4-Griekse testament4.3-VerdiepenJohannes

4.3.16 De proloog deel 15 – Het Woord als echo van de Wijsheid 2b

Inleiding

In het eerste hoofdstuk van het boek De Wijsheid van Jezus Sirach heeft de dichter-verteller de Wijsheid aan zijn lezers geïntroduceerd. Hij stelt dat zij van de Heer (d.i. JHWH) afkomstig is, voor altijd bij hem is en vóór alle dingen is geschapen. Haar bron of herkomst is het woord van God. Die wijsheid geeft hij aan allen die hem liefhebben. Wat een ouverture!

In zijn boek weidt de schrijver uit over die Wijsheid en hoe te leven volgens de wil van God (d.i. ontzag voor hem, naastenliefde, vergeving, enz.). In hoofdstuk 24 bereikt de tekst een hoogtepunt. In de verzen 3-22 laat hij de Wijsheid de hele tijd aan het woord. De lezers leren haar kennen als een zelfverzekerde vrouw, die een loflied over zichzelf verheft (1-12). Zij beseft haar goddelijke oorsprong en ook dat God Israël en Jeruzalem als haar bestemming heeft bepaald. Dáár zal zij al dienende het volk Israël tot zegen zijn (13-23).         .

De verteller-dichter komt in 24:23 bij de essentie of de kern van zijn boodschap. Hij formuleert deze kort en bondig. Al het door Vrouwe Wijsheid gepresenteerde wordt vervat in de wet van God.

  1. Wijsheid en wet in Sirach – 24:23

Abrupt dient er zich met 24:3 een nieuwe alinea aan. Met de woordgroep ‘dit alles is’ (Gr. panta tauta) of ‘dit alles ligt besloten in’ (NBV), neemt de dichter-verteller het woord van Wijsheid over.

Al wat zij heeft bezongen (1-22) sluit volgens hem aan bij het verbondsboek van de allerhoogste God. Dit preciseert hij meteen met ‘de wet (Gr. nomos), die Mozes heeft bevolen’. Dit is een zin, die hij regelrecht haalt uit de boekrol Deuteronomium (33:4), waarin de Hebreeuwse tekst uiteraard ‘thōrā’ heeft staan. Sirach bestempelt deze ‘als erfgoed voor de synagogen van Jakob’. Hiermee geeft hij dus aan dat de wijsheid, die van God komt, op één lijn ligt met of afgestemd is op die wet. Deze staat voor de identiteit en de geschiedenis van het volk Israël, waarbij de wijsheid als verbindingsschakel een centrale rol speelt. Eerder had Sirach er al op gewezen dat ‘in alle wijsheid de praktijk van de wet (thōrā) ligt vervat (19:20). Ook had hij betoogt dat ‘wie de wet naleeft’, heer en meester over zijn gedachten blijft en dat vrees voor de Heer tot wijsheid leidt (21:11).

a. Indrukwekkende beelden over de werking van de thōrā – 24:25-27

Na deze forse verklaring over de relatie tussen de Wijsheid en de Wet – in die zin dat eerstgenoemde opgaat in de tweede – weidt Sirach uit over de werking van de Wet. De verteller-dichter gebruikt daarvoor beelden van het overstromen, overlopen en stromen van driemaal twee rivieren. Vier rivieren (Pison, Gichon, Tigris en Eufraat) ontsprongen uit de tuin van Eden (Genesis 2:11-14). Terwijl de eerste twee geografisch moeilijk te situeren zijn, horen de twee andere thuis in het ‘Tweestromenland’ of Mesopotamië. Nijl en Jordaan kenden de schrijver en zijn kleinzoon dan weer het beste, omdat de eerste in Egypte en de tweede in Jeruzalem dit literaire werk creëerden. 

De ‘hij’, alias de wet (24:23), brengt de trits wijsheid-inzicht-onderricht (Gr. resp. sofia-sunesis-paideia en grotendeels elkaars synoniemen) op gang. Via dit trio produceert hij een bewegingsenergie te vergelijken met het indrukwekkende wassen of het megadebiet van deze rivieren als het daar de gepaste (oogst)tijd voor is.

b. Reikwijdte van de Wijsheid – 24:28-29

Dan schakelt de verteller-dichter van de wet (de ‘hij’) terug over naar de wijsheid (de ‘haar’).

Sirach merkt over haar op dat de mensheid – hier vertegenwoordigd door de eerste en de laatste mens – niet in staat is om haar (de Wijsheid) te bevatten. De omvang (wijdheid en diepgang) van haar denken en van haar doeleinde zijn gewoonweg onmeetbaar. Het sterke beeld van de eerder genoemde zes waterwegen (25-27), die hun respectievelijke volume water niet binnen hun bedding houden, wordt immens overtroffen door dat van het water in de zee en in de grote vloed (d.i. oeroceaan)! De verteller-dichter maakt met zijn voorstellingen een grote indruk op zijn lezers. Een nog grotere klemtoon op de relatie tussen de Wet en de Wijsheid had hij nauwelijks kunnen leggen.

c .De door wet gevoede Wijsheid als vruchtbaarmakend stromend water – 24:30-31

De verteller-dichter verleent opnieuw – net zoals in 24:3-22 – het woord aan Vrouwe Wijsheid.

Voortbordurend op het thema ‘water’ vergelijkt Wijsheid zich opeenvolgend met een kanaal, een waterloop, een rivier en een zee. Eerstgenoemde waterweg wordt door een rivier gevoed. De vergelijking in 24:25 – ‘hij laat wijsheid overstromen zoals de Pison … en de Tigris‘ – maakt duidelijk dat de ‘hij’ (of wet/thōrā) verantwoordelijk is voor de wassende of aanzwellende wijsheid. In Sirach 24:30 blijkt Wijsheid als kanaal haar ontstaan aan een rivier te danken. Het vergt weinig verbeelding om die rivier (30a) te synchroniseren met de ‘hij’ in 26-28. Deze wet doet Wijsheid overstromen, overlopen en overvloeien net zoals ‘hij’ (als rivier) ‘haar’ als (kanaal) van water voorziet.

Als Vrouwe Wijsheid als kanaal en als waterloop haar vruchtbaarmakende rol (van boomgaard en van moestuin) heeft vervuld, wordt zij zelf tot een rivier. Metaforisch lijkt zij zich als een zevende rivier aan te sluiten bij de zes eerdere rivieren, die uit de wet ontspringen (24:23, 25-27). Zij beelden de Wijsheid uit die door de Wet wordt gevoed, bezield en aangestuurd. Deze stimulansen blijven niet zonder resultaat. Van een kanaal wordt zij immers tot een rivier en uiteindelijk tot een zee.  De verbinding met het eerdere vers 29 liegt er niet om. Daar werd het denken van Dame Wijsheid getaxeerd als ruimer dan de zee en haar doel dieper dan de onvoorstelbaar grote vloed (Genesis 1:2).

Het kanaal fungeert dus als metafoor voor de wijsheid (in 30a) die eveneens niet op zichzelf (be)staat. De vergelijking stopt hier niet. Zoals de wijsheid in 24:29 op één noemer wordt geplaatst met de zee, gebeurt dit hier ook: de wijsheid-rivier wordt een zee.

Verder begeeft de Wijsheidsrivier zich als een waterloop naar een tuin (paradeisos). Die tuin doet enerzijds denken aan de allereerste waterrijke tuin met zijn kwartet rivieren (Genesis 2:10-14). Anderzijds fungeert hij als symbool voor het land dat de Heer aan zijn volk heeft gegeven. JHWH zegt immers expliciet tegen de Judeeërs: ‘dan zult gij zijn als een wel besproeide tuinen als een bron, waarvan het water niet ontbreekt (Jesaja 58:11). In beide gevallen gaat het om aanzienlijk veel water. Sirach vergelijkt het ontzag voor de Heer met een weelderige tuin (40:27). Elders stelt hij (19:20) dat dát ontzag gelijk is met alle wijsheid (19:20) en met het naleven van de wet (TOB, NRS, LUV, NBV).

Tuin, boomgaard en moestuin worden door de Wijsheid rijkelijk voorzien van water. Zo kunnen zij  groeien, bloeien en vrucht dragen. De wateraanvoer door de Wijsheid blijkt onstuitbaar daar de hoeveelheid alsmaar toeneemt. Gevoed door een rivier, alias wet, wordt het kanaal Dame Wijsheid zelf een rivier en uiteindelijk zelfs een zee. Dit progressieve kwartet – kanaal-waterloop-rivier-zee – symboliseert de aanzwellende werking van de Wijsheid, die door de wet (thōrā) wordt gestimuleerd.

d. Verlichtende werking van de Wijsheid in dienst van de Wet voor allen – 24:32-34

Vrouwe Wijsheid houdt maar niet op. Ten overstaan van haar genodigden had zij zichzelf al aangeprezen om ‘van haar te komen eten en te drinken’. Na deze gastronomische insteek komt zij nu met een didactische. Zij presenteert zich immers hier als een lerares. Zij is bereid om onderricht (Gr. paideia) en onderwijs (Gr. didaskalia) opnieuw te activeren.

Het onderricht wil zij doen oplichten, zoals de helderheid van het ochtendgloren en zijn licht tot op grote afstand doen schitteren (32). Zij wil het onderwijs verspreiden of doen (neer)stromen zoals de profeten dat deden met JHWH’s woorden, die voor hun hoorders waren bestemd (zie bijvoorbeeld Amos 7:16; Micha 2:11).

Houdt men rekening met het voorgaande (3-31), dan is het meer dan plausibel dat het hier gaat om het onderricht en het onderwijs van de wet oftewel thōrā (d.i. leer, onderricht, onderwijs, instructie). Met ‘zien jullie’ (Gr. idete) benadrukt Sirach tegenover zijn lezers en mogelijk ook zijn leerlingen, dat hij als auteur zelf alles op alles heeft gezet om de Wijsheid te vinden. Hij deed het echter ook voor iedereen die ernaar op zoek zijn gegaan.

2. Samenvatting over Sirachs beeldvorming van de Wijsheid

a. Meteen bij de aanvang van zijn geschrift (1:1-10) stelt de auteur dat de Heer (d.i. JHWH) de Wijsheid heeft geschapen en wel vóór alle dingen. Zij komt van hem, is voor altijd (d.i. eeuwig) bij hem, hij heeft haar berekenden uitgestort over zijn hele schepping. Dit tekstgedeelte en Spreuken 8 tonen met betrekking tot de Wijsheid grote overeenkomsten;

b. Het eerste deel van Sirach 24 (24:1-22) bevat een lofzang, die de gepersonifieerde Wijsheid aan zichzelf wijdt. Deze vrouw heeft het over haar oorsprong, bestemming en rol voor het geëerde volk Israël. Zij gebruikt twaalf vergelijkingen met o.a. bomen, een struik, kruiden en met als twaalfde een vruchtbare wijnstok (als metafoor voor Israël). Wijsheid speelt die beeldende en indrukmakende rollen in de door de Heer aan haar toegewezen Israël en Jeruzalem. Voor bereidwilligen treedt zij op als gastvrouw om (metaforisch) ‘van haar te eten en te drinken’ en als leerkracht om haar te gehoorzamen en met haar samen te werken.

c. Deel twee (24:23-34) stelt dat al wat de Wijsheid betreft (in 3-22) besloten ligt of voortvloeit uit de bedoeling van de wet (Gr. nomos; Hebr. thōrā). Sirach denkt hier aan de wet, die Mozes heeft bevolen en die geldt als erfgoed voor Jakobs synagogen (24:23). Zij behoren immers tot de door de Heer aan de Wijsheid toegewezen vaste woonplaats te midden van Israël.

d. De verteller-dichter maakt met behulp van nog meer vergelijkingen duidelijk dat het de Wet (thōrā) is die Vrouwe Wijsheid(als het de tijd ervoor is) aanzet om een onmetelijk (inhoudelijk) debiet te produceren. De bedoeling ervan is om de omvang van haar denken (ruimer als de zee) te leren kennen en de diepgang van haar doel (dieper dan de oeroceaan) te helpen doorgronden. Sirach maakt er de kanttekening bij dat dit laatste niet volledig zal kunnen lukken (24:25-29).

3. Gevolgtrekkingen over de positie van de Wijsheid

Het geschrift Sirach heeft een didactische insteek waarbij de verteller-dichter de Wijsheid als zijn hoofdthema presenteert met als kernpunten:

a. Wijsheid en de Heer horen wezenlijk bij elkaar (1:1-10);

b. Zij komt voort uit God, die haar Israël en Jeruzalem als bestemming heeft gegeven om dáár tot zegen voor het volk te zijn (24:1-12);

c. Wijsheid ontpopt zich als gastvrouw én leerkracht (24:13-22);

d. Zij ontspruit uit de Wet (thōrā), die haar aanzet om haar denken te delen en haar doel te doen begrijpen (25-29);

e. Gevoed en aangestuurd door de Wet zorgt Wijsheid voor een onvoorstelbare vruchtbaarheid, een stralend en wijdverspreid onderricht en een profetisch onderwijs in de wet;

f. Sirach maakt gebruik van vier kernbegrippen of sleutelwoorden, die door hun veelvuldige aanwezigheid de lezers of hoorders tijdens het lezen van het geschrift in hun denken sturen.  Men zou ze gidswoorden (des mots guides, Leitwörter) kunnen noemen:

  • de Heer (m.i.v. God) ruim 228x
  • volk (inclusief Jakob) 72x
  • Wijsheid ruim 58x
  • Wet (inclusief de geboden) 47x

    Zij komen vaak in elkaars gezelschap voor. Hun onderlinge relaties maken veel duidelijk over waar het bij de Wijsheid omgaat. Wat elk van hen afzonderlijk precies vertegenwoordigt, valt niet altijd nauw te definiëren. Heeft Sirach het over een of ander woord of begrip – zoals hier de Wijsheid betreft – dan kan dat ook te maken hebben met een ander woord of begrip (zoals God, wet en volk). Elk daarvan kan ook samengaan met andere woorden of begrippen. Soms overlappen zij elkaar gedeeltelijk. Voorbeelden: wijsheid en vrees (voor de Heer); wijsheid en wet / geboden en wijsheid en vrees en wet.

    Onderstaand venndiagram probeert de onderlinge verweven samenhang tussen deze vier woorden en begrippen (uit de Hebreeuwse of Griekse Bijbel) inzichtelijk te maken.

    4.   Tweede vaststelling over Sirachs beeldvorming van de Wijsheid      

    Qua beeldvorming van de gepersonifieerde Wijsheid blijken Spreuken 8 (zie deel 13) en Sirach 1:1-10 een aantal essentiële kenmerken gemeenschappelijk te hebben. De Wijsheid, die zichzelf in Sirach 24 (1-22) prijst, sluit daar bij aan en verrijkt die beeldvorming.

    Plotseling, in Sirach 24:23, brengt de verteller-dichter aan het licht waar die verpersoonlijkte Wijsheid eigenlijk voor staat. Zij blijkt het verbondsboek of kortweg de Wet uit te beelden, die God een plaats en een rol temidden van het volk toewijst. Het vormt de kern van zijn boodschap. Hier wordt helder dat de Wet onlosmakelijke verbonden is met de Wijsheid én het Woord (van God)

    De Wijsheid krijgt in Sirach de eer om te worden vergeleken met en uitgebeeld door een rits gevarieerde metaforen (24:24-34). Een voor een passeren zij de revue: water in allerlei vormen (machtige stromen en bekende rivieren): zee en oeroceaan; kanaal en waterloop (die boomgaard en moestuin bevloeien) en erfgoed. Ook het licht als het stralen (van de dageraad en in de verte) en het neerstromen (van woorden) van de profetie. Deze resem sluit aan bij de eerdere rij van metaforen (in 24:3-22): bron, troon, vlees, mond (van God), wortel, tent, Jakob, rustplaats, erfdeel, deel (van de Heer), bomen, rozenstruiken, parfums, wijnstok, voedsel en drank. Alle vormen zij als het ware een krachtige, kleurrijke en prachtige caleidoscoop, waarin de talrijke eigenschappen Vrouwe Wijsheid plaats hebben.

    Concrete gegevens in het aanwezig geografische en pedagogisch-didactische kader maken duidelijk dat de onderling verbonden trits wijsheid-wet-woord een onontbeerlijke rol speelt in de relatie tussen God en zijn volk. Niet uitsluitend voor Israël, want de Wijsheid begeeft zich ook onder de mensen (1:10). Bovendien leerde de eerste mens haar al kennen (24:28) en is zij er voor iedereen die haar zoeken (24:34)

    5.   Het Woord in de proloog van Johannes als een echo van de Wijsheid in Jezus Sirach

    Op een aantal punten hebben de gegevens over de Wijsheid in Sirach een weerklank  gevonden in Johannes 1:1-18 (zie: Deel 13 – Het Woord als echo van de proloog 1). De manier waarop Johannes zijn proloog verwoordt, maakt dat huidige lezers de indruk kunnen krijgen dat hij hiermee het geheugen van zijn synagogale lezers activeert, zodat zij terugkoppelen naar Sirachs beeldvorming van de Wijsheid . Aan de lezer van deze bijdrage om die achterwaartse (of retrograde) bewegingen van de proloog naar Sirach in de Griekse Bijbel op hun merites te beoordelen.

                Ter afronding

                Deel 12 van de serie bijdragen over de proloog van Johannes maakt een aanvang om zijn (allesbehalve makkelijk) slotakkoord in 1:18 te analyseren. De aangehaalde tekstverwijzingen uit de Hebreeuwse en Griekse Bijbel leren dat God alleen via indirecte manieren waarneembaar is. Het werkelijke zien van JHWH God blijkt volgens de thora onmogelijk. De schrijver Sirach stelt in zijn Wijsheid 43:31 de relevante retorische vraag: ‘Wie heeft hem (de Heer) gezien (oraō) dat hij hem naar waarheid zou kunnen beschrijven (ekdiēigēisetai).?’ Hoe moesten Johannes ‘synagogale’ lezers het ‘doen kennen van God’ (in 1:18d) dan hebben begrepen? En wat konden zij opmaken uit die onduidelijke woordgroep monogenēs theos of monogenēs huios in 18b? En hoe zouden zij zich het ‘aan de borst van de Vader zijn’ hebben kunnen voorstellen?

                Het slotakkoord van de proloog in 1:18 blijft dus voor de huidige lezer een struikelblok. Mogelijk vormt de informatie, waarvan kennis werd opgedaan op grond van de teksten uit Spreuken en Sirach een vruchtbaar uitgangspunt. Temeer omdat de Wijsheid net als het Woord in allerlei opzichten onlosmakelijk verbonden blijkt met de Heer / God. Is het dan niet legitiem de vraag te stellen of zij inwisselbaar zijn?

                Wordt vervolgd: De proloog – deel 16: Zijn het Woord en de Wijsheid inwisselbaar?