4.3.14 De proloog deel 13 – Het Woord als echo van de Wijsheid 1
Inleiding
In het Oude Midden Oosten stond ‘wijsheid’ bijzonder hoog aangeschreven. In het Oude Israël was dat niet zozeer vanwege kennis, ervaring en gezond verstand, maar hoofdzakelijk door inzicht, onderscheidingsvermogen en ethiek. Deze wijsheid bevordert een wijs en vroom leven. Het bijbelboek Spreuken focust op het ontzag voor JHWH (of vreze des Heren – NBG). Dit is niet los te zien van het houden van zijn geboden en het in de praktijk brengen van zijn thora. De inleiding ervan (1:2-6) maakt duidelijk dat het in essentie gaat om nuchtere en praktische leefregels.
In de eerste hoofdstukken laat Wijsheid van zich horen als een vrouw: ‘de wijsheid (Hebr. chokhmā / Gr. sofia) roept luid op de straat, op de pleinen verheft zij haar stem’ (1:20). Hoorders (of lezers) spoort zij aan om haar te verwerven en haar zeker niet links te laten liggen (4:5,7,11; 5:1; 7:4). Deze vrouw doet dat met reden. Immers wie haar zoekt, krijgt wijsheid van JHWH, want uit diens mond komen kennis en verstand (2:6). Zelfs méér dan dat, want door middel van wijsheid heeft hij de aarde gegrondvest, en door verstand (Heb. tevūna / Gr. fronēsis) de hemelen vastgezet(Heb. kūn) of klaargemaakt (Gr. etoimatzō) (3:19). Op deze indrukwekkende stelling laat de verteller-dichter de dame wijsheid in 8:21-29 terugkomen, waar zij deze bekrachtigt en concretiseert. Fier heeft zij het over haar deelname aan JHWH’s zijde tijdens zijn schepping van hemel en aarde (8:22-31).
Bij de synagogale lezers van Johannes’ proloog kan vanwege genoemde Spreukenteksten over de Wijsheid en de schepping een gevoel van déjà-lu (d.i. al gelezen) zijn opgetreden. Deze tonen immers enkele overeenkomsten met het Woord en de schepping in Johannes. Voldoende reden dus om aan het gedeelte in Spreuken 8 (22-31) extra aandacht te besteden en eventueel te achterhalen of er inderdaad van een associatieve werking sprake is.
- De Wijsheid en de schepping – Spreuken 8:22-31
Rondt hoofdstuk 7 in Spreuken af met waarschuwingen over de vreemde (of de niet eigen) vrouw, dan zet hoofdstuk 8 in met een ode aan de ‘wijsheid’ van JHWH. Deze wijsheid wordt door een wijze vrouw belichaamd en met menselijke eigenschappen ten tonele opgevoerd. Het gaat dan om een gepersonifieerde of verpersoonlijkte wijsheid en beslist niet om een aparte persoon of een zelfstandig wezen. In deze bijdrage krijgt zij een hoofdletter (d.i. Wijsheid) ter onderscheiding van het gangbare naamwoord wijsheid.
a. Aanloop (8:1-21) en afronding (8:30-35)
De verteller-dichter begint hoofdstuk 8 met het prijzen van de Wijsheid (8:1-21). Zij roept immers luid, zodat iedereen haar kan horen (1-3). Vermanend benadrukt zij kostbaarder dan rijkdom te zijn. Zij beschikt immers over behoedzaamheid en vindt kennis via overpeinzingen (8:11-12). Volgens haar blijkt die kennis uit het respect (vreze) voor JHWH, omdat dit het begin van kennis is (1:7).
Nadat Wijsheid haar relatie met JHWH’s schepping heeft belicht (8:22-31), mag zij van de dichter-verteller haar vermanende toon opnieuw aanheffen. Tot drie keer toe dringt Wijsheid bij haar hoorders erop aan naar haar te luisteren (sjāma – 32,33,34). Welzalig wie dit dagelijks (jōm jōm) doet (34). Immers diegene die de Wijsheid vindt, vindt het leven, omdat JHWH een welgevallen aan haar heeft gekregen (35). Voor wie dit niet doet, ligt de dood in het verschiet (36).
b. Wijsheid over JHWH en zijn schepping – Spreuken 8:22-31
In deze paragraaf komt Wijsheid met een ontboezeming in vier alinea’s 22-23 // 30-31 en 24-26 // 27-29. In de eerste heeft zij het in de ik-vorm over haar relatie met JHWH en zijn schepping (8:22-23) en doet dat nog een keer in de laatste alinea (30-31). De twee middelste alinea’s handelen over haar eigen plaats vóór (24-26) en tijdens (27-29) de schepping van de wereld en tevens over het soort scheppingswerken dat JHWH uitvoerde.
Eerste alinea (22-23): ik, Wijsheid was er van vóór het begin

Vrouwe Wijsheid vertelt over haar mysterieuze oorsprong, die teruggaat naar de tijd van de schepping van de wereld. De dichter-verteller gebruikt eenzelfde terminologie als de lezer aantreft in de aanhef van het scheppingsverhaal (Genesis 1:1-2:4a):
- 1:1 – in het begin’ (Heb. ber’ēsjīt; Gr. en archē) schiep God …’;
- 8:22a – ‘het begin’ (Heb. r’ēsjīt; Gr. archē);
- 8:23a – ‘van (in) het begin’ (Heb. ber’ōsj [synoniem van r’ēsjīt]; Gr. en archē).
In niet mis te verstane woorden zegt de dame Wijsheid twee keer dat zij er al was van vóór de schepping en dus … van vóór dat allereerste begin. Toen al had JHWH haar ‘voortgebracht’, ‘verworven’ of ‘geschapen’ (Heb. qānā; Gr. ktizō). Meteen preciseert Wijsheid dit met: ‘als het begin (Heb. r’ēsjīt; Gr. archē) van diens (d.i. JHWH’s) wegen’ (22a). Ook verduidelijkt zij in het tweede halfvers dat dit gebeurde van vóór JHWH aan de slag ging met die (scheppings)werken (22b).
Toen al – ‘van eeuwigheid aan’ (Heb. mē`ōlam of ‘voor de tijd’ (Gr. pro tou aiōnos) – had JHWH haar ‘geïnstalleerd’ (Hebr. nāsag) of ‘stevig vastgezet’ (Gr. themelioō). Of ‘aangesteld’ naar analogie van Psalm 2:6 waar JHWH zijn koning op Sion een plaats heeft gegeven. Het is echt niet eenvoudig om voor deze Hebreeuwse constructie (min plus ‘ōlām of voorzetsel plus naamwoord) een equivalente woordgroep voor te stellen: vanaf de oertijd of vanaf de vóórtijd? Eventueel zou men kunnen parafraseren met ‘van vóór de huidige tijd’ of ‘van vóór de tegenwoordige wereld’. Het tweede vershelft (8:23b) verduidelijkt het eerste halfvers (23a) met ‘van vóór het begin’ en specificeert met ‘van vóór de aarde er was’. De Griekse Bijbel vertaalt: ‘van vóór de tijd begon, voordat hij de aarde maakte’.
Wijsheid komt kortom met een glasheldere verklaring: zij was er al vóór het allereerste begin. En dus … vooraleer God begon met het scheppen van de hemel en de aarde (Genesis 1:1), voor het met zijn adem kinetisch beroeren van de oervloed of oeroceaan (tehōm – 1:2) en voor het doen inbreken van het licht in de duisternis (1:3).
Tweede alinea (8:24-26): ik, Wijsheid ben geboren toen er nog geen … waren

In deze tweede alinea getuigt de Wijsheid twee keer (24a en 25b) en dus met veel nadruk: ‘ik ben geboren’ (Heb. jādāh) of gemaakt (Gr. poieō)! Drie dubbele aanduidingen (24a en b; 25a en b; 26a en b) accentueren het temporele kader, waarin dit gebeurt. Op de aarde was er toen nog geen sprake van oceaan, bronnen, bergen, heuvelen, land en velden of kluiten van de aardbodem. Het heeft er dus veel van weg dat de Wijsheid en de verteller-dichter het er bij de hoorders willen inhameren of instampen. Er mag absoluut niet aan getwijfeld worden dat Wijsheid er al voor dit alles was: punt!
- ‘toen er nog geen waren’ (24a) // ‘toen er nog geen waren’ (24b)
- ‘vóóraleer er waren’ (25a) // ‘vóór (er waren)’ (25b)
- ‘toen hij nog niet had gemaakt’ (26a) // ‘noch een begin van’ (26b).
De opsomming van JHWH’s werken, die er nog niet waren, door de Wijsheid – terwijl zij er zelf al wel was – komt overeen met de Gods werken in het scheppingsverhaal (Genesis 1:6-12). Op de tweede dag had God de wateren van de wateren van daarboven (in de hemel oftewel de wolken) gescheiden van de wateren daarbeneden (op de aarde oftewel de oceanen). Op de derde dag bracht hij alle wateren van beneden samen zodat de droge aarde tevoorschijn kwam. Bergen, heuvels, land, velden en de kluiten van de aardbodem kregen daarop een plaats .
Derde alinea (8:27-29): ik Wijsheid was erbij toen hemel, oceaan en zeeën ontstonden

De Wijsheid claimt nóg meer. Zij pretendeert immers zelfs aanwezig te zijn geweest, toen JHWH met die schepping bezig was. Heel uitgesproken doet zij dat met voorop (in het Hebreeuws) een bijwoord van plaats: dáár … was ik (bij) terwijl JHWH achtereenvolgens zorgde voor:
- het bereiden van de hemel(en) en het omringen van de oceaan (27a,b)
- het consolideren van ‘de wolken daarboven’ (dat Buber vertaalt met ‘het luchtruim’) en het doen opwellen van de dieptebronnen van de oceaan (28a,b)
- het afperken van de zee, het afremmen van de wateren en het vastzetten van de fundamenten van de aarde (29a,b,c).
Deze inventaris van de Wijsheid komt ook overeen met wat er op die tweede en derde dag in het scheppingsverhaal een plaats kreeg (Genesis 1:6-12). Zij completeert gewoon de gegevens met betrekking tot daarboven (hemelen, wolken) en daarbeneden (oceaan, dieptebronnen, de ruimte die de zeeën in beslag mogen nemen en de door fundamenten gestutte droge aarde). Bij dit alles was de Wijsheid gewoonweg tegenwoordig.
Vierde alinea (30-31): ik, Wijsheid was dolblij aan JHWH’s zijde

De Wijsheid blijkt er maar niet genoeg van te krijgen. Zij blijft het over zichzelf hebben en zij stelt dat zij voor JHWH een ’āmōn was. Slechts één keer komt dit Hebreeuwse woord voor in de Bijbel en daarom is het maar de vraag hoe het moet worden vertaald. Het NBG heeft ‘troetelkind, Luther kiest voor ‘lieveling’ en Martin Buber gaat voor ‘pleegkind’. Andere vertalingen hebben ‘kunstenares’ (LEI), ‘werkmeesteres’ (LUV), ‘bouwmeester’ (FBJ, TOB), ‘vakman’ (NIV), ‘meester vakman’ (RSV, NRS). De Griekse lezing heeft armozomai: ‘ik paste me aan hem aan’ (zoals iemand die ten huwelijk is gegeven).
Na haar relaas over haar aanwezigheid voor het bestaan van de aarde (22-23) en voor (24-26) en tijdens (27-29) JHWH’s scheppingswerken (24-26 // 27-29) zegt zij dat zij dichtbij, naast of aan de zijde van JHWH was:
- ‘ik was bij (’ētsèl) hem’ (30a);
- ‘mij voor het aangezicht (pānīm) van hem’ (30c);
- ‘mij vermakend op zijn aarde’ (31a).
Dit laatste doet zij niet zomaar een klein beetje. Met drie onvoltooide deelwoorden en een infinitief verwoordt zij haar grote vreugde en genot. Het betreft een permanent gebeuren, dat zij concretiseert met dag aan dag (jōm jōm) en heel de tijd(Heb. bechol-et; Gr. en panti kairōi). Plezier en genot hebben een grote reikwijdte. Zij blijven doorwerken tot in de (mensen- of bewoonde) wereld op JHWH’s aarde (Heb. ’éréts; Gr. oikoumenē) en onder de mensen (Heb. benēj ādām; Gr. huois anthropōn)!
Of de lezer voor de vertaling van ’āmōn een voorkeur heeft voor ‘het kind’, ‘de vakman’ of ‘de bruid’, het gaat bij alle drie hoe dan ook om een hechte relatie tussen de Wijsheid en JHWH. Die connectie suggereert een sterke wederzijdse band tussen hen beiden.
2. Geen schepping zonder de Wijsheid– Spreuken 3:19 en 8:22-31
De boekrol Spreuken maakt met deze ‘ode aan de Wijsheid’ duidelijk dat de verpersoonlijkte Wijsheid integraal betrokken was bij de schepping van hemel en aarde:
- JHWH had de Wijsheid al vóór het allereerste begin geschapen, zelfs vóór de schepping van hemel en aarde (Genesis 1:1-5). Zij vertelt dat zij in die voortijd werd geïnstalleerd;
- Wijsheid benadrukt dat zij er al was (i.e. geboren) toen er nog geen sprake was van Gods werken op de tweede en derde dag;
- zij claimt dat zij daar bij was toen JHWH die werken uitvoerde (Genesis 1:6-11);
- haar relatie met en bij JHWH kwalificeert vrouwe Wijsheid als hecht, ononderbroken en intens vreugdevol. Die vreugde blijkt zij zelfs onder de mensen op Gods aarde te beleven.
Niet onbelangrijk is dat zij afrondt met de vermaning om écht naar haar, de Wijsheid, te luisteren. Als haar hoorders daar gevolg aangeven, dan verleent dat hun immers toegang tot kennis, verstand, inzicht, waarheid en … bovenal tot het leven (8:35-36).
3. Het woord in Johannes’ proloog vormt een echo van de Wijsheid in Spreuken 3:19 en 8:22-36
Synagogale lezers van Johannes’ proloog zullen hoogstwaarschijnlijk een déjà-lu hebben ervaren. De Spreukenteksten 3:19 en 8:22-31 waren immers bij hen bekend. Bijgevolg konden woord(groep)en in de proloog hen ernaar doen terugkoppelen. Letterlijke en / of inhoudelijke overeenkomsten, zoals uit onderstaande gegevens blijkt, kunnen hen beslist niet zijn ontgaan.






4. Voorlopige vaststelling
De synagogale lezers van Johannes ervaren een vorm van aha-erlebnis. Terwijl zij zijn proloog lezen of horen voorlezen, herkent hun geactiveerde geheugen zijn uitspraken. Het kost hen überhaupt geen moeite om het Woord, waar de verteller het over heeft, te associëren met de voor hen vertrouwde Wijsheid. Dit maakt dat zij dit voor hen nieuwe ‘Woord’ ermee in verband brengen, waardoor beide op één lijn terecht komen. Zij kunnen bijgevolg concluderen:
- dat de Wijsheid en het Woord er al van voor het begin van alle dingen waren;
- dat beide toen bij God waren;
- en dat dit al van het begin zó was;
- dat Wijsheid en Woord betrokken waren bij zijn schepping van hemel en aarde;
- dat beide een sterke band met God hadden;
- en tenslotte, dat Wijsheid en Woord zich op de aarde onder de mensen begaven.
Het feit dat de boekrol Spreuken de Wijsheid consequent als een gepersonifieerde vrouw presenteert, betekent dat het niet om een letterlijk zelfstandig wezen gaat. De gelijkschakeling tussen het Woord en de Wijsheid, pleit er bijgevolg voor om het vleesgeworden Woord in Johannes’ proloog in eerste instantie niet als een persoon te verstaan. Verdere aandacht voor de onderlinge relatie tussen de Wijsheid en het Woord in de volgende bijdrage kan hierover mogelijk meer licht verschaffen.
Wordt vervolgd: De proloog – deel 15: Het Woord als echo van de Wijsheid 2
