4-Griekse testament4.3-VerdiepenJohannes

4.3.18 De proloog deel 17 – ‘Bij de borst van de Vader en … hem doen kennen’

Johannes 1:18bcd

Inleiding

In de vorige bijdragen werd de verwantschap tussen de Wijsheidsteksten en Johannes’ proloog overtuigend aangetoond. De laatste alinea (1:18) vergt gezien haar compacte constructie uitgebreide aandacht. Het correct analyseren en verklaren van de drie enkelvoudige zinnetjes in 1:18 – ‘unieke (of bijzondere) van God’ (18b), ‘bij de borst van de Vader’ (18c) en ‘heeft hem doen kennen’ (18d) is daarbij een must. Dit wordt beslist geen gemakkelijke leesoefening net zoals dat bij 1:14 het geval was. Beide verzen (1:14 en 18) spelen inderdaad een doorslaggevende rol om de hele betekenis van de proloog te achterhalen. Conform de initiële opzet van het leesexperiment (zie deel 1) gebeurt dit opnieuw zonder de input van christelijke leerstellingen en dogma’s.

  1. Een adequate vertaling voor Johannes 1:18c

Een eerder overzicht van Johannes 1:18 in de belangrijkste Nederlandse bijbelvertalingen (zie deel 12) leert dat de derde enkelvoudige zin (18c) in de Griekse Tekst (ho ōn eis ton kolpon tou patros)zeer verschillendwordt vertaald. Samen met enkele Franse en Engelse bijbelvertalingen (respectievelijk DRB, TOB, FBJ, NBS en RSV, NIV, NRS) resulteert dit in het volgende overzicht:

  • ‘die’ aan de boezem van de Vader is (NBG)
  • ‘die’ op de boezem van de Vader is (NBS)
  • ‘die’ in de schoot van de Vader is (LEI, LUV, NB, DRB, TOB, RSV) 
  • ‘die’ naar de schoot van de Vader is toegekeerd (FBJ)
  • ‘die’ aan de zijde van de Vader is (NIV)
  • ‘die’ dicht bij het hart van de Vader is (NRS)
  • ‘die’ aan het hart van de Vader rust (NBV’04 en ‘21)

a. God en de Vader

Na absoluut te hebben beweerd dat God nooit door iemand is gezien (18a) heeft Johannes het toch over ‘de vader’. Zijn synagogale lezers dachten daarbij linea recta aan God. In hun Hebreeuwse en Griekse Bijbel wordt God met de metafoor vader voorgesteld. Onderstaande zeven citaten zijn in dit opzicht veelzeggend. JHWH wordt daarin telkens vader genoemd in het kader van zijn fungeren als Israëls schepper, formeerder en verlosser:

b. Schoot, boezem, zijde en hart?

De voorgestelde vertalingen voor 18c met schoot, zijde en hart kan men moeilijk geschikt noemen. De eerste betekenis van het Griekse woord (kolpon) is boezem, borst of borstkas. De zijde en het hart komen dus niet in aanmerking. De term ‘schoot’ is ook niet gepast omdat het in eerste instantie doet denken aan de letterlijke schoot van een vrouw, een moederschoot, baarmoeder of moederlijf. Het woord ‘boezem’ roept in het gewone spraakgebruik het beeld op van de boezem van een vrouw en niet dat van een man (of een vader). De uitdrukking ‘aan de boezem’ (NBG) doet dan weer denken aan het ‘aan de borst’ liggen van een moeder. De anatomische term ‘borstkas’ past niet in de context van 1:18.

De Griekse Bijbel (LXX) heeft een aantal teksten met dezelfde woordgroep als in 1:18c (eis ton kolpon tou patros) waar een hechte relatie wordt gesuggereerd  zoals tussen:

1) echtgenoten:

> David krijgt te horen dat JHWH de koning de vrouwen van zijn heer (d.i. Saul)‘bij / tegen jouw borst’ heeft gegeven (Gr. en tōi kolpōi sou – 2 Samuel 12:8)

> Als in de toekomst een volk uit het Noorden Israël in het nauw zal brengen, dan zullen er zich vreselijke taferelen afspelen. Een man zal de (eigen) vrouw‘bij / tegen zijn borst’ (Gr. en tōi kolpōi sou – 28:54) slecht behandelen en een vrouw de (eigen) man, die ‘bij / tegen haar borst’ is (en tōi kolpōi autēs – 28:56)

2) een vrouw en een kind zoals Noömi, die als voedster het kind van Ruth en Boaz op haar schoot / tegen haar borst (Gr. eis ton kolpon autēs) legde (Ruth 4:16). Noömi neemt de taak van opvoedster voor haar rekening.

3) een man en een door hem geliefkoosd klein schaapje in een verhaaltje. Met het bijzonder intieme beeld van het dichtbij elkaar zijn, houdt Natan koning David een spiegel voor: ‘de arme had niets, behalve één klein ooilam dat hij had gekocht en opgekweekt. Het groeide bij hem op, samen met zijn kinderen; het at van zijn bete, het dronk uit zijn beker en het sliep‘bij / tegen zijn borst’, (en tōi kolpōi autou): het was hem als een dochter (2 Samuel 12:3).’

Kortom: voor de vertaling van de Griekse woordgroep in Johannes 1:18c lijkt met ‘bij / tegen’ de borst van de Vader’ het meest adequaat.

c. Niet ‘die’ maar ‘dat’

Een aantal woorden en woordgroepen omtrent het Woord in de proloog kunnen Johannes’ synagogale lezers aanzetten om al lezend terug te koppelen naar teksten in Spreuken en in Sirach die over de Wijsheid gaan. Hun actieve geheugen kan hen dan terugvoeren naar de daarin aanwezige analoge, synonieme en zelfs identieke woorden en woordgroepen. Overeenkomsten en gemeenschappelijke elementen tussen het Woord en de Wijsheid kunnen hen een déjà-lu doen ervaren of bij hen een aha-erlebnis veroorzaken. Resultaat? Aan een onmiskenbare verwantschap tussen Johannes’ proloog en betreffende teksten hoeven zij dan niet te twijfelen (zie delen 13 tot en met 16). Bijgevolg kan het Woord retroactief onverkort als een echo van de Wijsheid worden beschouwd.

De beschreven kenmerken en eigenschappen van de Wijsheid maken duidelijk dat de schrijvers van Spreuken en Sirach naast de vele vergelijkingen met een lieveling en met bomen, kruiden, waterlopen, enz. de Wijsheid ook als metafoor hebben opgevoerd. Enkele voorbeelden verantwoorden deze insteek:

  • Zo laat Spreuken 8:31 aan de lezers weten dat de Wijsheid zich onder de mensen is komen begeven en er zich heeft kunnen vermaken.
  • Sirach vertelt in zijn hoofdstuk 24 dat de Heer de Wijsheid de opdracht gaf om haar tent in Jakob / Israël neer te zetten.
  • In de tent van de Heer mag zij hem dienen voor zijn aangezicht. Zodoende werd zij op Sion gevestigd.
  • De Heer gaf haar een rustplaats in Jeruzalem, waar zij zeggenschap kreeg in de stad.
  • Resultaat? Zij heeft zich kunnen verankeren (of zich inwortelen) te midden van zijn volk, waar zij haar erfdeel kreeg in het deel dat de Heer toebehoort.

Alle in paragraaf 1 genoemde Bijbelvertalingen gaan met betrekking tot 1:18c uit van de onderlinge nabijheid tussen een ‘die’ (Gr. ho) en ‘de Vader’ (Gr. patros). Het Woord-dat-vlees-is-geworden en onder de mensen is komen wonen, wordt binnen het christendom alsof Johannes hiermee een mens zou hebben bedoeld. Alle hierboven en in de delen 13 tot en met 16 observaties met betrekking tot Wijsheid en Woord en hun onmiskenbare onderlinge verwantschap spreken van een ‘die’ (d.i. een persoon).

De vraag is dan of het niet meer voor de hand ligt om het Woord – net zoals de Wijsheid – als een metafoor te kwalificeren? Het leesexperiment in deel 16 toont dat overal waar het Woord expliciet voorkomt of er (via voornaamwoorden) naar wordt verwezen, simpelweg door de Wijsheid kan worden vervangen. Als deze redenering op grond van al het voorgaande hout snijdt, dan zou het in 1:18c niet om een ‘die’, maar om een ‘dat’ gaan.

In de verzen die aan 1:18 voorafgaan draait het om de heerlijkheid van het Woord (1:14-17).  Deze wordt vergeleken met ‘het bijzondere’ of  ‘het enige’ van een vader’ (14d). Ten onrechte werd in deel 6 ‘vande Vader’ vertaald, terwijl er geen bepaald lidwoord in de Griekse tekst voorkomt.

Voor het Griekse voorzetsel eis, dat in 1:1c ‘dat’ en ‘Vader’ verbindt, kunnen vertalers in het Nederlands kiezen uit een rits voorzetsels: ‘in’, ‘bij’, ‘op’, ‘door’, ‘nabij’ (en eventueel ‘te midden van’ en ‘tegen’). De keuze dient echter wel te harmoniëren met de volledige tekst van de proloog.

2. ‘Dat bij de borst van de Vader ’ (1:18c) en ‘het woord bij God’ (1:1b)

In deel 1 van deze bijdragen over Johannes’ proloog werd duidelijk dat die tekst zeven alinea’s behelst. De eerste (1:1-5) en de laatste (1:18) hebben qua inhoud kenmerken gemeen.

1) de aanhef introduceert de relatie van het Woord tot God op een imponerende manier: ‘het Woord was van in het begin bij God’ (Gr. pros ton theon – 1:1b). Het blijkt er zich ten nutte van de mensen te manifesteren (1:1-5). De niet minder indrukwekkende finale heeft het over de relatie tussen God (die niet gezien wordt) en het datgene bij de borst van de Vader. Dit laatste wordt verantwoordelijk gehouden voor het doen kennen van God (impliciet) aan de mensen (1:18d). Hiervoor (zie 1.a) wordt er op gewezen dat de benamingen God en Vader uitwisselbaar zijn. Aanhef en finale kunnen dus gezien worden als een semantische inclusie rond de inhoud van de proloog.

2) daarnaast hebben beide alinea’s (1:1-5 en 1:18) het over het bij-God-zijn: ‘en het woord was bij God’ (1:1) en ‘datgene zijnde bij de borst van de Vader’ (18c). Het voorzetsel bij als vertaling van het Griekse ‘pros’ (in 1:1) had als variant ook ‘in gezelschap van’, ‘met’, ‘in de buurt van’, ‘naast’ en ‘nabij’ kunnen zijn. Het kan ook als ‘naar God toe’ of ‘gericht op God’ worden begrepen (zie deel 1). De aanwezigheid van het Woord bij God komt daardoor sterk(er) uit de verf, zoals dit ook geldt voor de Wijsheid. Deze verkeert immers permanent in de tegenwoordigheid van JHWH (Spreuken 8:30) en zij dient voor het aangezicht van de Heer in zijn tent (Sirach 1:9);

3) vertaalt men ‘en het woord was bij God’ vanuit het Griekse ‘pros’ terug naar het Mishna-Hebreeuws (van in de eerste eeuwen van de g.j.) zoals Franz Delitzsch in zijn Hebreeuws Nieuwe Testament, dan geeft dit: ‘en het woord was met God’ (Heb. ēt of īm). Dat harmonieert met het bijbels Hebreeuwse zoals in:

  • 1 Koningen 8:61 –‘ het volk wordt door Salomo aangespoord: ‘moge uw hart volkomen zijn met JHWH, onze God, (īm jhwh ‘elōhēnū / pros kurion theon hēmōn) om in zijn inzettingen te wandelen, en zijn geboden evenals heden in acht te nemen’;
  • Micha 6:8 – ‘ Hij heeft u bekendgemaakt, o mens, wat goed is en wat JHWH van u vraagt: niet anders dan recht te doen en getrouwheid lief te hebben, en ootmoedig te wandelen met uw God (Heb. īm ‘elōhèjcha; Gr. meta kuriou theou sou);
  • Psalm 130:7 / 129:6 – Israël hope op JHWH, want bij JHWH (īm jhwh / para tōi kuriōi) is goedertierenheid, bij hem (īmō / para autōi) is veel verlossing.

Is het de bedoeling van Johannes om een onderscheid te maken tussen God als schepper (1:1-5) en God als vader van alle mensen (1:18c)? Ertussenin vestigt hij dan de aandacht van zijn lezers op een bijzonder of eigen(soortig) iets van God (18b)? Dat die laatste woordgroep gewoon naar God zelf zou verwijzen, houdt uiteraard geen steek. Immers, hoe zou men zich God (1:1-5) bij de borst (of in de schoot NBG) van de Vader (1:18c) moeten voorstellen? Juist het genoemde ‘bijzondere’(18b) is datgene wat God doet kennen (18d).

Al met al staan binnen de proloog hetWoord bij God (1:1b) en datgene bijde Vader (1:18c) niet alleen parallel gepositioneerd, maar zij kunnen ook als elkaars equivalenten worden gekwalificeerd.
 

4. Het ‘bijzondere’ heeft God doen kennen – 1:18b en d

a. Niet kunnen zien, maar wel doen kennen

In Johannes 1:18a stelt de verteller heel absoluut dat niemand God ooit heeft gezien. Hij zet God (theon) zelfs voorop in de zin, zodat het de volle nadruk krijgt. De Hebreeuwse en Griekse Bijbel laten over dit niet kunnen zien van God geen twijfel bestaan, terwijl zij wel ruimte laten voor optische verschijningen van Israëls God (zie deel 12). Het niet-kunnen-zien(Gr. oraō) in 1:18a krijgt in 18d een valabele tegenhanger in het kenbaar maken, onthullen, openbaren of uitleggen van God (Gr. exēgeomai). Dit werkwoord valt op te vatten als helder overbrengen, verklaren en begrijpelijk maken. Delitzsch vertaalt het vanuit het Grieks naar het Hebreeuws met ‘doen kennen’ (jādāh). Daarbij gaat het niet om het cognitieve of verstandelijke kennen, zoals bijvoorbeeld weten dat God bestaat. Het betreft het hebben van een hechte onderlinge relatie die zich bewijst in een wederzijdse trouw. De meeste Nederlandstalige Bijbelvertalingen hebben ook voor ‘doen kennen’ gekozen. Het niet-kunnen-zien-van-God wordt zodoende enigszins gecompenseerd door het wel-kennen-van-God.

b. het bijzondere bij het scheppen en bij het doen kennen

De overeenkomstige Griekse termen monogenous (in 1:14d) en monogenēs (in 18b) zijn te vertalen als ‘bijzondere’, ‘unieke’, ‘enige’ of zelfs als ‘eigene’. Zij sturen de lezer om deze twee enkelvoudige zinnen met elkaar in verband te brengen. In het eerste geval gaat het om het vergelijken van de heerlijkheid van het Woord met wat ‘bijzonder’ of ‘uniek’ is voor een vader (14d). In het tweede geval wordt het ‘bijzondere of unieke’ in de nabijheid van de Vader gesitueerd (18c).

Het is belangrijk om er hier opnieuw op te wijzen om de enkelvoudige zin in 1:1c niet als ‘het woord was God’ weer te geven, zoals dat traditioneel gebeurt, maar conform de Griekse brontekst als ‘God was het woord’ (zie deel 2). Het Woord lijkt bijgevolg een manier te zijn om God – die niet gezien kan worden – te presenteren als de schepper van alle dingen (1:3-5). Terecht, want God heeft het ‘in het begin’ gedaan door middel van zijn spreken (deel 3). Het Woord was er met andere woorden bij – net zoals de Wijsheid trouwens (deel 13) – toen God de schepping realiseerde. In 1:18bc blijkt het Woord / de Wijsheid als dat bijzondere van God (18b) gesitueerd te zijn bij de borst van de Vader alias schepper van alle mensen (18c). Het is juist die bijzondere of die eigen manier van God (namelijk als het Woord of de Wijsheid) waarmee hij zich manifesteert. Via die eigen stijl of unieke eigenschap – hoewel God niet kan worden gezien – kan hij wel (door de mensen) worden gekend.

Het aansluitende Griekse aanwijzende voornaamwoord ‘ekeinos’ (d.i. dat) in 18d verwijst terug naar ‘dat’ bij de borst van de Vader (18c). Op zijn beurt refereert dit naar het bijzondere (aspect) van God (18b). Daar krijgt dat eigene een volle nadruk toegemeten.

Als bovenstaande observaties hout snijden, dan zou de vertaling, die het dichtst bij de betekenis van de tekst blijft, als volgt kunnen luiden:

c. Wat is dat eigene van God?

God is het Woord (1:1c) betekent eigenlijk dat het Woord niet God is. Het vervult een specifieke rol net zoals de Wijsheid dat trouwens doet. En dat op zo’n manier dat het op een eigen wijze God presenteert en vertegenwoordigt. Het Woord behoort God toe, want het is ‘zijn’ Woord. Het maakt deel uit van hem, maar met een eigen kenmerk of karakter. Het Woord heeft een unieke eigenschap waardoor het zich onderscheidt van welk ander woord dan ook.

Na de initiële vermelding van God als het Woord bij de schepping (1:1-3) wordt het een tweede keer expliciet vermeld bij het neerzetten van de tent van het Woord onder de mensen (1:14ab). Er zijn mensen (nl. ‘ons’ en ‘wij’) die de glorievolle verschijning van dat Woord hebben opgemerkt (14c). Zij ervoeren deze als zéér bijzonder (14de) vanwege de daarmee verbonden volle of overvloedige goedheid en trouw (14e). De derde keer is het Johannes die impliciet over het Woord getuigt door de stellen dat het er al vóór hem was, al van oudtijds (1:15). De getuige voegt eraan toe dat hij samen met anderen (nl. de wij) er de overvloedige goedheid bovenop goedheid van hebben ontvangen (1:16). Uiteindelijk is het eigene van God (of het impliciete Woord) dat hem (aan de mensen) doet kennen.

Ter afronding

Al met al betoogt Johannes in zijn proloog (1:1-18) dat het Woord zich in verschillende vormen kenbaar maakt. Daarbij toont het zich telkens op een eigen, herkenbare wijze met bijbehorende kenmerken:

  • het scheppende Woord dat alle dingen heeft doen ontstaan (1:1-5)
  • het lichtgevende Woord dat naar alle mensen is gekomen (1:6-13)
  • het glorievolle Woord dat overvloedige goedheid en trouw aan ons heeft doen opmerken (1:14)
  • het oudtijdse Woord heeft ons overvloedig goedheid bovenop goedheid geschonken (1:15-16)
  • het geschreven Woord dat door Mozes is gegeven (1:17a)
  • het zich manifesterende Woord dat door Jezus Christus is geworden (1:17b)
  • het zich openbarende Woord dat God heeft doen kennen (1:18)

Wordt vervolgd: De proloog – deel 18: Woord, Wijsheid en Thora – Johannes 1:1-18