4.3.19 De proloog – deel 18 – God, Wijsheid, Woord en Wet 1
Inleiding
In deel 13 van deze serie bijdragen over Johannes’ proloog stond de opmerking dat zijn synagogale lezers absoluut geen moeite moeten hebben gehad om het Woord te associëren met de voor hen vertrouwde Wijsheid. Spreuken 8 en Sirach hadden hun geleerd dat beide o.a.betrokken waren bij de schepping door God van hemel en aarde. De onderlinge intertekstuele verbanden tussen de proloog, de Hebreeuwse en de Griekse Bijbel maken duidelijk dat de Wijsheid en het Woord uitwisselbaar zijn (deel 16).
Een van de teksten in Sirach (24:23) maakt melding van het feit dat de Wijsheid (sofia) vervat is in de wet (Gr. nomos; Heb. thōrā). Gezien genoemde uitwisselbaarheid moeten functie en rol van de wet in relatie tot het Woord in de Hebreeuwse en de Griekse Bijbel worden onderzocht. Zij werpen mogelijk ook licht op de link tussen God en het Woord in de proloog van Johannes.
Deel 2 alludeerde erop dat het meestal lastig is om vandaag woorden en begrippen uit de Hebreeuwse denkwereld eenduidig, los of onafhankelijk van elkaar nauwkeurig te definiëren. Zij blijken immers niet alleen met elkaar verbonden, maar in zekere mate ook soms onderling verweven. Niet zelden overlappen ze elkaar. Heb je het als lezer over een woord of een begrip – zoals hier bijvoorbeeld het Woord – dan kan dat ook te maken hebben met een ander(e) woord(en) of begrip(pen), zoals in deze bijdrage met God, Wijsheid en Wet. Het venndiagram waarin alle grootheden, God – woord – thora – wijsheid, worden afgebeeld, maakt iets duidelijk over de moeilijkheid om de betekenis van elk daarvan inzichtelijk te maken.

Een haalbare methodische aanpak?
Het vergt van westerse lezers een lastige leesinspanning om een grip te krijgen op de onderlinge dynamiek, die er heerst tussen deze woorden en begrippen. Het denken van deze lezers berust immers grotendeels op het Grieks-Romeins begrippenapparaat dat nog steeds een grote impact heeft op hun taalgebruik en hun betekenisvelden (4. Griekse Testament 1. Kennismaken 7. De wereld van het Griekse Testament – deel 3. Het Grieks-Romeins wereldbeeld). Desalniettemin is het een must om de joodse woorden en begrippen (in de Hebreeuwse Bijbel en/of de Griekse vertaling ervan) van de verteller Johannes in zijn proloog zo inzichtelijk mogelijk te maken. Deze bijdrage doet daartoe een poging door woordparen stapsgewijs op elkaar te doen volgen.

Aan het eind van deze bijdrage kunnen lezers vaststellen of deze aanpak en zijn resultaat hout snijden:
- God en Wijsheid (deel 13)
In de eerste hoofdstukken van de boekrol Spreuken laat een vrouw luid van zich horen (1:20. Het is verpersoonlijkte Wijsheid (Hebr. chokhmā / Gr. sofia), die zichzelf aanbeveelt. Hoorders die zichzelf haar zoeken en vinden, verwerven de Wijsheid van JHWH (2:6).
De verteller-dichter komt in hoofdstuk 3 met een indrukwekkende stelling:

Het hele hoofdstuk kunnen kan men terecht opvatten als een ode aan de ‘wijsheid’ van JHWH. Deze wordt gepresenteerd als Vrouwe Wijsheid. Het betreft dan een gepersonifieerde of verpersoonlijkte wijsheid en beslist geen aparte persoon of een zelfstandig wezen
- Wijsheid en Wet (deel 15)
In zijn 24ste hoofdstuk vers 23 balt Sirach al wat hij daarvoor over de Wijsheid heeft beschreven, kernachtig samen. Hij zet in met de woordgroep ‘al deze dingen’ (Gr. panta tauta) in 23aa. Daarmee leidt hij drie opeenvolgende enkelvoudige zinnen in. De eerste twee stellen dat al deze voorgaande dingen met betrekking tot de Wijsheid, besloten liggen, vervat zitten, impliciet aanwezig zijn of onderdeel vormen van het boek van het verbond (23ab) en van de wet (Gr. nomos, Heb. thōrā) van Mozes (23b).
Met de derde zin (23c) geeft Sirach aan dat beide bestemd of bedoeld zijn als erfgoed voor de synagogebezoekers of praktiserende leden van het volk Jakob.

Sirach gebuikt de woordgroep ‘boek van het verbond’ en parallel daaraan ‘de wet’ (Gr. ho nomos; Heb. hattōrā). Hij kan daarbij aan een of meer van drie momenten in de geschiedenis van het volk hebben gedacht.
- In eerste instantie aan de woorden (Heb. devarim; Gr. logous) van de wet(Heb. thora; Gr. nomos) die Mozes in een boek (Heb. sēfèr; Gr. biblos) had opgeschreven (Deuteronomium 31:24).
- Ten tweede aan de gebeurtenis op de berg Ebal toen Jozua een afschrift van de thōrā van Mozes op stenen schreef (Jozua 8:32). Hij deed dit in aanwezigheid van het volk en de ark van het verbond … Daarna las hij al de woorden (Heb. kol devarim; Gr. panta rēmata) van de wet (Heb. thōrā; Gr. nomos)voor, de zegen en de vloek, ‘naar alles wat in het boek (Heb. sēfèr; Gr. biblos) van de wet geschreven stond. Er was geen woord van al hetgeen Mozes geboden had, dat Jozua niet voorlas …’ (33-35).
- Ten derde aan het op het door de priester Chilkia in de tempel gevonden boek van de wet of van de thōrā (sēfèr hattōrā). Hij laat dit aan koning Josia bezorgen (2 Koningen 22:8-11) die het meteen leest. Enorm onder de indruk laat de koning het volk bij JHWH’s huis verzamelen, waar hij het hen voorleest. De verteller in 2 Koningen 23:3 verwijst ernaar als ‘al de woorden (devārīm) van het boek van het verbond’ (sēfèr habberīt). Josia sluit bij die gelegenheid een verbond met JHWH, waarbij het volk zich aansluit. Het lijkt dan ook geoorloofd om vanaf die gebeurtenis het betreffende boek als erfgoed voor Jakob volk te beschouwen. Het verstrekt immers de waarden van de wet (thōrā) van Mozes aan de bevolking. Samen met het parallellisme 23a // 23b in Sirach 24 en de informatie over de vondst van het boek van de thōrā met de daaropvolgende verbondssluiting in Koningen, maakt de gelijkschakeling tussen het boek van het verbond en de wet zeer aannemelijk.
In de tekst Sirach 24:23 blijkt de Wijsheid dus deel uit te maken van het verbondsboek én van de wet. Niets wijst er echter op dat beide op een gelijk niveau horen te worden gekwalificeerd. Als metafoor krijgt Vrouwe Wijsheid in Israël en in Jeruzalem een veelvuldige dienende rol toevertrouwd. Via haar onderwijs, haar gastvrijheid en haar kwaliteiten stuurt zij lezers om de door de wet voorgeschreven geboden te praktiseren (zie deel 14). Hoewel deze verpersoonlijkte Wijsheid geïdentificeerd wordt met de wet (Gr. nomos; Heb. thōrā) vormt zij er een onderdeel van en blijft er echter altijd aan ondergeschikt. In het gezamenlijke oeuvre van de Bijbel wordt de Wijsheid nergens volledig met de thōrā gelijkgeschakeld. Spreuken 8:22-31 komt qua identificatie tussen de thōrā en de wijsheid nog sterker uit de hoek (zie deel 13). Noch bij Sirach of bij Spreuken werden zij nooit vermenselijkt of kregen zij de status van een persoonlijk bestaan
- Wet en Woord
De Wet (Heb. thōrā; Gr. nomos) wordt op één lijn gesteld met het Woord van JHWH (Heb. devār jhwh; Gr. logos kuriou). Bij Jesaja en Micha komen zij voor als synoniemen in twee parallelle zinnen (resp. 2:3-4 en 4:2 BHS en LXX). Deze collega-profeten stellen JHWH’s berg voor als dé plaats (Sion-Jeruzalem) waar de volken en de natiën naartoe zullen optrekken. Het huis van Jakob (of Israël) wordt daartoe ook aangespoord en dat al wandelend te doen in het licht van JHWH.

De posities van de termen thōrā en dāvār (Hebreeuws) – of nomos en logos (Grieks) – in het midden van bovenstaande kruisstelling (of chiasme) maken dat zij de volle nadruk krijgen. Als elkaars parallellen zijn zij grotendeels uitwisselbaar. Het Woord van JHWHwordt hier concreet belichaamd door de thōrā.
De profeet Jesaja brengt bij een van JHWH’s aanklachten tegen het huis van Israël en de mannen van Juda beide termen opnieuw met elkaar in verband (5:24):

De Septuaginta (LXX) heeft het Grieks woord nomos gekozen om het Hebreeuwse thōrā weer te geven. Hoewel nomos geen perfect equivalent van thōrā is, vertegenwoordigt eerstgenoemde haar wel in al zijn betekenissen. Johannes gebruikt nomos precies zoals de LXX-vertalers dat plachten te doen. Hij dekt daarmee de betekenissen van thōrā af, maar hij doet dat nooit in een Grieks filosofische zin.
- Woord en God
God en het Woord in Johannes 1:1c
Johannes stelt in de inleiding van zijn proloog dat alle dingen door het Woord zijn ontstaan en voegt eraan toe dat ‘het Woord bij (of naast) God was’ (1:1b en 2). God en zijn Woord (of zijn spreken) blijken dus aan elkaar gerelateerd te zijn. Dat betekent echter niet dat God en het Woord uitwisselbaar zijn. God is immers méér dan het Woord, omdat hij er de bron van is. Hij kan het Woord inzetten wanneer hij maar wil, omdat het nu eenmaal van hém is. Zo heeft de Bijbel het ontelbare keren over het Woord van JHWH (Heb. devār jhwh) of van de Heer (Gr. ho logos tou kuriou). Dit kan ook moeilijk anders, want het is zijn Woord. Of zoals TH.C. Vriezen (1899-1981) in zijn Hoofdlijnen der theologie van het Oude Testament schreef: ‘zijn woord blijft altijd in zijn macht. Hij blijft erover heersen en kan het terugnemen of doorzetten’ (p. 239).
Van Grieks naar Hebreeuws
God kan zijn Woord naar believen aanwenden, maar omgekeerd kan het Woord dat niet met God doen. Schrijft Johannes niet ‘kai theos ēn ho logos’ of letterlijk ‘en God was het Woord’ 1c)? Martin Luther had er al op gewezen dat men die Griekse woordvolgorde moest behouden (zie deel 2). In het Nederlands heeft met uitzondering van de Naardense Bijbel geen enkele Bijbelvertaling daar rekening mee gehouden. Alle veranderen die tekstuele volgorde in ‘en het Woord was God’ zoals in onderstaand overzicht en aangevuld met Franstalige en Engelstalige Bijbelvertalingen.

In de Hebreeuwse (BH) en de Griekse Bijbel (LXX)
Binnen het leesdomein van de BH en LXX is het idee dat het Woord zélf God zou zijn onverdedigbaar. Dat geldt tevens ook voor de daarmee parallelle Wijsheid in Spreuken en Sirach. Charles Dodd (1884–1973) Nieuwtestamenticus en een van de belangrijkste Britse bijbelwetenschappers van de 20e eeuw, maakt in zijn The Interpretation of the Fourth Gospel (273) de opmerking dat ‘in een joodse omgeving, die sterk door het Oude Testament wordt bepaald, zou de bewering dat de Thora God is, nauwelijks weerklank vinden’. Als het Johannes’ bedoeling was geweest om zijn synagogale lezers te vertellen dat het Woord ‘God’ was of ‘goddelijk’ was, dan had er in het Grieks ‘kai theou ēn ho logos’ of ‘theios ēn ho logos’ gestaan. Kortom: de traditionele bijbelvertalingen gaan met ‘en het Woord was God’ (1c) dwars tegen alle logica in. Het Woord kan immers niet ‘bij’ God zijn (1b) en tegelijkertijd ‘zelf’ God zijn (1c).
Ongewone uitdrukking
Het Griekse ‘kai theos ēn ho logos’ (letterlijk: ‘en God was het Woord’) komt over als een ongewoon talige uitdrukking. Zij spoort niet met de Griekse taalregels. Hoe valt dit te rijmen met een tekst als de proloog, die verder vrij is van merkwaardige zinsconstructies? Het lijkt onlogisch en zelfs tegendraads. Gaat het niet om een gewone taalfout? Of was het de verteller erom te doen om door middel van een bewuste afwijking van de taalregels een bijzonder effect te verkrijgen? Uiteraard is een auteur is vrij om opzettelijk een ongebruikelijke taalstructuur te produceren en daarbij de logica geweld aan te doen. De vraag alleen is waarom hij dat hier zou hebben gedaan?
Michael Riffaterre (1924–2006) was een invloedrijke Frans-Amerikaanse literatuurwetenschapper en theoreticus aan Columbia University zou ‘en God was het Woord’ een anomalie, onregelmatigheid of tegenstrijdigheid in de tekst hebben genoemd. Hij gebruikte daarvoor de term ‘ongrammaticaliteit’ en suggereerde ermee dat er ergens een oplossing voorhanden moet zijn. Die zou dan in een eerdere tekst of teksten kunnen worden gevonden. Hoe kan men daarachter komen?
Terugkoppeling naar het onderliggend Hebreeuws
Daar de joodse Johannes voor zijn synagogaal publiek schrijft, bestaat de eerste stap erin om al lezend terug te koppelen naar een onderliggende talige Hebreeuwse formulering. Door Johannes’ Griekse tekst terug te vertalen naar het Hebreeuws kan de betekenis ervan inzichtelijk worden. De vooraanstaande Israëlische nieuwtestamenticus David Flusser (1917–2000) aan de Hebreeuwse Universiteit van Jeruzalem zag een dergelijke terugvertaling als een must om de Griekse teksten van de synoptische evangeliën adequaat te kunnen begrijpen. In dit opzicht prees hij de zeer letterlijke vertaling van het Nieuwe Testament door Franz Delitzsch. Met een zeer grote nauwkeurigheid bracht deze de Griekse tekst maximaal terug naar de Hebreeuwse context (zie APPENDIX).
Een moeiteloze terugvertaling
De Griekse zin in Johannes 1:1c ‘en God was het Woord’ (kai theos ēn ho logos) vertaalde Frans Delitzsch moeiteloos in Bijbels Hebreeuws als wē`elōhīm hājā hadāvār. Daarmee belanden lezers bij het Hebreeuws taaleigene van het Woord van God (devār `elōhīm) of het Woord van JHWH (devār jhwh). De Griekse Bijbel (LXX) heeft als equivalent ‘de woorden van de Heer, de God van Israël’ (ho `rēma kuriou theou israēl) of als ‘het woord van de Heer van de legermachten’ (to logon kuriou sabaōth). God en zijn Woord blijken hier inderdaad te worden gezien als onlosmakelijk met elkaar verbonden.
- Tussentijdse vaststelling bij de tekstuitleg van Johannes’ proloog
- Johannes’ Griekse tekst werd talig, literair en intertekstueel benaderd met behulp van zowel de Hebreeuwse als de Griekse Bijbel met als sleutelteksten Genesis 1, Spreuken 8 en Sirach 24.
- Zijn proloog maakt gebruik van de basiswoordenschat en het begrippenapparaat van de Griekse Bijbel (LXX). De woorden daarin zoals woord (logos) en wet (nomos) fungeren als gelijkwaardige equivalenten van de overeenkomende begrippen dāvār en thōrā in de Hebreeuwse Bijbel.
- De opvatting dat het Woord als bezit van God (nl. ‘zijn’ Woord) vormt een zeer verantwoorde wetenschappelijke basis om de boodschap van de proloog adequaat te begrijpen en te duiden.
- In de proloog vervult het Woord een functionele en kwalitatieve (uitvoerende) rol. Deze zegt iets over zijn meeste fundamentele essentie, die deel uitmaakt van God en zich onderscheidt van elk ander woord. Het Woord heeft bijgevolg een uniek en exclusief karakter, zoals Gods spreken in Genesis 1 en diens Wijsheid in Spreuken 8 en Sirach 24.
Gevolgtrekking
Het Woord en God vallen niet samen. Zij zijn niet gelijkgesteld, noch gelijkwaardig of uitwisselbaar. Hun onderlinge verhouding is niet statisch maar relationeel. Als bezit van God presenteert en vertegenwoordigt zijn Woord God zelf. Net zoals het woord van JHWH, dat doet in de Hebreeuwse Bijbel (devār jhwh) en het woord van de Heer (logos kuriou) in de LXX.
Wordt vervolgd: Deel 19 – God, Wijsheid, Woord en Wet 2
APPENDIX
Observaties en gevolgtrekkingen omtrent ‘kai theos ēn ho logos’ – Johannes 1:1c
Griekse taalkunde en grammatica
- Algemene regel: het onderwerp hoort een lidwoord te hebben, maar het predicaatsnomen (of naamwoordelijk deel van het gezegde) niet
- Indien er bij God in 1c wél een lidwoord had gestaan (ho theos ēn ho logos), dan was het Woord volledig identiek aan God én uitwisselbaar.
- Door het lidwoord weg te laten, is het Woord verbonden met God of van hem afkomstig. Het Woord fungeert als de dichtbij zijnde ‘partner’ van God, terwijl deze de oorsprong of de bron (Gr. pēgē) is van het Woord. Bijgevolg zijn theos en ho logos zijn niet uitwisselbaar.
- Het door Johannes gebruikte imperfectum-vorm ēn (‘was’) wijst wel op een voortdurende tijdloze relatie.
- Dat God vooraan in de zin staat, kan er op wijzen dat de auteur er de volledige nadruk op wilde leggen. Dat doet Maarten Luther: “und Gott war das Wort”. Ondanks het feit dat hij Christus als dat Woord beschouwde, meende hij dat de woordvolgorde gehandhaafd moest blijven om toch de maximale nadruk op God te leggen.
- De zinnen ‘ho logos ēn pros ton theon’ (1:1b) ‘kai theos ēn ho logos’ (1:1c) zijn nevengeschikt. Theos zonder lidwoord (1c) verwijst terug naar ton theon met lidwoord (1b). Bijgevolg valt bij theos in 1c het lidwoord weg.
- Een vergelijkend voorbeeld: Psalm 119:105 in de LXX en Johannes 1:1c

Het Septuaginta Grieks is beïnvloed door het Hebreeuws van de Masoretische Tekst
- De talige relatie tussen de Hebreeuwse Masoretische Tekst (MT) en de Griekse Septuaginta (LXX) maakt dat het lidwoordgebruik vaak een directe weerspiegeling is van Hebreeuwse grammaticale structuren.
- De Griekse vertalers volgden de Hebreeuwse tekst vaak slaafs. Zo komen In de LXX veel zelfstandige naamwoorden voor zonder lidwoord op plekken waar men er in het Grieks normaal wél zou verwachten. Dit komt eenvoudig omdat het Hebreeuws origineel op die plek geen lidwoord had.
Genesis 1:1aa: ‘En archē epoiēsen ho theos …’ (LXX) is de vertaling van ber’ēshīt bārā `elōhīm … (en allebei zonder lidwoord in de eerste woordgroep) dat in het Nederlands vertaald wordt als ‘In het begin maakte God …’
Eerstgenoemde woordgroep kan als een direct semitisme worden gekwalificeerd. Het gemis van het lidwoord in beide teksten heft de bepaaldheid er echter niet van op, die het Nederlands wel zichtbaar maakt.
- Een joodse schrijver (zoals Johannes) die in het Grieks denkt vanuit een semitische achtergrond kan in het Grieks het lidwoord laten vallen vanwege de in het Hebreeuws zogenaamde status constructus. Dit is een syntactische constructie van twee nauw met elkaar verbonden zelfstandige naamwoorden, die een bezitsrelatie aangeven of op een nieuwe betekenis wijzen. Bij de woordgroep ‘Het paard van de koning’ ontbreekt in het Hebreeuws het lidwoord bij paard (sūs ha-mèlèkh) terwijl de koning de bezitter van het paard is.
Het eerste woord van betreffende bezitsrelatie krijgt nooit een lidwoord, terwijl het wel als bepaald wordt gekwalificeerd. Vaak ondergaat het daarbij een klinkerverandering zoals bijvoorbeeld devar in plaats van dāvār.
Het tweede woord in die constructie heeft wél een lidwoord en maakt dat de hele woordgroep bepalend wordt. De verbinding van beide woorden wordt als één geheel uitgesproken.
De Griekse vertaling van deze Hebreeuwse woordgroep (met status constructus) maakt dat de eerste groep toch een lidwoord krijgt.
- Bij eigennamen wordt in het Grieks in regel het lidwoord gebruikt, maar in de Septuaginta komt het veel minder voor. Hoogstwaarschijnlijk omdat het Hebreeuws voor een eigennaam zelden een lidwoord aanwendt. Onder invloed van de Hebreeuwse en de Griekse Bijbel (LXX) ontstond er een traditie waarbij de ‘God’ (theos) ‘van Israël’ zonder lidwoord in het Nieuwe Testament norm werd. In dit geval fungeerde die dus niet als een soortnaam, maar werd die vervangen door een eigennaam. Theos zonder lidwoord verwees dus niet automatisch naar ‘een god’.
- Voorbeelden in de Hebreeuwse en in de Griekse Bijbel:
Devar `adōnī ha-mèlèkh (zonder lidwoord) wordt letterlijk ‘woord van mijn heer de koning …’ maar in het Grieks ho logos tou kuriou mou tou basileōs … (met lidwoord). Het NBG vertaald met ‘het woord van mijn heer de koning’ (2 Samuël 14:17)
Hier is de koning de bezitter van het woord dat hij zal uitspreken …
Wekhissē dāwīd (eigennaam) wordt letterlijk ‘en troon van David’ maar het Grieks geeft ‘kai ho thronos David’ (1 Koningen 2:45). In het NBG: de troon van David.
Duidelijk is hier David de bezitter van de troon.
Devar `elōhīm zonder lidwoord (met God als eigennaam i.p.v. soortnaam) geeft letterlijk ‘woord van God’. In het Grieks komt dit met lidwoord ‘ho logos theou’ (1 Kronieken 17:3). Het NBG volgt daarin met ‘het woord van God’.
Ook hier is God de bezitter van het Woord. Het is immers zijn woord, dat hij uitspreekt.
Devar jhwh (= een eigennaam en dus zonder lidwoord) is letterlijk ‘woord van JHWH’. In het Grieks van de LXX wordt ‘ho logos kuriou’ en in de NBG ‘het woord van de HEER’ (Jesaja 39:8).
Samengevat
Het eerste woord van betreffende bezitsrelatie krijgt nooit een lidwoord, terwijl het wel als bepaald wordt gekwalificeerd. Vaak ondergaat het daarbij een klinkerverandering (devar in plaats van dāvār) zoals bij (van het Hebreeuwse ber’ēshīt), waarbij het gemis van het lidwoord de bepaaldheid ervan echter niet opheft.
De Griekse syntaxis van Johannes
Genoemde syntactische observaties leren met betrekking tot Johannes 1:1c dat het Woord aan God toebehoort. Hoewel er geen bezittelijk voornaamwoord bij het Woord staat, suggereert de context van dat Woord (logos) altijd een spreker. In de logica van het Hebreeuws staat het Woord voor de invloed en het effect, die van God uitgaan en zodoende zijn wil verwezenlijken. Het Woord valt te beschouwen als metaforische volmachthebber, die fungeert in harmonie met zijn zender God. fungeert in harmon
Het Grieks van Johannes krijgt conform de LXX eveneens een andere kleur.
Om dicht bij de Hebreeuwse tekst te blijven, gebruikt Johannes korte zinnen en nevenschikkingen met het meest voorkomende voegwoord kai (nl. een kwestie van parataxis).
Syntactische parallellen tussen Johannes en de LXX tonen aan dat in beide gevallen de strikte Griekse lidwoordregels wijken voor Hebreeuwse denkpatronen.
Johannes’ stijl doet dus sterk denken aan de Hebreeuws-Griekse stijl of het vertaal-Grieks van de LXX.
Het ontbreken van het lidwoord bij theos in de proloog hoeft vanuit een Joods-Grieks perspectief niet te verwijzen naar ‘een god’ (met onbepaald lidwoord). Het gaat om een kwalitatief gebruik zoals in de LXX om specifieke kenmerken van relaties of verbondenheid aan te geven. Bovendien fungeert ook hier God als een eigennaam.
