. Eerst moet hij echter afscheid nemen van het land, waarin hij woont, van zijn verwanten en van zijn vaders familie. Hij moet een streep trekken onder zijn verleden en een nieuwe start maken in een ander land (1-3).

 

  • 12:4-9 God belooft Abram het land voor zijn nageslacht

Na zijn reis vanuit Haran arriveert Abram met zijn vrouw Saraï en zijn neef Lot in het door JHWH aangewezen land. In Sichem laat JHWH zich aan hem zien. Bij deze tweede ontmoeting belooft hij hem dat hij dit land, waar al Kanaänieten wonen, voor zijn nakomelingen heeft bestemd. Bij een terebint bouwt Abram een altaar voor JHWH, omdat deze dáár aan hem is verschenen. Daarna reist hij tot in de buurt van Betel (letterlijk: ‘huis van God’). Ook daar bouwt hij een altaar en als een heraut roept hij er JHWH’s naam uit. Tussen JHWH en Abram is een relatie ontstaan: de eerste spreekt en laat zich zien, de tweede handelt en roept JHWH aan (4-9).

 

  • 12:10-20 Abram bedriegt Farao

Vanwege een hongersnood trekt Abram weg uit dit voor zijn nageslacht beloofde land. Hij reist met zijn vrouw Saraï en Lot naar het land Egypte, waarin hij als een vreemdeling wil verblijven. Uit eigenbelang doet hij Saraï voor komen als zijn zus en laat haar door farao inlijven. Hij vaart er materieel bijzonder wel bij. JHWH echter maakt dat de gastvrije farao plagen te verduren krijgt. Farao roept Abram ter verantwoording en zet hem te schande. Op staande voet verwijdert hij hem uit zijn land. Abram leert hieruit dat het verkeerd was om voor Egypte te kiezen en dat hij er van moet scheiden. In dit land hoort hij niet thuis. Hij reist dan maar terug naar Kanaän tot bij Betel.

 

  • 13:1-18 Abram en Lot scheiden – Gods hernieuwde belofte (land en nageslacht)

Eenmaal terug in Kanaän gaat Abram naar de plaats, waar het altaar bij Betel staat. Opnieuw roept hij er JHWH aan. Abrams herders en die van zijn neef Lot lopen elkaar voor de voeten, omdat de beschikbare ruimte te krap is geworden. Tijdens hun afwezigheid zijn er – naast de al aanwezige Kanaänieten – ook nog Perizzieten in het land komen wonen (1-7).

 

Abram stelt Lot daarom voor om het land te verdelen. Hij behandelt zijn neef Lot als een gelijke en laat hem kiezen tussen het noorden (links) en het zuiden (rechts). Lot voelt zich echter aangetrokken tot de waterrijke en vruchtbare Jordaanstreek in het oosten, waarna zij van elkaar scheiden. Lot gaat in die Streek wonen in de buurt van Sodom en Gomorra. Bij JHWH staan hun inwoners als zeer zondig aangeschreven (8-13).

 

Abram blijft in het land dat JHWH voor zijn nageslacht heeft bestemd. Tijdens een derde ontmoeting beloont JHWH hem met een hernieuwde belofte. Hij laat hem het land in vier windrichtingen zien. Dan draagt JHWH Abram op om het helemaal door te wandelen, omdat hij het hem zal geven. Officieel bekrachtigt hij ook dat het voor altijd zal toekomen aan zijn nageslacht: ontelbaar als het stof van de aarde! Hij gaat bij de terebinten van Mamre bij Hebron wonen en bouwt er een altaar voor zijn weldoener JHWH. De verteller zet de paritaire relatie tussen Abram en Lot in de verf, evenals de tegenstelling tussen het hele land Kanaän en de hele Streek met daarin Sodom en Gomorra (14-18).

 

  • 14:1-24 Abrams overwinning en ontmoeting met de koningen van Salem en Sodom

Op een dag woedt er een oorlog in de Streek waar Lot woont. Vier koningen uit het noorden strijden met vijf koningen van het zuiden, waaronder die van Sodom en Gomorra. De noorderlingen halen hun slag thuis en nemen iedereen mee met hun bezittingen, hun hele voedselvoorraad én Lot en diens bezittingen. Als Abram dit hoort, trekt hij met zijn eigen clan en drie bondgenoten de veroveraars achterna. Hij brengt, na een succesvolle bevrijdingsstrijd, de hele voedselvoorraad terug, samen met Lot, diens bezittingen, de vrouwen en het volk (1-16).

 

In de vallei van de koningen komt Sodoms koning Abram tegemoet. Dat doet ook een tiende koning: Melchisedek (letterlijk: ‘mijn koning [i.e. God} is rechtvaardig’) van Salem (d.i. het latere Jeruzalem). De eerste komt met lege handen, de tweede onthaalt hem met brood en wijn. Een maaltijd! Hij zegent Abram in de naam van God, ‘de schepper van hemel en aarde’. Hij zegent ook God zelf, omdat hij de vijanden aan Abram heeft overgeleverd. Na al die opsommingen geeft Abram aan deze priesterkoning een tiende van de hele voedselvoorraad (17-20).[2]

 

De koning van Sodom wil alleen zijn eigen mensen terug en laat Abram alle goederen behouden. Deze wil daarvan helemaal niets voor zichzelf nemen. Dat zweert hij met opgeheven hand bij JHWH, de allerhoogste God, de schepper van hemel en aarde. Sodoms koning moet alleen zijn drie bondgenoten en hun mannen vergoeden. Het verhaal leert dat Abrams positie onder de volken een feit is en het beloofde land voor hem gevrijwaard is. Hij heeft er vaste voet gekregen (21-24).

 

  • 15:1-24 Belofte, verbond en teken           

JHWH’s belofte dat het land van de Kanaänieten aan Abrams nageslacht zal toekomen (12:7), krijgt hier tijdens een vierde ontmoeting een verlengstuk. In een gezicht zegt JHWH zijn bescherming toe aan Abram. Deze merkt op dat JHWH hem nog steeds geen erfgenaam heeft gegeven, zodat hij vindt dat zijn hoofddienaar uit Syrië dat maar moet worden. JHWH stelt met klem dat hij die gedachte moet laten varen en belooft hem een eigen lijfelijke erfgenaam, waaruit een (als de sterren ontelbaar) nageslacht zal voortkomen.

 

Abram vertrouwt JHWH op zijn woord en ziet dit als diens weldaad (tsedāqā) aan hem. (1-6).

JHWH herinnert Abram eraan dat hij hem uit Ur van Chaldeeën heeft laten vertrekken om dit land te bezitten (12:1). Hij draagt hem op offers te brengen (15:9). Tijdens een diepe slaap ervaart Abram een dikke duisternis, waarin JHWH hem vertelt dat zijn nakomelingen zo’n 400 jaar slaven zullen zijn in een vreemd land (nl. Egypte). Met veel bezittingen zullen zij eruit wegtrekken. Nog diezelfde dag sluit JHWH een verbond met Abram en belooft dit land aan diens nageslacht. Het zal reiken van de Nijl in het zuiden (Egypte) tot de Eufraat in het noorden (Babylonië). Binnen de tussenliggende regio krijgt het met tien volken te maken: Kenieten, Kenizzieten, Kadmonieten, Hethieten, Perizzieten, Refaïeten, Amorieten, Kanaänieten, Girgasieten en Jebusieten (7-21).

 

  • 16:1-16 Hagars vlucht en geboorte van Abrams zoon Ismaël

Na Abrams mislukte pogingen om een nakomeling te krijgen (eerst Lot dan Eliëzer), neemt Saraï – wiens baarmoeder nog altijd gesloten blijft – het initiatief. Zij zorgt dat Abram haar Egyptische slavin Hagar zwanger maakt en dat genereert meteen huwelijksproblemen. Een jaloerse Saraï vernedert Hagar, die dan maar de woestijn in vlucht. Bij een waterbron draagt JHWH haar op om terug te keren en zich aan haar meesteres te onderwerpen. Tegelijk belooft hij Hagar een geweldig talrijk nageslacht. Zij zal immers een zoon baren, die ze Ismaël moet noemen. Hagar beseft dat JHWH naar haar omziet, want bij de put roept deze Egyptische (!) hem bij zijn naam JHWH aan! Ismaël wordt als ‘Abrams zoon’ geboren en Saraï telt niet meer mee. De hoofdaandacht van de verteller richt zich volledig op de Egyptische slavin.

 

De overeenkomst met Abrams mislukt Egypteavontuur (12:10-20) springt in het oog. In beide verhalen gaat het om een verkeerde keuze. Eerst qua land (Egypte), daarna qua nageslacht (Ismaël). De lezer leert dat Abrams nageslacht, dat het land Kanaän zal krijgen, niets met Egypte te maken mag hebben. 

 

  • 17:1-27 Belofte nageslacht, verbond en besnijdenis

Tijdens een vijfde ontmoeting laat JHWH zich opnieuw aan Abram zien. Hij draagt hem op om in zijn aanwezigheid te wandelen en zich onberispelijk (of integer) te gedragen. Tevens bevestigt hij het eerdere verbond omtrent de toezegging van het land voor Abrams nageslacht (15:18). JHWH geeft dat verbond nu een drievoudige invulling. Het wordt een eeuwigdurend verbond met Abram, Isaak en zijn nakomelingen, waarbij JHWH hen tot God zal zijn en het hele land wordt hun blijvend bezit. Voor het eerst noemt JHWH het land nu bij zijn naam: Kanaän (1-8).

 

JHWH wijzigt Abrams naam in Abraham, omdat hij de vruchtbare vader zal worden van een menigte volken en koningen. Hij draagt hem op om alle mannen in zijn huis te besnijden met inbegrip van Ismaël en de met geld verworven vreemdelingen. Saraï zal voortaan Sara heten en een lijfelijke zoon baren en de moeder worden van volken en koningen. Abraham ‘lacht’ erom en denkt dat JHWH het over Ismaël heeft. Die negeert die gedachte en zegt uitdrukkelijk dat het echt om een lijfelijk zoon van Sara gaat. Abram moet hem Isaak (letterlijk: ‘hij lacht’) noemen. Tevens bekrachtigt JHWH zijn belofte dat deze zoon talrijke nakomelingen zal krijgen. Hij zal echter ook Ismaël zegenen, hem vruchtbaar doen zijn, zodat hij uitermate talrijk zal worden en twaalf vorsten zal verwekken. JHWH vertrekt en de 99jarige Abraham laat alle besnijdenissen uitvoeren en ook bij hemzelf (9-27).

 

  • 18:1-16 Aankondiging geboorte van Isaaks geboorte

Abraham ontmoet JHWH voor de zesde keer en dit tijdens een maaltijd. Abraham maakt dit voor JHWH en verneemt van hem dat hij nog een lijfelijke zoon zal krijgen. JHWH’s belofte wordt werkelijkheid. Na zijn eerste lijfelijke zoon (via Hagar) – wiens naam (Ismaël) hier niet wordt genoemd – baart zijn stokoude vrouw Sara hem hun gezamenlijke zoon Isaak. Eindelijk is hun nageslacht gegarandeerd.

 

  • 18:17-33 JHWH betrekt Abram bij zijn plan om Sodom en Gomorra te vernietigen

Abram pleit voor de rechtvaardigen in deze steden

JHWH denkt na over zijn relatie met Abram. Daar hij tot een groot volk zal worden en alle volken samen met hem gezegend zullen worden, overweegt hij hem te informeren. Hij is namelijk van plan om de steden Sodom en Gomorra te vernietigen. Zijn sterke relatie met Abram (nl. ‘hij heeft hem gekend’) laat JHWH ertoe overgaan.

 

Tijdens zijn pleidooi voor rechtvaardige mensen in de zondige steden Sodom en Gomorra kwalificeert Abram JHWH als ‘de rechter van de hele aarde’. Eerder noemde hij hem ‘schepper van hemel en aarde’ (14:22).

 

  • 19:1-29 Vernietiging Sodom en Gomorra

Omwille van Abraham zorgt JHWH ervoor dat Lot met zijn beide dochters kan ontkomen aan de verwoesting van beide steden.

 

  • 19:30-38 Lots dochters baren hem zonen

Lot verwekt bij elk van zijn twee dochters een zoon, die later de stamvaders worden van de Moabieten en de Ammonieten. Het lijkt alsof zij de plaats innemen van de verdwenen volken van Sodom en Gomorra.

 

  • 20:1-18 Abraham bedriegt koning Abimelek

In het Zuiderland (of Negeb), waarin Abraham als vreemdeling verblijft, misdraagt hij zich tegenover de Filistijnse koning Abimelek. Net zoals bij farao (12:11-13) laat hij zijn vrouw doorgaan voor zijn zus. Na Gods gesprek met Abimelek in een droom slaapt de koning niet met Sara en krijgt Abraham haar terug met daar bovenop 1.000 zilverstukken, schapen en runderen, slaven en slavinnen. De koning koestert geen rancune, want hij zegt: ‘Zie, mijn land staat voor u open, vestig u, waar het u goeddunkt’. Zo komen de landsgrenzen voor Abraham open te liggen en dankzij JHWH worden de Filistijnse vrouwen weer vruchtbaar. Het avontuur loopt dus met een sisser af.

 

  • 21:1-21 Geboorte van Isaak en verdrijving van Hagar en Ismaël

Na Isaaks geboorte, besnijdenis en gespeend zijn, organiseert Abraham een feestmaaltijd, waarbij Hagars zoon met de kleine Isaak ‘speelt’ (en niet ‘spot’ zoals velen vertalen). Dat zint Sara niet, want ze beseft hoogstwaarschijnlijk dat beide jongens een groot nageslacht zullen krijgen. Bijgevolg kan dat in de toekomst voor onderlinge problemen zorgen. Zij eist van Abraham dat hij ‘die slavin’ met haar zoon wegstuurt. Zo kan Ismaël geen rechten opeisen, die haar zoon Isaak horen toe te komen. Haar man doet dat met tegenzin, maar God stelt hem gerust. Zijn nakomelingen via Ismaël zullen echt wel tot een groot volk worden. Wanneer de jongen in de woestijn van dorst dreigt om te komen, verhindert God dit. Ismaël kan bijgevolg opgroeien, boogschutter worden en een Egyptische vrouw trouwen.

 

  • 21:22-34 Abrams verbond met koning Abimelek

Koning Abimelek stelt vast dat God met Abraham is bij alles wat hij doet, zoals eerder Melchisedek had opgemerkt dat God hem bij zijn overwinning had bijgestaan (14:20). Daarom verzoekt hij hem, die in zijn land woont, om zich loyaal op te stellen. Met een eed officialiseert Abraham zijn beslissing, zoals hij dat tegenover Sodoms koning deed (14:22). Na spanningen omtrent een waterput in Berseba (letterlijk: ‘zevenput’) sluiten beiden een verbond. De verteller meldt drie keer (28,29,30) dat Abraham hem zeven lammeren van zijn kudden geeft. Het lijkt op zijn tienden geven van de voedselvoorraad aan koning Melchisedek (14:20). Zo maakt hij duidelijk dat hij, Abraham, die put heeft gegraven. Abimelek gaat akkoord met de overdracht van de put en keert terug naar zijn eigen land. Zodoende wordt Abraham de wettige eigenaar van Berseba met zijn bron en krijgt hij een nog vastere voet aan de grond te midden van de volken.

 

  • 22:1-19 Abraham getest en gezegend

Bij deze zevende (!) en laatste ontmoeting ervaart Abraham zijn grootste beproeving. God draagt hem op om zijn zoon Isaak te offeren. Vijfentwintig jaar lang heeft hij een allesbehalve gemakkelijke weg afgelegd met telkens vooruitgeschoven beloften. Op z’n honderdste heeft hij eindelijk de beloofde zoon. Nu dertien jaar later, moet hij plotseling met één daad opgeven, waarvoor hij sinds Haran heeft geleefd. Bijzonder ook pijnlijk, omdat hij veel van die jongen houdt (22:2).

 

Mogelijk begrijpt Abraham het allemaal niet zo goed, maar hij klampt zich niet vast aan Isaak om hem voor zichzelf te behouden. Hij gehoorzaamt en vertrouwt erop dat God op de een of andere manier een voorziening in petto heeft en dat hij de regie voert. Abraham krijgt Gods boodschap te horen: ‘nu weet ik dat jij God vreest’ of ’dat jij op mij vertrouwt’. Hierop gebeurt, wat Abraham eerder tegen Isaak had gezegd: ‘God zal zichzelf voorzien van een lam ten brandoffer, mijn zoon’. En inderdaad, hij hoeft Isaak niet te offeren.

 

De hoogste beproeving draait uiteindelijk uit op JHWH’s grootste belofte en diens overvloedige zegen. Abraham krijgt de absolute verzekering van een ontelbaar nageslacht, waardoor alle volken van de wereld worden gezegend. JHWH bekrachtigt dit met een bij zichzelf gezworen eed (16-18). Zo fungeert dit verhaal als het hoogtepunt van de hele serie Abramverhalen.

 

  • 22:20-24 Abrahams broer Nachor verwekt twaalf zonen

 

  • 23:1-20 Sara sterft en Abraham koopt een stuk land

Abraham kan bij Makpela een stuk grond kopen, waarin hij de gestorven Sara in een spelonk begraaft.

 

  • 24:1-67 Isaaks huwelijk met Rebekka

Abraham neemt de draad weer op met zijn eigen familie in Haran. Hij wil immers dat zijn zoon Isaak een vrouw uit die familie trouwt (24:4).

 

  • 25:11                Epiloog: Abrams laatste levensfase en overlijden.

Na Isaaks huwelijk hertrouwt Abraham en verwekt nog zes zonen bij zijn tweede vrouw Ketura. Na dit lange leven sterft deze 175-jarige, die op zijn 75ste door JHWH werd geroepen. Isaak én Ismaël begraven hem samen op zijn eigen stukje grond Makpela (25:10).

 

Hierna volgen de heel kort weergegeven tōledōt (of verwekkingen) van Ismaël (25:12-18), waarna vanaf Genesis 25:19 de tōledōt (of verwekkingen) van Isaak heel uitgebreid aan de orde komen. Tot aan hoofdstuk 37:2 vertellen ze over de belevenissen van Jacob en Esau. Op dit punt maakt de verteller een aanvang met de verhalen over Jozef, die de hoofdspeler is van Jacobs tōledōt. Hij sluit af met het verhaal over Jozefs dood en dat betekent meteen het einde van de boekrol Genesis.

 

  1. Scheppingsverhaal en Abramverhalen lopen parallel

De verteller besteedt veertien hoofdstukken aan de tōledōt van Terach – hier ‘Abramverhalen’ genoemd (11:27-25:11- voortaan B) – en maar vijfendertig verzen aan de tōledōt van het scheppingsverhaal (1:1-2:4a – voortaan A). Desondanks vallen er qua tekstafbakening, hoofdspelers, proloog en verhaalverloop veel overeenkomsten te noteren. Onderhavige bijdrage legt die gelijkenissen naast elkaar.

a. afgebakende verhalen en hun hoofdspelers

De tōledōt van de schepping (A) worden duidelijk afgebakend met hun begin (1:1) en einde (2:4a). God beheerst daarin als enige het toneel: hij spreekt en handelt soeverein, zonder dat iets of iemand er invloed op heeft. (zie 3. Het verhaal van de schepping).[3]

 

Nadat de verteller Terach heeft geïntroduceerd, die – als zoon van Nachor, een verre nakomeling Sem (zoon van Noach) – op zijn 70tigste drie zonen verwekt (11:24-26), begint hij in 11:27 diens tōledōt of verwekkingen te vertellen. Zij gaan volledig over diens 75-jarige zoon Abram en zijn belevenissen, handelingen en uitspraken en eindigen als hij 100 jaar later sterft en begraven wordt (11:27-25:12). Hoewel de verteller de meeste ruimte geeft aan deze hoofdspeler Abram, laat hij JHWH de regie bepalen.

 

JHWH neemt bijvoorbeeld na de dood van zijn vader Terach diens initiatief over om Abram naar Kanaän te laten reizen. Hij zet deze nomade ertoe aan en trekt zelf ook mee. Martin Buber noemt hem o.a. daarom ‘de trekgod’.[4] Abram accepteert JHWH’s voorstel en dit wordt het begin van een levenslang gezamenlijk parcours. Meerdere keren moet Abram afscheid nemen van plaatsen en personen en van zijn ideeën en verwachtingen. Er zijn echter ook momenten, waarin Abram JHWH’s instructies niet gedwee opvolgt, eigenzinnig handelt en het hem aan vertrouwen ontbreekt. Lezers merken dat hij desondanks – al is het met vallen en opstaan – gestaag groeit in zijn relatie met mensen en met God. Al die tijd volgt JHWH diens ondernemingen niet alleen op de voet, maar hij acht het soms ook nodig om als een soort regisseur in te grijpen.

 

Het scheppingsverhaal (A) verstrekt aan de lezers – afgezien van Gods repetitief spreken, handelen en goedkeuren – nauwelijks informatie over hem. Zijn identiteit valt slechts indirect af te leiden. Dat gebeurt de eerste keer als God op de zesde dag zijn intentie verwoordt om de mens naar zijn beeld en gelijkenis te maken. Bijgevolg heeft God iets gemeenschappelijk met de mens (zie de bijdrage De mens als beeld van God).[5] De tweede keer gebeurt via de manier hoe hij zich verhoudt tot de zevende dag en die heel bijzondere aandacht geeft.

 

In de Abrahamverhalen (B) wordt JHWH – dankzij de benamingen van de verteller en die, waarmee de spelers hem aanspreken  –  zijn identiteit gaandeweg duidelijker: als JHWH; God de allerhoogste, de schepper van hemel en aarde, Abrams schild, heer JHWH, God de almachtige, God die mij ziet, rechter van de hele aarde en JHWH God van de hemel. Naarmate de verhalen vorderen, leren de lezers dus niet alleen Abram beter kennen, maar ook diegene, die bij tijd en wijle zijn pad kruist.

 b. overeenstemmende prologen

De proloog van het scheppingsverhaal (1:1-2) en die van de Abramverhalen (11:24-32) schetsen de respectievelijke achtergrond van waaruit handelingen en gebeurtenissen een aanvang nemen. Zij schetsen die eerst met negatieve en daarna met positieve beelden:

 

  • negatief: doodse woestheid, leegte en complete duisternis in het eerste verhaal (A). In het tweede (B) klinken er sombere tonen van dood (Abrams broer Haran sterft 11:28), van onvruchtbaarheid (Saraï 11:30) en van Ur van de Chaldeeën. De grote schriftprofeten Jesaja, Jeremia, Ezechiël en de apocalypticus Daniël duiden dit Ur eenstemmig als uitermate negatief. Er valt niets goeds van te verwachten.
  • positief: Gods heen en weer fladderende en dus energieopwekkende adem of wind in de proloog van A. In B betreft het verwekkingen (van Abram, Nachor en Haran – 11:27), huwelijken (Abram-Sarai en Nachor-Milka) en Terachs plan om naar het land Kanaän – het latere beloofde land (!) – te trekken.

 c. zevenvoudig verhaalverloop met respectievelijk zeven dagen, ontmoetingen, beloften en zien

De bijdrage over ‘de schepping van het verhaal’[6] leert dat de schepping zich niet alleen afspeelt in zeven dagen tijd, maar ook dat veel gegevens, gebeurtenissen, beschrijvingen, beoordelingen en opbouw als het ware het zevenvoudige uitademen. Heel markant is (met betrekking tot God) het zeven keer vermelde scheppen, zien en goed vinden én dat hij zelf 35 keer (of 5x 7) wordt vermeld. Het getal zeven en diens veelvouden voeren de boventoon in het scheppingsverhaal. Ze dragen er alle toe bij dat het verhaal een onbetwistbare plaats geeft aan de zevendaagse week en aan de zevende dag, waarop God rust en waaraan hij zijn zegen geeft.

 

Lezers, die beide verhalen (A en B) naast elkaar leggen, merken ook hun analoge plotverloop op. In het eerste speelt alles zich af in zeven in de tijd afgebakende dagen en in het tweede worden Abrams belevenissen in verband gebracht met zeven ontmoetingen. Ook deze worden duidelijk in tijd en plaats gesitueerd. Abram en zijn naam worden groot dankzij JHWH’s inbreng – wiens naam 42 keer (of 6x 7) voorkomt – en die zich zeven keer (!) aan hem kenbaar maakt.

 

Dit laatste blijkt vooral, wanneer JHWH zelf het initiatief neemt om Abram te ontmoeten. Zo treedt hij bij welgeteld zeven gelegenheden en op diverse wijzen met hem in contact. Zeven keer spreekt hij tegen Abram en belooft hem zeven keer een belofte. JHWH laat hem zeven keer iets zien en  zeven keer spreekt hij over Abrams toekomstige nakomelingen.

 

 

Al bij al volgen deze gebeurtenissen elkaar zodanig logisch op, dat een wijziging van hun volgorde het door de verteller bedachte verhaalverloop ontwrichten. Respectievelijk werken zij toe naar een indrukwekkende climax. In het eerste verhaal (A) gebeurt dat op de zesde dag met de schepping van de mens als beeld van God (1:26-30). In het tweede verhaal (B) ligt bij de zesde ontmoeting de focus volledig op de geboorte van Abrahams en Sara’s eigen zoon.

 

Betreffende hoogtepunten worden in het eerste geval voorbereid door Gods zeven voorafgaande scheppingswerken en in het tweede geval door Abrahams zeven eerdere levensfasen. Beide series worden treffend afgerond: Gods scheppingswerken worden op de zevende dag als voltooid bestempeld (2:1-3) en Abrams parcours bereikt bij de zevende ontmoeting het door JHWH beoogde doel (22:1-19).

 

Samenvatting

In de vorige bijdrage[7] is duidelijk geworden, dat het volk van Israël zijn bestaan ontegenzeggelijk aan JHWH heeft te danken. Hij heeft zich immers ‘scheppend’ ingelaten met de absoluut onvruchtbare stammoeders.

 

Onderhavige bijdrage toont aan dat het leven van Abram als stamvader van Isaaks en Ismaëls nakomelingen niet over rozen is gegaan. Getrouwd met een onvruchtbare vrouw waagt deze 75-jarige het erop om naar een onbekend land te reizen. Hij doet dat, omdat JHWH hem in het vooruitzicht stelt, dat hij een grote naam en een groot volk zal krijgen, dat tot zegen zal worden veel volken.

 

Abrams parcours wordt er één van vallen en opstaan en van teleurstelling en bemoediging, van vernedering en verheffing, van twijfel en vertrouwen. Desondanks blijft hij doorzetten hoewel hij nu en dan van de aangegeven koers afwijkt. Op die weg treedt JHWH zeven keer met hem in contact. Dan spreekt hij met Abram, laat hij hem zaken zien en herhaalt zijn beloften op een eigen land en nageslacht. Uiteindelijk bereikt Abram het doel, dat JHWH hem voor ogen heeft gesteld: vader worden van de aan hem beloofde zoon (Isaak). Na de grootste beproeving te hebben doorstaan, verklaart JHWH hem met een eed, dat hij een ontelbaar nageslacht zal krijgen waardoor alle volken gezegend zullen worden.

 

Ter afronding

Er is gebleken dat Abrams verhalen – die deel uitmaken van de tōledōt van Terach – cursorisch of doorgaand opmerkelijk parallel lopen aan die van de tōledōt van de hemel en de aarde. Dit komt tot uiting qua tekstafbakening, Gods rol als hoofdspeler, proloog, zevenvoudig plotverloop (qua aantal dagen en belevenissen), climax (zesde dag en zesde ontmoeting) en afsluiting. Het lijkt de moeite om de relatie tussen beide tōledōt verder te onderzoeken voor wat betreft hun opbouw, motieven en thematiek. Op grond daarvan valt er mogelijk een gefundeerd antwoord te formuleren omtrent hun functie binnen de hele boekrol. Deze oefening zal zijn beslag krijgen in de volgende bijdrage.

Wordt vervolgd

[1] 3. Hebreeuwse Bijbel 3.3. Verdiepen 3. Het verhaal van de schepping van Israël 1

[2] In principe worden tienden geheven van het zaad van het land en van de vrucht van het geboomte.

[3] 3. Hebreeuwse Bijbel het verhaal van de schepping)

[4] M.A. Beek, ‘De bijbel, vertaling en interpretatie’ in: J. Sperma Weiland, Y. Aschkenasy, M.A. Beek, D. Tiemersma, Martin Buber, Baarn 1978, 22

[5] 6. Bijbelse thema’s 6.3. Verdiepen 1. De mens als beeld van God

[6] 3. Hebreeuwse Bijbel 3.2. Ontdekken 1. De schepping van het verhaal.

[7] 3. Hebreeuwse Bijbel 3.3. Verdiepen 3. Het verhaal van de schepping van Israël 1

error: Alert: Content is protected !!