4-Griekse testament4.3-VerdiepenJohannes

4.3.13 De proloog deel 12 – God is nooit door iemand gezien

1 Johannes 1:18a

Inleiding

De getuige Johannes heeft publiekelijk geroepen (1:15ab) en hij eindigt met een orgelpunt: ‘de thora is door Mozes gegeven en de goedheid en de trouw door Jezus (Jozua) Christus (Messias) is geworden’. Hierna neemt de verteller de draad van zijn betoog weer op en rondt zijn proloog af met 1:18. Dit is een algemeen bekend moeilijk vers. De huidige bijbellezer riskeert dan ook om niet aan de verleiding te weerstaan het te willen begrijpen op grond van de christelijke dogmatiek in plaats van het verhaal van Johannes zelf te spellen.

In de serie bijdragen over de proloog van Johannes op deze website is er – zoals al enkele keren aangehaald – voor gekozen om de theologie van de kerken buiten beschouwing te laten. Het gaat er nog steeds om de tekst in eerste instantie te lezen en te begrijpen op basis van louter de bijbelteksten die Johannes zelf kende: de Hebreeuwse Bijbel (MT) en de Griekse Bijbel, die een vertaling van eerstgenoemde is en Septuaginta (LXX) wordt genoemd. In een latere fase zal er moeten worden gekeken in hoeverre toenmalige joodse geschriften kunnen bijdragen aan een (eventueel) beter begrijpen ervan.

  1. Bijbelvertalingen van Johannes 1:18

Hieronder volgen een aantal heel bekende bijbelvertalingen in de Nederlandse taal. Naast overeenkomsten vallen er uiteraard ook verschillen op. De belangrijke vraag is in hoeverre zij huidige bijbellezers dichter bij de Griekse brontekst van de proloog brengen, waarmee de verteller Johannes zijn synagogale lezers heeft willen aanspreken.

  • De Griekse tekst van Johannes 1:18 

In beide universeel erkende wetenschappelijke uitgaven van Wescott and Hort en van Nestle and Aland van het Nieuwe Testament (Novum Testamentum Graece) staat deze volzin hieronder gemakshalve opgesplitst in vier enkelvoudige zinnen (a, b, c en d) met een transcriptie en een in het Nederlands woord-voor-woord vertaling.

  1. tekstuele constateringen

De geciteerde bijbelvertalingen wijken op een aantal punten af van de Griekse brontekst. Daarin ontbreekt duidelijk het naamwoord met het bepalend lidwoord ‘de zoon’ (Gr. ho huios). De twee NBV-uitgaven (2004 en 2021) verschillen nog sterker van de Griekse tekst. Zij laten immers aan die zoon het tegenstellend voegwoord ‘maar’ voorafgaan. Bovendien veroorloven zij zich door deze in de Griekse tekst afwezige zoon te specificeren door er ‘zelf God’ (2004) en ‘die zelf God is’ (2021) aan toe te voegen. De Naardense Bijbelvertaling (NB 2004 en 2014) is de enige die trouw blijft aan de Griekse tekst. Conform plaatst zij immers het grammaticaal lijdende voorwerp ‘God’ (theon) aan het begin van de zin. Daardoor valt alle nadruk op ‘God’ en dit stemt bijgevolg overeen met wat de verteller al eerder had gedaan in 1:1c: ‘God is het woord’.

  • verklarende toelichtingen

Het verschil tussen de weergaven ‘de eniggeboren God’ (NB 2014) en ‘de eniggeboren Zoon’ (alle andere genoemde Nederlandse Bijbelvertalingen) heeft te maken met een voorkeur voor de ene of voor de andere groep manuscripten, die aan de basis liggen van de Griekse Johannestekst:

  • Zo is er de lezing met monogenēs theos / een eniggeboren God die voorkomt in twee papyrussen, die in Egypte zijn gevonden en ook nog in twee codices:
  • Papyrus 66 met een bijna complete codex van het Johannesevangelie. Hij wordt gedateerd in de periode 100-150 g.j. of circa 200 g.j. Recente analyses hebben aan het licht gebracht dat deze Griekse tekst sporen vertonen van correctioneel en redactioneel werk
  • Papyrus 75 (in een tijdspanne tussen 175-225 g.j.) bevat delen van het Lucasevangelie en het Johannesevangelie
  • Codex Sinaïticus (ca. 330-360 g.j.) die gevonden is in het Katharinaklooster in de Sinaïwoestijn. Hij is het oudste volledige exemplaar van het Nieuwe Testament
  • Codex Vaticanus (ca. 325-350 g.j.) die over het merendeel van nieuwtestamentische boeken beschikt. De tijd van ontstaan kan niet met zekerheid worden bepaald en ook niet waar deze is gevonden.
  • Een andere lezing heeft monogenēs huios / een eniggeboren zoon die men eerst vanaf de 5e eeuw g.j. aantreft in o.a.:
  • Codex Alexandrinus uit de 5e eeuw g.j. met bijna de volledige Septuagint en het hele Nieuwe Testament
  • Codex Cyprius (9e eeuw g.j.) bevat de teksten van de vier Evangeliën
  • Stephanus Tekst (16e eeuw g.j.) van de Franse drukker Robert Estienne die zich baseerde op de tekst van de Textus Receptus
  • verder nog in de Latijnse en Syrische versies.
  • Inventarisatie

De Editorial Committee of the United Bible Societies Greek Testament wijst erop dat de manuscripten p66 en p75 de eerste (hoewel moeilijkere) lezing monogenēs theos meer gewicht geven en beter ondersteunen. Toch laat men deze – hoewel gebaseerd op de vroegere manuscripten – vaak links liggen om theologische redenen ten gunste van de tweede lezing (de makkelijkere) met monogenēs huios. Zij zijn mogelijk het gevolg van een assimilatie met een latere tekst in Johannes 3:16 en 18.

Het ligt echt niet voor de hand dat de lezing monogenēs theos – meestal opgevat als een eniggeboren God – de meest oorspronkelijke is. Nergens in de Hebreeuwse (MT) en Griekse Bijbel (LXX) treft men immers de idee aan dat God op de een of andere manier zou zijn ontstaan of zijn geboren. Desondanks blijft de vraag of ‘een eniggeboren God’ wel een correcte weergave is van dit monogenēs theos. Misschien zou er een andere, meer plausibele vertaling te overwegen zijn, zoals bijvoorbeeld ‘een unieke God’ of beter nog ‘een eigensoortige God’? Later meer daarover.

Hoe dan ook, de NBV-vertalingen (2004 en 2021) gaan wel héél erg vrij om met de Griekse brontekst en lijken nauwelijks te verrechtvaardigen. Haar toevoegingen wekken de indruk te fungeren als een soort verklarend commentaar met de bedoeling de twee lezingen ‘eniggeboren God’ en ‘eniggeboren zoon’ te doen harmoniëren. Christologische overwegingen met betrekking tot ‘de zoon’ zouden  daarbij ook een rol kunnen hebben gespeeld. Op die manier wordt de zoon de ontologische status van goddelijkheid toegekend, terwijl zoals eerder opgemerkt, het woord ‘zoon’ geheel en al in de Griekse tekst ontbreekt.

Hoe verder?

Gezien genoemde onduidelijkheden vanwege deze tweede enkelvoudige zin (18b) lijkt het wijs eerst aandacht te besteden aan de andere enkelvoudige zinnen 18a, c en d. Later kan monogenēs theos 18b weer in de discussie worden betrokken.

  • God is nooit door iemand gezien – Johannes 1:18a

Het wel of niet kunnen ‘zien van God’ vertegenwoordigt een allesbehalve eenvoudig thema in de Hebreeuwse en Griekse Bijbel. Met betrekking tot dit (on)mogelijke zien van Israëls God kunnen wel enkele verschillende verschijningsvormen worden vastgesteld.

a. JHWH’s aangezicht absoluut niet (kunnen) zien

De verteller Johannes stelt in 1:18a dat niemand God ooit heeft kunnen zien (oraō). Deze bewering harmonieert volledig met wat JHWH tegen Mozes zegt. Hij gebruikt daarbij wel vijf keer het werkwoord ‘zien’ (Hebreeuws rā’āh)/ In het Grieks 1x tonen (deiknumi) en 4x zien (oraō).

Terwijl Mozes aan JHWH vraagt om zijn kāvōd / belangrijkheid, eer of glorie te mogen ‘zien’ (‘tonen’ in LXX), antwoordt deze dat hij aan hem zijn tōv / goedheid – dat NBG ten onrechte door ‘luister’ vertaalt – zal laten voorbijgaan (19). Dit ‘voorbijgaan’ gebruikt JHWH drie keer, waarbij zijn ‘goedheid’ (18) en zijn ‘belangrijkheid’ (22a) inwisselbaar blijken te zijn. Zij fungeren zelfs als synoniemen voor hemzelf: ‘totdat ik ben voorbijgaan’ (22c). De kwintessens, of waar het JHWH’s uitspraak in wezen om gaat, is dat Mozes zijn aangezicht niet zal kunnen zien, maar dat wel van achteren zal mogen.

b. God zien van aangezicht tot aangezicht

Uit de volgende twee teksten kan worden afgeleid dat er mensen zijn geweest, die God wel op een of andere wijze hebben gezien.

  • Genesis 32:30 – ‘En Jakob noemde de plaats Pniël, want (zei hij): ‘ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht en mijn leven is behouden gebleven’ (NBG)/ ‘en er het levend vanaf gebracht’ (LEI). Mogelijk vonden de LXX-vertalers ‘het zien van God’ té concreet of lichamelijk en kozen zij voor: ‘ik heb een verschijning (eidos) van God gezien’. Jakobs vaststelling harmonieert dus met JHWH’s bewering tegenover Mozes: ‘want geen mens zal mij zien en leven’ (Exodus 33:20b). Desondanks heeft hij wel ‘van aangezicht tot aangezicht’ met JHWH kunnen spreken (Exodus 33:11), zodat hij hem ‘heeft gekend’ (jādāh). Dit werkwoord veronderstelt een grondige intieme relatie (Deuteronomium 34:10).
  • Exodus 24:10-11 – ‘En zij zagen (rā’āh) de God van Israël en het was alsof onder zijn voeten een plaveisel lag van lazuur, als de hemel zelf in klaarheid. Maar tot de vooraanstaanden van de Israëlieten strekte hij zijn hand niet uit; zij aanschouwden (chāzāh) God en zij aten en dronken’.

Opnieuw meenden de vertalers van de LXX dit ‘zien van God’ en het ‘aanschouwen van God’ te moeten vermijden. Zij vervingen het door ‘zij zagen de plaats (topos)waar God stond’ … En van de uitverkorenen van Israël ontbrak er niet één, en zij verschenen op de plaats (topos)van God en zij aten en dronken.

Niet onbelangrijk is enerzijds het feit dat het in beide teksten niet om JHWH gaat, maar om God en anderzijds dat zijn present zijn dáár absoluut niet fysisch wordt beschreven.

c.  JHWH / God is verschenen

In de Hebreeuwse en Griekse Bijbel zijn er teksten, die aangeven dat God / JHWH aan mensen ‘verscheen’. Letterlijk staat er dan in het Hebreeuws wajjērā’ / ‘en hij liet zich zien’. Dit gebeurt in de boekrollen, die deel uitmaken van de Enneateuch (nl. Genesis tot en met Koningen). Dergelijke ervaringen vallen ten deel aan Abram, Jakob, het hele volk, Mozes en Aäron, Samuël en Salomo. Het gebeurt niet alleen ’s nachts maar ook overdag. Eén keer verschijnt hij zelfs heel concreet op een mensvormige of antropomorfe wijze gebeurt. Ook is de situatie heel wanneer JHWH een bezoek brengt aan Abraham en bij hem blijft eten (Genesis 18).

d. JHWH laat zich op een of andere manier aan mensen zien

In een aantal gevallen laat JHWH zich in een gezicht zien of wordt er van hem een uiterlijke verschijning of een gestalte gezien.

  • ‘Toen zei hij: Hoort nu mijn woorden. Indien onder u een profeet is, dan maak ik, JHWH, mij in een gezicht (Heb. marè / Gr. horoma) aan hem bekend, in een droom spreek ik met hem. Niet aldus met mijn knecht Mozes, vertrouwd als hij is in geheel mijn huis. Van mond tot mond spreek ik met hem, duidelijk / helder en niet in raadselen, maar hij aanschouwt (nābath) de gestalte (temūnāh)  van JHWH’ (Numeri 12:6-8). De Hebreeuwse woorden marè en temūnāh verwijzen hier respectievelijk naar een uiterlijke verschijning of naar een vorm of gelijkenis.
  • ‘Toen sprak JHWH tot jullie uit het midden van het vuur; een geluid van woorden hoorden jullie, maar een gestalte, vorm, gelijkenis, gedaante (temūnāh) namen jullie niet waar, er was alleen een stem’ (Deuteronomium 4:12). JHWH’s aanwezigheid wordt hier auditief waargenomen, maar niet visueel in de vorm van een verschijning of een gestalte.

Partiële balans

De aangehaalde tekstverwijzingen uit de Hebreeuwse en Griekse Bijbel leren dat God alleen via indirecte manieren waarneembaar was. Het werkelijke zien van JHWH God blijkt volgens de thora een onmogelijkheid te zijn. Wat bedoelt Johannes in 1:18a dan met dit absolute oudeis pōpote oraō / ‘niemand heeft ooit gezien’ – dat in de LXX altijd ontkennend fungeert – terwijl God op de berg Sinai wél werd gezien (Exodus 24:10-11)? Heeft hij het over God die wezenlijk noch letterlijk kan worden gezien? Dat zou o.a. kunnen worden afgeleid op grond van De Wijsheid van Jezus Sirach 43:31 in de Griekse Bijbel. De schrijver stelt daar de pertinente retorische vraag: ‘Wie heeft hem (de Heer) gezien (oraō) dat hij hem naar waarheid zou kunnen beschrijven (ekdiēigēisetai).?’

Wordt vervolgd in deel 14 –  Het Woord als echo van de Wijsheid 1