3.1.6 Een kleine kist met een mega impact

1 Samuël 4-7

 

Stapsgewijs kennismaken met inhoud, thema’s en hoofdspelers van de boekrol Samuël.

 

Inleiding

 

De Israëlieten krijgen van God op Sinaï te horen dat zij zijn ‘naam’ niet ijdel mogen gebruiken. Zijn naam staat immers gelijk aan zijn persoon. Het betekent dat men God niet mag verbinden met iets dat hem niet waardig is. In de tijd van de rechters en van Samuël waren er heel wat mensen die dit verbod niet serieus namen. Men vloekte misschien niet maar men trachtte wel een loopje te nemen met God. Of men spande hem voor het eigen karretje. Zo sleurden ze Gods persoon, zijn naam en zijn eer door het slijk. Ze kwamen echter door Israëls God van een koude kermis thuis. Voor ze het beseften zaten ze zelf in de problemen! Het verhaal over een kist in Samuël 4-7 – als vervolg op 3. Hebreeuwse Bijbel 3.1. Kennismaken 5. Het goede trekt aan het langste eind – vormt daar een interessant voorbeeld van. De lezer van de huidige bijdrage doet er goed aan om de vermelde Bijbelgedeelten bij onderstaande paragrafen te lezen.

 

God laat zich niet gebruiken – 1 Samuël 4:1-11

De Filistijnen vormden een onderdeel van een groep volken die bekend stonden als de ‘zeevolken’. Hoogstwaarschijnlijk waren ze afkomstig van de eilanden in de Egeïsche Zee en vestigden ze zich langs de zuidkust van Palestina. Ze hebben het Oude Israël lange tijd erg moeilijk gemaakt totdat ze uiteindelijk door David definitief verslagen werden. Tijdens zijn regering werden ze geheel van hem afhankelijk en opgenomen in zijn Groot-Israël ook al bleven er culturele verschillen bestaan. De invloed van de Filistijnen op Israël bleef lange tijd erg groot. Een overblijfsel van hun toenmalige aanwezigheid is de naam ‘Palestina’ die afgeleid is van ‘Filistea’.

 

In bovenvermeld tekstgedeelte klinkt overmoed. Op eigen initiatief trekken de Israëlieten ten strijde tegen een zeer goed georganiseerd, sterk en uitstekend uitgerust Filistijns leger. Eerstgenoemden hadden blijkbaar genoeg van de economische, financiële en politieke druk die de vijf Filistijnse stadsvorsten van Asdod, Askelon, Ekron, Gat en Gaza op hen uitoefenden. Zo komen de Israëlieten in opstand tegen de Filistijnen zonder dat hun eigen God het hun heeft opgedragen en raadplegen doen ze hem ook niet. De nederlaag die zij bij Afek incasseren doet het ergste vrezen: 4.000 gevallenen (4:2)!

 

Hoogmoed komt voor de val. Doet de val zich effectief voor dan wordt men wakker en ziet men zijn fout mogelijk geheel of gedeeltelijk in. Israëls oudsten realiseren zich ineens dat God op het appél ontbreekt. Had hij hun voorvaderen onder de leiding van Jozua niet keer op keer geholpen? Ze sturen daarom boodschappers naar het heiligdom te Silo en vragen om de verbondskist naar het slagveld te brengen. Dat doen de priesters Chofni en Pinechas maar zij lijken dit niet te doen met de toestemming van hun vader Eli die Israëls hoofdpriester is. Zo spannen de oudsten en deze twee priesters Israëls God voor hun karretje om de overwinning alsnog af te dwingen (3-4).

 

Deze ‘kist van het verbond van JHWH’ zoals hij officieel heet wordt in de Hebreeuwse Bijbel beschreven als een eenvoudige rechthoekige kist van acaciahout van zo’n 1,22 m lang, 75 cm breed en hoog. Hij was helemaal met goud overtrokken en onderaan vier ringen waardoor lange draagstokken werden geschoven. Er lag een gouden deksel op. In de kist werden de Tien Woorden bewaard – in de volksmond ‘Tien Geboden’ genoemd – die op twee stenen platen stonden geschreven (Deuteronomium 10:1-5). Daarom wordt deze kist o.a. de kist van de getuigenis, van het verbond, van God of van JHWH genoemd. Volgens de Hebreeuwse Bijbel stelt de verbondskist inderdaad Gods aanwezigheid voor. Het symboliseert zijn troon. Waar de kist zich bevindt, dáár is JHWH. Althans, dat denken ze. God laat zich immers niet als fetisj of marionet gebruiken. Hij mag dan wel ‘JHWH van de legermachten’ (4) heten maar op commando strijdt hij niet. Zonder toewijding aan God en gehoorzaamheid aan zijn geboden blijft deze kist louter een voorwerp.

 

Na de tweede veldslag zijn er wel 30.000 (!) gesneuvelden aan Israëls kant onder wie beide priesters (10-11). Hun verbondskist zijn ze kwijt want de Filistijnen zijn ermee vandoor. Een Israël dat het alleen zonder God denkt aan te kunnen blijkt noch zijn hulp, noch zijn aanwezigheid te verdienen.

 

Gods troon buitgemaakt – 1 Samuël 4:12-22

Na een marathonloop van zo’n 30 km door een man van Benjamins stam bereikt het nieuws over de catastrofale afloop van de veldslag nog diezelfde dag de stad Silo (12). Daar staat de tent van de samenkomst waarin de verbondskist hoort te zijn. De bevolking is ondersteboven. De 98-jarige en blinde Eli die enorm bezorgd was over Gods verbondskist hoort het verschrikkelijke meervoudige bericht: (a) Israël is gevlucht en (b) verslagen. Bovendien zijn (c) z’n zonen dood en is (d) Gods verbondskist buitgemaakt. Blijkbaar wil deze boodschapper de oude Eli sparen en noemt hij daarom het lot van de kist als het laatste (13-18). Het wordt een mokerslag bij heldere hemel en veroorzaakt de dodelijke val van de stokoude priester (e).

 

Ook zijn hoogzwangere schoondochter verneemt dat (d) de verbondskist is buitgemaakt, (e) haar schoonvader is gestorven (c) en verder dat haar echtgenoot Pinechas is gesneuveld. Hierop moet ze plotseling baren en schiet ze er zelf het leven bij in. Hebreeuws taalgebruik leert dat in een opsomming het eerstgenoemde de nadruk krijgt tenzij het (zoals hier) anders wordt aangegeven (4:17-18). Dat Gods verbondskist in Filistijnse vijandelijke handen is maakt dus – net zoals bij haar schoonvader – de grootste indruk op haar. Daarom noemt ze dat het eerst. De naam ‘I-kabod’ die ze aan haar baby geeft betekent  letterlijk ‘weg is de eer’ (van God) en wordt geïnspireerd door de drie rampen die haar treffen met – zoals uit haar laatste woorden blijkt – Gods kist voorop (4:19-23).

 

Israëls verlies van de kist van het verbond – die dan ook nog terechtkomt in de handen van die ‘onbesneden’ Filistijnen (om Davids uitdrukking in 1 Samuël 17:36 te gebruiken) – is voor Israël inderdaad een regelrechte ramp. Niet alleen symboliseert hij Gods afwezigheid maar tevens is hij onmisbaar voor de verzoening van Israëls zonden op Grote Verzoendag. Israëls erfgoed, Mozes’ kist met de Tien Woorden op de twee stenen platen is weggevoerd! Wat blijft er nog van Israël over nu tevens haar leider Eli en zijn opvolgers dood zijn? Een rouwdag zonder weerga! Echter niet zonder een duidelijke oorzaak. Niemand anders dan de Israëlieten zelf dragen daarvoor de schuld.

 

Gods verbondskist in Filistea – 1 Samuël 5:1-12

In hun overwinningsroes zetten de Filistijnen zoals toen gebruikelijk de ‘gevangengenomen’ god – gesymboliseerd door de heilige verbondskist – bij het standbeeld van hun eigen god Dagon in diens tempel neer (5:1-2). Dan gebeuren er eigenaardige dingen. In de tweede nacht wordt Dagon als het ware geëxecuteerd. Hij ligt languit op de vloer met afgehouwen hoofd en handen (3-4). Met Israëls God valt blijkbaar niet te spotten! Ook buiten de tempel richt hij een ware ravage aan. Hem van de ene naar de andere stad verhuizen, helpt niet. Gejammer, ziekte en dood onder de Filistijnse bevolking. De uitdrukkingen vertonen een crescendo, een sterke groei van ‘vervelend en lastig’ tot ‘onverdraaglijk en dodelijk’. In de vertaling van het NBG’51 klinkt het zo:

 

zwaar drukte de hand van JHWH op de inwoners van Asdod en hij verbijsterde hen … met builen (6) -> de hand van JHWH trof de stad … hij sloeg de bewoners met een zeer grote verwarring … met builen (9)  -> de hand van JHWH drukte daar zeer zwaar (11).

 

God gebruikt zijn hand als hij zich in de strijd tegen de vijand opricht. Hier echter verdient Israël zijn bescherming niet meer en heeft een les nodig. De gulden regel van Deuteronomium 28: ‘wie niet trouw naar het verbond leeft, zal door schade en schande de hand van de vijand ervaren’, mist hier zijn uitwerking niet. Israëls God staat echter ook de Filistijnen niet toe om over hem heen te lopen. Zo zijn ze de verbondskist – die in dit tekstgedeelte wel 12x (!) wordt genoemd – liever kwijt dan rijk. Mogelijk verwijst deze twaalfvoudige herhaling naar het getal van de 12 stammen van Israël en wil het daarmee aangeven dat het wel degelijk de kist van ‘Israëls God’ is en niet die van één of andere god.

 

Gods kist terug naar Israël – 1 Samuël 6:1-12

De Filistijnen kunnen de zeven maanden durende ellende niet meer aan. Hun godgeleerden worden bijeen geroepen om dit ‘theologische’ probleem op te lossen. Spraken ze voorheen (5:1-12) over de kist van de ‘God van Israël’, nu noemen ze hem met zijn eigennaam ‘JHWH’. Ze hebben Israëls God van dichtbij leren kennen. Aan den lijve ervaren. Daarom gebruiken ze nu de voor ons in het Hebreeuws onuitspreekbare eigennaam JHWH. De vertalingen van het Nederlands Bijbelgenootschap geven die weer met HERE (NBG) en HEER (NBV). Er moet ‘genoegdoening’ (3x) komen voor die beledigde God. Zij hebben immers inbreuk gemaakt op zijn eer. Hem moet hulde worden gebracht (5). Zo erkennen zij zijn recht als oordelende heerser. Een geschenk moet dienen als zoenmiddel, een soort schuldoffer zoals in Leviticus 5:14-16, 20-26. Bovendien moet het voor hen een symbolisch-magische rol vervullen om van de dubbele plaag af te komen (6:1-3).

 

Zo geven ze overeenkomstige gouden builen en muizen mee om de werkelijke plaag te verhuizen.

Het zijn tweemaal vijf gouden voorwerpen namens de vijf Filistijnse steden samen met de verbondskist op een gloednieuwe wagen die nog niet voor andere doeleinden is gebruikt. Deze wagen moet uitsluitend dienen voor het vervoer van dit heilige voorwerp van Israëls God. Daarom gebruiken ze ook koeien die nog niet met een juk hebben gewerkt en nog niet lang ervoor hebben gekalfd. Ietwat tegenstrijdig omdat deze moederdieren vanwege hun natuurlijk instinct meteen terug naar hun jongen zouden keren (4-9). Maar niets daarvan want zij gaan loeiend regelrecht de weg op naar Bet-Semes op Israëlitisch grondgebied. Het lijkt wel of ze door een geheimzinnige kracht worden geleid. Israëls God lijkt de dieren met hun wagen zelf te besturen en laat ze halt houden op de plaats waar hij wil dat ze moeten zijn (10-12).

 

Zo’n machtige God mag je niet met oude rommel afschepen. De vijf Filistijnse stadsvorsten laten niets aan het toeval over. Met deze expeditie willen ze meteen te weten komen of de ongelukken echt van Israëls God afkomstig zijn. De koeien zullen onder het juk uit naar hun kalveren terug willen. Die zekerheid krijgen de Filistijnse stadsvorsten als ze de regelrecht naar Israël afstevenende koeien volgen. Het lijkt wel een tweede exodus of uittocht. De overeenkomsten met de uittocht uit Egypte vallen op: (1) een zeven maanden durende plaag tegenover zeven dagen van de eerste plaag in Egypte; (2) de verschuiving van het taalgebruik van ‘God’ naar JHWH vond ook plaats aan farao’s hof. Bij de derde plaag was het nog de vinger van God’ (Exodus 8:10) maar vanaf de vierde plaag zegt farao “JHWH, uw God” (8:28). In beide gevallen (3) worden er gouden voorwerpen meegegeven, (4) wil men van de plaag af, (5) geven theologen raad aan de heersers, (6) gaat Israël / gaan de koeien er in een regelrechte lijn van door en (7) lopen de Filistijnen hen na net zoals de Egyptenaren dat vroeger deden (Exodus 8-14).

 

Gods ‘super kist’ weer in Israël – 1 Samuël 6:13-7:1

De boeren van Bet-Semes op de weg naar Silo kijken gek op bij de nadering van deze als sirenes loeiende koeien (6:13). Als de Filistijnse vorsten dit zien keren ze gerustgesteld huiswaarts. De genoegdoening namens hun volk is door Israëls God aanvaard (16). Wat daarna gebeurt overstijgt het huidige westerse verstand. Nadat deze enthousiaste Israëlieten in Bet-Semes de wagen in stukken klieven en gebruiken om er de koeien op te slachten begaan zij een serie ondoordachte dingen. Zij kijken ‘naar’ de verbondskist als naar een of ander bezienswaardig voorwerp (zie Numeri 4:20). Hier ontbreekt de toevoeging ‘van God’ of  ‘van JHWH’. Sommige bijbelgeleerden menen dat ze ‘in’ de kist kijken. De in Bet-Semes wonende Levieten plaatsen de kist op een grote steen, zomaar in het veld. Gods troon krijgt niet eens een gepaste verblijfplaats. Ook heiligen zij zichzelf niet bij deze hele handelswijze (14-15).

 

Zo’n overduidelijk gebrek aan eerbied kan Israëls God niet dulden. In Silo’s heiligdom handelden de priesters Chofni en Pinechas al corrupt en onheilig. Bovendien brachten zij Gods kist op het slagveld als een fetisj en nu gaan de Bet-Semieten ermee om alsof het een trofee is waaromheen een feestje wordt gebouwd. Vanwege dit ondoordachte handelen komen zomaar eventjes 70 mensen om (19). Deze donderslag bij heldere hemel brengt hen tot inzicht. Gods verbondskist moet weg uit Bet-Semes. Zij vragen aan de inwoners van Kirjat-Jearim – dat dicht bij het waarschijnlijk door de Filistijnen verwoeste oude heiligdom Silo ligt – om Gods kist te komen ophalen (21). Dáár zullen de inwoners wel weten hoe men met de Gods kist moet omgaan. En inderdaad, zij zonderen een man af (d.i. heiligen hem) om er zorg voor te dragen en geven de verbondskist een dak boven het hoofd. Daar in Abinadabs huis bleef hij twintig jaar lang totdat David ‘Gods heilige troon’ komt weghalen om hem naar Jeruzalem te brengen (7:1).

 

Israël wint van de Filistijnen – 1 Samuël 7:2-17

Samuël maakt zich zorgen over zijn godsdienstig ongevoelige volksgenoten (7:3). Volledig aan de Filistijnen onderworpen en mogelijk sterk beïnvloed door hun zeden, gewoonten en godsdienst zijn ze niet gelukkig en beklagen ze zich onophoudelijk bij God. In zijn boek School voor koningen (Baarn, 1976, 26) schildert wijlen bijbelgeleerde F.O. van Gennep levendig Samuëls reactie door hem te laten opmerken: “Als jullie nu eens ophielden met klagen en je in plaats daarvan bekeerden, zou dat niet beter helpen? Wonder boven wonder deed men wat Samuël had gezegd. Het lijkt op de bekering van de inwoners van Ninevé in het boek Jona (3:10)”.

 

Echte bekering vereist immers een radicaal en oprecht afkeren van het verkeerde en het doen van het goede. In dit negatieve geval gaat het om een door afgodendienst doordrongen leefwijze. Daarna willen ze proberen om God te dienen met hun totale hart of overtuiging zoals dat in het Oude Israël wordt begrepen. De door hen op die dag uitgevoerde rituelen onderstrepen hun oprechtheid: (a) ze gieten water uit als zuivering van hun hart en leven, (b) ze vasten individueel en collectief als boetedoening. Dat betekent dat ze eten noch drinken en ze zich mogelijk ook van seks onthouden. Verder (c) belijden ze in het openbaar hun overtredingen. Wie JHWH God zó liefheeft mag ervan uitgaan dat hij zich verbonden weet en dat hij voor hem of haar zo nodig in de bres springt (4).

 

Net als Mozes bidt Samuël voor zijn volk op deze nationale vergadering in Mispa (9). De vijf Filistijnse stadsvorsten horen van de grote toeloop, ruiken onraad en naderen met een leger. De Israëlieten neemt nu geen zelfstandige roekeloze initiatieven meer. Samuël moet om redding bidden waarbij God zich niet onbetuigd laat. God lost het op zijn eigen wijze op (7-14). Een tijd van vrede breekt aan voor Israël met Samuël als administratieve, militaire en religieuze leider die ze toen ‘rechter’ noemden (15-17).

 

Ter afronding

Het verhaal over zo’n kleine kist in 1 Samuël 4-7 spreekt boekdelen en maakt duidelijk dat Israëls God zich niet laat gebruiken. De poging van de Israëlieten om God op te laten draven mislukt grandioos. De leiders gaan dood en Gods verbondskist wordt door de Filistijnse vijand buitgemaakt. Deze ondervindt daardoor echter zoveel ellende dat ze de kist in het land van Israël dumpen. De oneerbiedige omgang door de Israëlieten die hem aantreffen eist een grote tol aan mensenlevens. Slechts na een grondige en oprechte bekering van het volk, waartoe de profeet Samuël oproept, worden ze van de Filistijnen bevrijd. Het lijkt erop dat ze leren dat het belangrijker is dat de Israëlieten God de kar laten trekken dan dat zij dat eigenzinnig en overmoedig zelf doen.

 

Wordt vervolgd

 

error: Alert: Content is protected !!