4.3.17 De proloog deel 16 – Zijn het Woord en de Wijsheid uitwisselbaar?
Inleiding
Er mag vanuit worden gegaan dat de synagogale lezers, die de proloog van het Johannesevangelie onder ogen kregen, zeer goed bekend waren met teksten over de schepping. Uiteraard met het scheppingsverhaal in Genesis, met enkele uitspraken in de Psalmen, met de Schriftprofeten, maar vooral met Spreuken 8 en met het boek Sirach. Zij geloofden rotsvast dat hun God JHWH o.a. door te spreken de wereld had gemaakt en dat de Wijsheid daarbij een bijzonder grote rol speelde. Vertrouwd als zij waren met hun Hebreeuwse en Griekse Bijbel (LXX) vielen hun moeiteloos verbanden op. Zo merkten overeenkomsten op en konden zo probleemloos verwante gegevens met elkaar associëren.
1.De Wijsheid in verband met de schepping in Spreuken 8 en in Sirach
In literaire bewoordingen spreekt men dan van retrograde of terugkoppelende leesbewegingen van de Proloog naar Spreuken en Sirach. Soms gaat het om quasi woordelijke overeenkomsten, onbetwistbare analogieën en parafraserende gelijkenissen. Daar het er heel wat zijn (zie delen 13, 14 en 15) konden zij bij Johannes’ toenmalige lezers niet op een koude steen vallen. Het is werkelijk de moeite waard om ze parallel aan het leesparcours binnen de proloog te presenteren (zie hieronder paragraaf 2). Het gebruik van kleuren helpt de onderlinge overeenkomsten – soms woordelijk, soms parafraserend – snel te spotten.
De opsomming van de kenmerken, eigenschappen en functies van de verpersoonlijkte Wijsheid in haar relatie tot God, zijn schepping en diens volk in Spreuken en in Sirach ziet er als volgt uit:
De Wijsheid in Spreuken en in Sirach
- was er al vóór het allereerste begin en zij was er in het begin
- van eeuwigheid was zij bij God en was er bij tijdens zijn werken van de tweede en de derde dag
- door God geschapen en kwam voort uit de mond van de Allerhoogste
- de bron van de Wijsheid is het woord van God
- zij wordt gelijkgesteld met het verbondsboek, de wet van Mozes voor Jakob’ synagogen
- haar tent moest zij van God neerzetten in het midden van Jakob / Israël
- zij wortelde zich onder het volk en werd er in allerlei opzichten tot een zegen (w.o. gastvrouw en leerkracht)
- de Wijsheid kreeg een rustplaats en zeggenschap in Jeruzalem
- zij diende in de heilige tent voor het aangezicht van de Heer in Sion
- door God werd zij uitgestort over al zijn werken
- zij had een hechte ononderbroken en vreugdevolle relatie met hem
- zij beleefde die vreugde onder de mensen op aarde
- de Wijsheid doet onderricht oplichten en verspreiden tot in de verte
- zij doet onderwijs stromen als profetie voor de verste nakomelingen
In hoeverre heeft de kennis van deze informatie, waarover de lezers van Johannes beschikten, hen ertoe aangezet een verbinding te leggen met de presentatie van zijn Woordverhaal (in 1:18)? Maar meer nog! Heeft het begrijpen ervan hen in een andere richting gestuurd dan die van de lezers die uitsluitend vertrouwd zijn met christelijke dogma’s over het Woord?
De huidige lezer, die van huis uit in de christelijke samenleving is opgegroeid, leest Johannes’ proloog of Woordverhaal uiteraard op basis van hoe deze hem of haar tijdens het leven heeft gevormd. Na de kennisname van o.a. de informatie over de Wijsheid en haar relatie tot de schepping in Spreuken 8 en Sirach (zie delen 13-15) komen voor de lezer de kaarten anders te liggen.
a. In deel 3 van deze bijdragen over de proloog – dat als woordverhaal fungeert – komt duidelijk naar voor dat zijn aanhef een overtuigende affiniteit heeft met het begin van het scheppingsverhaal (zie deel 3 – Terugkoppelend lezen van Johannes 1:1-5 naar Genesis 1: 1-5). Beide verhalen, waarin het spreken of het woord van God een cruciale rol speelt, koppelen terug naar het begin van het ontstaan van alle dingen, die ‘geworden zijn’ (1:3).
b. Naast het scheppingsverhaal (Genesis 1:1-2:a) besteedt ook de boekrol Spreuken aandacht aan de schepping van de wereld (zie deel 13 – Het Woord als echo van de proloog 1). De schrijver heeft het over het grondvesten van de aarde en het vastzetten van de hemel(en), maar voegt er een nieuw gegeven aan toe. God de schepper doet dit door middel van wijsheid en verstand (3:19). Hierop komt hij terug in 8:21-29, waarin hij de beeldvorming van de gepersonifieerde wijsheid presenteert. Hij laat haar aan het woord. Trots vertelt zij over haar oorsprong. Geschapen door JHWH vóór diens andere werken neemt zij deel aan zijn zijde tijdens zijn schepping van hemel en aarde (8:22-31).
c. De beeldvorming van de Wijsheid uit Spreuken krijgt bijval in het Boek van de Wijsheid, van Jezus, de zoon van Sirach. De schrijver ervan verrijkt haar door eveneens de oorsprong van Dame Wijsheid naar de voorgrond te brengen. Haar bron is het Woord van God en haar wegen zijn eeuwige geboden. Zij zegt van zichzelf dat zij ‘uit de mond van God is voortgekomen’. Sirach besteedt vooral uitvoerig aandacht aan haar rol en bestemming(delen 14 en 15 – Het Woord als echo van de Wijsheid 2a en 2b). Een rits van gevarieerde metaforen over de talrijke eigenschappen van Vrouwe Wijsheid (24:24-34) lijkt op een kleurrijke en prachtige caleidoscoop. Essentieel is dat dit geheel het verbondsboek of kortweg de Wet vertegenwoordigt. De Heer bestemt een plaats voor haar en bezorgt haar een rol temidden van het volk Jakob in Israël. En dát specifiek in Jeruzalem. Zo wordt helder dat de Wet (nomos / thōrā) onlosmakelijk verbonden is met de Wijsheid én het Woord (van God).
2.Overeenkomsten en gemeenschappelijke elementen tussen de Wijsheid en het Woord in de proloog
Het door de teksten geboden vergelijkingsmateriaal nodigt huidige lezers uit om Johannes’ Woord naast die gepersonifieerde Wijsheid te leggen. En wat blijkt? De overeenkomsten en de gemeenschappelijke elementen zijn niet van de lucht.
- Wijsheid en Woord zijn er in het begin – 1:1
- en zijn bij de Heer // God – 1:1
- en bij hem in het begin – 1:1
- door middel van de Wijsheid en het Woord zijn de werken Gods // alle dingen geworden – 1:3
- zij brengen licht onder de mensen – 1:4, 9-10
- zij solliciteren hun vertrouwen en gehoorzaamheid – 1:12
- Wijsheid en Woord zetten hun tent neer te midden van de mensen // te midden van ons – 1:14
- zij zorgen voor een onbegrensde volheid aan vrijgevigheid // goedheid bovenop goedheid – 1:16
- Wijsheid en Woord lopen synchroon met: wet, die Mozes heeft bevolen // heeft gegeven – 1:17
- zij hebben een hechte relatie met de Heer / de Vader (lieveling // aan de boezem) – 1:18
Johannes’ Woordverhaal activeerde dus bij elk van deze overeenkomsten het geheugen van zijn toenmalige joodse lezers. Hoogstwaarschijnlijk bewerkstelligde dit bij hen telkens een déjà-lu en ervoeren zij een soort van aha-erlebnis. Volgens bovenstaande informatie over de Wijsheid en het Woord blijken zij in ieder geval in allerlei opzichten onlosmakelijk verbonden te zijn met de Heer / God van de schepping. Is het dan niet legitiem de vraag te stellen of zij uitwisselbaar zijn?
3.Substitutie van het Woord door de Wijsheid
Op grond van de vele bovenstaande overeenkomsten en parallellen lijkt het een interessant experiment om het Woord in de proloog gewoon te vervangen door de Wijsheid om te zien waar dit toe leidt.
a. Het eerste deel van de proloog – Johannes 1:1-13

Deze vergelijkende tabel met betrekking tot de verzen 1:1-13 maakt duidelijk dat het Woord moeiteloos uitwisselbaar is voor de Wijsheid. Op geen enkel punt is er sprake van een dissonantie, maar wel van een overtuigende equivalentie.
b. Het tweede deel van de proloog – Johannes 1:14-18
De verteller Johannes heeft het in 1:4b-13 continu over het licht waarbij het Woord als een drager van leven én van licht voor de mensen lijkt te fungeren (4b). Terwijl hij dit Woord daarna enigszins op de achtergrond plaatst, grijpt hij in 1:14 onverwachts terug naar dat woord (4a).
Terwijl alle dingen door het Woord zijn geworden, komt de verteller in 14a aanzetten met de melding dat het Woord zelf een van die (levende) dingen is geworden: het Woord is ‘vlees’ (Gr. sarks) geworden. Alle Nederlandstalige bijbelvertalingen houden het letterlijk op ‘vlees’, terwijl de Naardense Bijbel er bloed aan toevoegt (‘vlees-en-bloed’). De GNB en de NBV vervangen het vlees gewoon door ‘mens’.
Wat bedoelt Johannes nu echt met het Woord is vlees geworden? Tot aan 1:14 verwijst hij steeds naar het Woord met het pers. vnw. 3 enk. ‘het’ (en dit of dat als aanw. en betr. vnw.).Nu rijst de legitieme vraag of er bij het Griekse ho logos (nl. het Woord) naar het pers. vnw. 3m.enk. ‘hij’ moet worden geswitcht. Tijdens de bespreking van 1:14-18 worden beide opties telkens door een schuine streep gescheiden naast elkaar geplaatst (zoals hieronder). Vooraleer de knoop kan worden doorgehakt moet eerst de betekenis van dit ‘vlees geworden’ bevredigend worden bepaald.

De teksten over de schepping van de wereld in de Hebreeuwse en Griekse Bijbel hebben – zoals aangetoond – lezers op het spoor gebracht van de werking van de Wijsheid. Aan de vermelding van het vleesgeworden Woord in de proloog wordt meteen toegevoegd dat het zijn tent neerzette (Gr. skēnoō) te midden van ‘ons’ (mensen). Moet dit índerdaad letterlijk worden opgevat alsof een mens zijn tent echt opzet? In Sirach geeft de Heer Vrouwe Wijsheid de opdracht haar tent te midden van het volk neer te zetten. Het gaat daar duidelijk om een metafoor, een niet-letterlijke vergelijking, die mogelijk ook opgaat voor in Johannes’ Woordverhaal. Als lezer voor deze tweede optie kiest en het Woord vervangt door de Wijsheid, dan levert dit het volgende resultaat op:

c. Observaties met betrekking tot een mogelijke uitwisselbaarheid
Als de lezer het Woord inderdaad inruilt voor de Wijsheid, dan harmonieert de beeldvorming van eerstgenoemde met die van de Wijsheid in de Hebreeuwse en Griekse Bijbel.
1. De Wijsheid begeeft zich immers net zoals het Woord onder de mensen met het neerzetten van hun tent. Dankzij de reikwijdte en diepgang van de Wijsheid ervaren zij haar vrijgevigheid, zoals zij de heerlijkheid van het Woord opmerken en goedheid en trouw ervaren.
2. Die heerlijkheid is van dien aard dat zij wordt gedefinieerd als het eigene, het bijzondere, het unieke van de Vader (zoals bijvoorbeeld Isaak voor Abraham en de dochter voor Jefta). Spreuken laat de Wijsheid (van verrukking) uitroepen dat zij zich als een lieveling permanent uitgelaten voelde in het bijzijn van JHWH. Van een onderlinge harmonie gesproken!
3. De getuige Johannes heeft het over een mens, die na hem komt, terwijl hij eigenlijk al vóór hem bestond. Dit klinkt onwezenlijk. Bij de tweede optie, als het om de Wijsheid zou gaan, valt die ongerijmdheid weg. Het Woord (c.q. de Wijsheid) is inderdaad (al in het begin) en dus vóór deze Johannes geworden.
4. Hoe zou het zijn om het ‘unieke (of bijzondere) van de Vader in te brengen om het moeilijk te plaatsen (1:18c) ‘unieke van God aan de borst van de Vader’ te kunnen vatten? De Wijsheid (alias het Woord) is immers bijzonder hecht met de Heer (God) verbonden. Die optie lijkt hout te snijden als de lezer rekening houdt met de opbouw van de proloog. Het begin daarvan (1:1-5) introduceert het Woord bij God te nutte van de mensen. Het hoeft nauwelijks betoog dat dit harmonieert met het ‘zijn bij de Vader’ (1:18c) waardoor ‘God (aan de mensen) bekend wordt gemaakt (18d).
Vaststelling
Wil de lezer de betekenis van Johannes’ proloog (1:1-18) echt doorgronden dan hoort de laatste alinea ervan zorgvuldig onder de loep te worden genomen. Zo moeten immers de drie enkelvoudige zinnetjes – ‘unieke (of bijzondere) van God’ (18b), ‘aan de borst van de Vader’ (18c) en ‘heeft hem doen kennen’ (18d) – nauwkeurig worden geduid. Dat dient te gebeuren conform de initiële opzet (zie deel 1) zonder een beroep te doen op leerstellingen en dogma’s, die in de christelijke samenleving gangbaar zijn. Samen met de informatie uit andere joodse (rabbijnse) geschriften in een latere bijdrage kan dit hele leesexperiment nog best wat in petto hebben!
Wordt vervolgd: De proloog deel 17 – Die tegen de borst van de Vader is, heeft hem doen kennen – Johannes 1:18bcd)
