3 – Israëls zevenvoudige schuld

Amos 2:6 – 3:2

In het voorafgaande (Amos 1:2-2:5) richt JHWH’s focus zich op de zeven buurvolken van Israël. Hij klaagt hen allemaal aan. De zes eerste omdat zij gewetenloos en doelbewust de meest elementaire rechten van mensen ontkrachten. Als zevende volk verneemt Juda een gelijkaardige strafaankondiging omdat het vanwege drievoudig godsdienstig wangedrag JHWH ontrouw is. En Israël dan? Heeft Amos zijn taak erop zitten of heeft ook nog een boodschap voor dit achtste volk?  Alle teksten uit Amos, die aan bod komen, leunen zeer dicht aan bij de Hebreeuwse tekst met een soms wat minder vlotte zinsbouw tot gevolg. Andere geciteerde bijbelteksten komen uit de NBV of NBG-vertalingen.

Psychologische benadering       

Héél onverwacht is het nu de beurt aan Israël om te worden gesommeerd. Amos overvalt zijn Israëlitische toehoorders. Dit hebben zij helemaal niet en mogelijk verschieten zij van kleur. Zij gingen er hoogstwaarschijnlijk van uit dat met de genoemde zeven volken de zaak rond was. Als woordkunstenaar hield Amos zijn kaarten echter zo lang mogelijk tegen de borst. Plotseling speelt hij na die zeven volken zijn joker uit. Als JHWH’s woordvoerder zegt hij Israël de wacht aan en dit met exact zeven expliciete misdaden: vier tegen mensen en drie tegen JHWH (2:6-8). Het zijn er dus heel veel en gezien de symbolische functie van het getal zeven blijkt voor JHWH de maat vol te zijn.

Misschien vragen de lezers zich intussen af, waarom JHWH de Israëlieten juist op deze manier benadert? Waarom zegt hij niet meteen rechttoe rechtaan waar het op staat? Waarom deze omcirkelende beweging? Een beschuldigende vinger heeft mogelijk het meeste effect als iemand het het minst verwacht. JHWH wendt hier een psychologische retorische techniek toe, die diens profeet Natan bij koning David met succes had toegepast (2 Samuël 12:1-7). Eerst focust de spreker (toen Natan, hier Amos) de aandacht van de schuldige op iets wat zich in diens buitenwereld afspeelt. Daarop volgt een directe confrontatie die bij de hoorder (toen David, hier Israël) als een donderslag bij heldere hemel komt.

Via zijn profeet Amos meet JHWH Israëls zeven misdaden fors en breed uit. Hij doet dat vollediger en met veel meer verontwaardiging dan hij dat bij de buurvolken deed! Vollediger omdat JHWH die zeven misdaden nu stuk voor stuk met naam en toenaam opsomt. Verontwaardigder omdat juist dit Israël zich altijd zo sterk beroept op zijn zogenaamd harmonische relatie met zijn verbondsgod JHWH. Hoewel het zustervolk Juda er toch in niet mis te ver­stane woorden van Amos’ opdrachtgever van langs krijgt, schreien Israëls misdaden ten hemel! Juist daarom vernemen de Israëlieten, dat zij een zevenvoudige straf zullen moeten ondergaan. In de slotwoorden van Amos’ indrukwekkende boodschap blijkt glashelder, dat JHWH hen juist zó streng straft vanwege hun vermeende intieme partnerrelatie. En … omdat hij in het verleden zelf zoveel goeds voor Israël heeft gedaan.

Wie de Hebreeuwse tekst leest, merkt schrijnende woorden op. Zij roepen bij lezers met een minimumgevoel voor rechtvaardigheid emoties van ontzet­ting op. Israëls misdaden liegen er niet om. JHWH presenteert genoemde overtredingen twee aan twee. Daarom dienen ze ook paarsgewijs te worden gelezen en begrepen.

Ethische en religieuze wantoestanden

Eerste paar verwijten

Het eerste paar verwijten (2:6) betreft het verkopen van rechtschapen mensen voor geld en behoeftige mensen voor luttele bedragen. Zij worden als ‘rechtvaardigen’ omschreven. Dit woord moet niet in juridische zin worden opgevat, maar als ‘armen’ in ethische zin (zo ook in Amos 8:6). Zelfs voor de prijs van een paar sandalen! In de eerste plaats richt JHWH zijn aanklacht tot de kapitaalkrachtigen van de natie. De (chiastische) woordvolgorde maakt duidelijk dat deze kwetsbare mensen helemaal in de houdgreep van het kapitaal zitten:

à voor geld – de rechtschapene X de behoeftige – voor een paar sandalen

Mogelijk geldt deze aanklacht ook de rechters, die een rol op de achtergrond spelen. Zij knijpen immers een oogje dicht en treden niet op tegen de rijken, die hen steekpenningen toestoppen. De woordgroep ‘verkopen van mensen’ kan alleen op het verhandelen van slaven slaan. In Israël was het een oud recht, dat armen, die hun schuldeisers op den duur niet meer konden betalen, hen als (schuld)slaven moesten gaan dienen. JHWH is erg verontwaardigd, omdat die schuldeisers deze armen daartoe voor zulke onbenullige bedragen dwingen! En die hen soms doorverkopen aan niet-Israëlieten!

Dat die schuldeisers hun boekje ver te buiten gaan, blijkt uit de voorschriften van Mozes in de thora. Die leert immers dat Israëlieten niet hardvochtig tegen hun arme volksgenoten mogen optreden. Zoals in Deuteronomium 15:1-11 staat, dienen zij hen integendeel financieel te helpen.

7 Zou er in een van de steden in het land dat de HEER, uw God, u zal geven toch iemand uit uw eigen volk gebrek lijden, dan mag dat u niet koud laten. U mag uw hand niet op de zak houden, 8 maar u moet diep in de buidel tasten en hem lenen zo veel als hij nodig heeft. …

10 Geef hem dus ruimhartig en zonder spijt, en de HEER, uw God, zal u erom zegenen in alles wat u doet en onderneemt. 11 Armen zullen er altijd zijn bij u. Daarom druk ik u op het hart om vrijgevig te zijn tegenover iedereen in uw land die in armoede leeft of er slecht aan toe is.

– Deuteronomium 15:7-8, 10-11 NBV

Armen mogen hoe dan ook niet slecht worden behandeld. Met ‘armen’ worden weduwen, wezen, berooide mensen en (ook) vreemdelingen bedoeld:

21 Weduwen en wezen mag je evenmin uitbuiten.

22 Doe je dat toch en smeken zij mij om hulp,

    dan zal ik zeker naar hen luisteren:

23 ik zal in woede ontsteken en ieder van jullie doden,

    en dan zullen jullie eigen vrouwen weduwe worden

    en jullie kinderen wees.

24 Als je geld leent aan iemand van mijn volk die armoede lijdt,

    gedraag je dan niet als een geldschieter

    en vraag geen rente van hem.

25 Als je iemands mantel als onderpand neemt,

    moet je die voor zonsondergang aan hem teruggeven,

26 want hij heeft niets anders om zich mee toe te dekken.

    Waarmee moet hij zijn lichaam anders beschermen als hij gaat slapen?

    Als hij mij om hulp smeekt,

    zal ik naar hem luisteren,

    want ik ben een genadige God.

– Exodus 22:20-25 NBV

Rechters van hun kant moeten garant staan voor een rechtvaardige rechtspraak. Zij mogen niet partijdig zijn, noch steekpenningen aannemen om vooringenomen beslissingen uit te sluiten:

18 Stel in alle steden die JHWH, uw God, u in uw stamgebieden zal geven, rechters en griffiers aan,

   die zorg moeten dragen voor een zuivere rechtspraak.

19 U mag de rechtsgang niet beïnvloeden en niet partijdig zijn.

   U mag geen steekpenningen aannemen,

   want steekpenningen maken het oog van de wijze blind en de stem van de rechtvaardige vals.

20 Zoek het recht en niets dan het recht.

   Dan zult u in leven blijven

   en mag u het land dat JHWH, uw God, u zal geven, in bezit nemen.

– Deuteronomium 16:18-20 NBV

Tweede paar verwijten

JHWH formuleert een derde en een vierde verwijt (2:7). Hij klaagt de misselijke wijze aan waarmee aanzienlijken hun geringe volksgenoten vertrappen: ze zijn eropuit de zwakken in het stof te laten kruipen (NBV). Zij zijn er echt op belust dat die mensen het stof van de aarde op hun hoofden uitstrooien. In het Oude Israël was dit een gebruikelijk teken van rouw. Deze beeldspraak brengt het verschrikkelijke gegeven naar voren, dat de financieel machtigen er niet om malen, dat zwakke mensen doodongelukkig worden.

à die intens willen dat stof van de aarde terechtkomt – op het hoofd van geringen X en de weg van kwetsbaren – ombuigen

De volgorde van deze woordgroepen geeft opnieuw aan dat de zwakken van de samenleving in de tang zitten en dus de dupe zijn! Het leggen van aarde op het hoofd was in het Oude Israël een teken van rouw, waarmee de getroffenen hun hulpeloosheid toonden. Een juridische rechte weg wordt hen niet gegund door diegenen die het voor het zeggen hebben. In de stadspoort – waar de rechtbank zitting heeft – dringen zij de machtelozen opzij (NBV). Zeer waarschijnlijk schakelen zij rechters in om het recht om te buigen. Zo blijven kwetsbare mensen aan de machtswellust overgeleverd van de kapitaalkrachtigen.

Derde paar verwijten

Het vijfde verwijt (2:7b-8) richt zich tegen priesters en aanzienlijken die Mozes’ thora met voeten treden.

Zowel vader als zoon verkrachten hun dienstmeisje. En alsof dat nog niet genoeg is, doen zij dat op verpande klederen van arme mensen. Onfatsoenlijker kan het toch niet? Een sociaal ethisch vergrijp! De thora verbiedt immers dat schuldeisers de kleren van de armen als pand opeisen. De reden voor die maatregel is dat zij door hun enorme armoede mogelijk maar één kleed hebben, dat tevens als deken dient om de koude nachten door te komen. Het nemen van panden wordt in de boekrol Exodus heel scherp verboden. Enerzijds moest iemand, die van een schuldenaar een mantel als onderpand opeiste, deze voor zonsondergang aan zijn eigenaar terugbezorgen.

25 Als je iemands mantel als onderpand neemt,        

    moet je die voor zonsondergang aan hem teruggeven,

26 want hij heeft niets anders om zich mee toe te dekken.

    Waarmee moet hij zijn lichaam anders beschermen als hij gaat slapen?

    Als hij mij om hulp smeekt,

    zal ik naar hem luisteren,

    want ik ben een genadige God.

– Exodus 22:26-27 NBV

Anderzijds had een schuldeiser niet het recht om het huis te betreden van een schuldenaar om er een onderpand weg te halen. Hij moest hem of haar in zijn of haar waardigheid laten!

10 Wanneer u iemand het een of ander leent,

    mag u niet zijn huis binnengaan om het onderpand op te halen.

11 U moet buiten wachten tot degene aan wie u de lening geeft met het onderpand naar buiten komt.

12 En als hij zo arm is dat hij zijn overkleed moet afstaan,

    mag u zich daar niet ’s nachts mee toedekken.

13 Voor zonsondergang moet u hem zijn onderpand terugbrengen,

    zodat hij onder zijn eigen overkleed kan slapen.

    Hij zal u dan de zegen van JHWH, uw God, toewensen,

    en JHWH zal het u ten goede aanrekenen.

– Deuteronomium 24:10-13 NBV

Op het vijfde verwijt volgt het zesde (2:8a) in éen adem. Het beschuldigt schuldeisers dat zij niet alleen de kleren van hun schuldenaars in beslag nemen. Zij vleien er zich zelfs op neer om immorele daden te begaan! Nota bene naast de altaren in de tempel! Daarmee ontwijden zij JHWH’s naam en krenken zij hem op een verschrikkelijke manier. In de profetische boeken wordt dit ontwijden van zijn naam gekarakteriseerd, als het absoluut tegenovergestelde van het in acht nemen van zijn geboden. Het ontwijden van JHWH’s heilige naam door immorele seksuele daden naast het altaar hoort bij de categorie van het offeren van gekwetste of gebrekkige dieren op het altaar:

22 Dieren die blind zijn, vergroeide poten hebben of anderszins verminkt zijn,

   of etterende wonden, zweren of huiduitslag hebben,

   mogen niet aan JHWH worden aangeboden.

   Zulke dieren mogen niet als offergave op het altaar aan JHWH worden opdragen.

23 Dieren met te lange of te korte poten mogen wel worden geofferd als vrijwillige gave,

   maar als gelofteoffer zullen ze niet worden aanvaard.

31 Houd je aan mijn voorschriften en leef ze na.

    Ik ben JHWH.

32 Doen jullie dat niet, dan ontwijden jullie mijn heilige naam

   en moet ik mijn heiligheid tegenover jullie bewijzen.

    Ik ben JHWH, ik heilig jullie.

33 Ik ben het die jullie uit Egypte heeft weggeleid om jullie God te zijn.

   Ik ben JHWH.’

– Leviticus 22:22-23 NBV

Beide verwijten viseren dus overtredingen van Gods voorschriften. De wat latere profeet Jesaja benadrukt, dat JHWH wordt geheiligd als recht en gerechtigheid worden toegepast conform Mozes’ thora:

16 JHWH van de heerscharen wordt verhoogd door recht      

   en de heilige God wordt geheiligd door gerechtigheid

– Jesaja 5:16 NBG

Zevende verwijt

Meteen volgt het zevende verwijt (2:8b) over het opdrinken van de wijn, die de rijken via opgelegde boeten van de arme wijnverbouwers afhandig maken. Dat zij dit bovendien doen bij gelegenheden waarbij men JHWH eert, is echt het toppunt. Met deze laatste drie overtredingen krenken zij niet alleen de armen op een onmenswaardige wijze, maar geven zij ook Israëls God JHWH een slag in het gezicht. Zijn naam en zijn eer halen zij daarmee op een Godonwaardige wijze door het slijk. Niet het minste respect tonen deze overtreders. Zijn wetten treden zij met voeten en dat nog wel … in zijn eigen tempels. Zij verplichten JHWH zelfs om – bij wijze van spreken – op hun onsmakelijke handelingen toe te kijken!

Bijzonder verontwaardigd

Terecht is JHWH verontwaardigd en daarom wijst hij met een beschuldigende vinger naar aanzienlijken, kapitaalkrachtigen, rechters, schuldeisers en geweldenaars. Schaamteloos bewijzen zij een gevoelloos en afgestompt geweten te hebben. Ook de priesters beschuldigt hij omdat zij dergelijke dingen in hun tempels toestaan! Liet Mozes niet weten dat JHWH zou reageren op het erbarmelijk gekerm van ‘zijn armen’?

27 Als hij mij om hulp smeekt,

   zal ik naar hem luisteren,

   want ik ben een genadige God.

– Exodus 22:27 NBV

JHWH’s verontwaardiging is veel meer dan terecht. Terwijl zij de zwakken in de samenleving miserie bezorgen, bewees hij in het verleden het absolute tegendeel. Hier uit hij daarover zijn geërgerdheid met een dubbel en dus benadrukt (terwijl) ‘IK, (ja) ik’, dat hij JHWH tegen Israëls vijanden is opgetreden. Hij verwoordt dit met twee werkwoordparen: uitroeien-vernietigen en wegleiden-wegvoeren.

Vroeger roeide JHWH de machtige Amorieten met wortel en al uit. In de ogen van de net uit Egypte bevrijde Israëlitische slaven leken zij wel reuzen. Amos gebruikt hier figuurlijke taal om de enorme kracht en macht van de Amorieten te benadrukken: hoge ceders en sterke eiken! Dat gebeurt ook in het verslag van Israëls twaalf verspieders:

28 … De moed is ons in de schoenen gezonken toen onze verkenners vertelden

   dat de mensen daar sterker en langer zijn dan wij,

   dat ze in grote steden met hemelhoge versterkingen wonen

   en dat er zelfs reuzen leven.’

– Deuteronomium 1:28 NBV

Deze Israëlitische verkenners kwamen met het bericht dat de Amorieten er veel groter en langer uitzagen dan zijzelf en dat hun steden groot en hemelhoog versterkt waren. Zij hadden er zelfs de uitzonderlijk grote en sterke vroegere bewoners van het land gezien: de Enakieten!

32 En ze vertelden de Israëlieten allerlei ongunstigs over het land dat ze verkend hadden.

‘Het land dat wij op onze verkenningstocht doorkruist hebben,’

   zeiden ze,

‘verslindt zijn inwoners, en alle mensen die we er gezien hebben waren uitzonderlijk lang.

33                We hebben daar zelfs reuzen gezien, de Enakieten.

Vergeleken bij dat volk van reuzen voelden wij ons maar nietige sprinkhanen,

en veel meer zullen we in hun ogen ook niet geweest

 – Numeri 13:32-33 NBV

Het beeld van de vruchten en de wortels doet hoorders begrijpen, dat JHWH deze gewelddadige en angstaanjagende tegenstanders volledig had vernietigd. Zo maakt Amos nu aan de Israëlieten helder, dat JHWH met de machtige en arrogante Israëlieten hetzelfde kan doen als hij met de Amorieten deed. Israëls God denkt er dan ook niet aan om zijn besluit te annuleren: hij zal het beslist ‘niet afwenden’ of ‘niet herroepen’ (Amos 2:6 NBG).

Hoewel JHWH het Amorietenland aan het volk van Israël had gegeven, blijkt dit laatste zich geen haar beter te gedragen. Vroeger waren de Israëlieten slaven in Egypte en werden zij er onderdrukt, mishandeld en onrechtvaardig behandeld. Tegen Farao, de machthebbers en de priesters in Egypte, stonden zij machteloos. Alle Israëlieten waren toen ‘de armen’ en ‘de kwetsbaren’, die werden uitgezogen en die de slavernij moesten ondergaan. Weinig waarschijnlijk dat deze slavernij toen en daar zich beperkte tot een onvoorstelbaar hard werken. Ten aanzien van hen maakten de Egyptenaren zich ook schuldig aan andere misdaden. En wat gebeurt er zoveel later in dit welvarende rijk van koning Jerobeam II? De Israëlitische aanzienlijken, kapitaalkrachtigen, rechters, schuldeisers en gewelddadigers behandelen hun eigen broeders als slaven! Absoluut ongehoord! Hun bevrijder JHWH heeft er alle reden toe om verontwaardigd te zijn. In Egypte snelde hij de Israëlieten te hulp en schudde hij Farao en zijn machtige Egyptische leger door mekaar!

7 JHWH zei:

     ‘Ik heb gezien hoe ellendig mijn volk er in Egypte aan toe is,

     ik heb hun jammerklachten over hun onderdrukkers gehoord,

     ik weet hoe ze lijden.

8   Daarom ben ik afgedaald

     om hen uit de macht van de Egyptenaren te bevrijden,

     en om hen uit Egypte naar een mooi en uitgestrekt land te brengen,

     een land dat overvloeit van melk en honing,

     het gebied van de Kanaänieten, de Hethieten, Amorieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten.

– Exodus 3:7-8 NBV

Die bekommering heeft JHWH hier ook voor de armen en kwetsbaren in Jerobeams Israël. Laat de Israëlieten nu maar niet protesteren. Gaf JHWH hen niet veertig jaar lang in de woestijn de kans om de elementaire beginselen voor een menswaardig bestaan te leren? Eenmaal gesetteld in het land van de Amorieten zorgde hij voor verdere begeleiding.

JHWH bezorgde zijn volk profeten, die met zijn woorden de rechte en rechtvaardige weg voorhielden. Die woorden waren echter niet welkom bij hun toehoorders. JHWH voorzag in hun midden ook nazireeërs. Die knipten hun leven lang hun hoofdhaar niet af en onthielden zich van alcohol. Hun daden en levenshouding toonden een aan God toegewijd leven. Ook dit voorbeeldig gedrag werd absoluut niet gewaardeerd en daarom gedwarsboomd.

JHWH zegt als het ware: ‘Nee jullie aanzienlijken van Israël hoeven geen verontschuldigingen in te brengen. Jullie gedrag tegen profeten en nazireeërs is glashelder. Onbetamelijk! Onaanvaardbaar! Mijn profeten snoeren jullie de mond en mijn nazireeërs verplichten jullie om wijn te drinken. Hebben zij mij geen gelofte gedaan om dat juist niet te doen? Jullie laten je helemaal niets gelegen aan mijn richtlijnen! Die zijn juist bedoeld voor het wel­zijn en het geluk van alle Israëlieten: armen en rijken. Mijn weldaden erkennen jullie niet, maar jullie eigenen je ze wel toe. Jullie doen er zelfs mee ,zoals het jullie goed dunkt. Jullie overtreden stuk voor stuk mijn wetten. Durf dat maar eens te ontkennen. Jullie zijn op en top schuldig!’

Zijn Israëls leidinggevenden dan de bedoeling van JHWH’s thora vergeten? Haar inhoud maakt toch duidelijk dat hun God het beste met hen voor heeft. Via Mozes benadrukt hij dat hem er alles aan gelegen ligt, opdat de Israëlieten gelukkig en wel door het leven kunnen gaan:

29 Hadden ze altijd maar zo’n verlangen

om mij te vereren en mijn geboden na te leven;

voor eeuwig zou het hun en hun kinderen goed gaan.’

30 En hij vervolgde:

‘Stuur hen nu maar terug naar hun tenten.

31 Maar jij moet hier blijven, bij mij,

dan zal ik jou alle geboden, wetten en regels bekendmaken die je hun moet leren

en die zij moeten naleven in het land

dat ik hun in bezit zal geven.’

32 Het is nu aan u om ze in acht te nemen,

zoals de HEER, uw God, u heeft opgedragen;

wijk er op geen enkele manier van af.

33 Volg steeds de weg die hij u heeft gewezen,

dan zult u in leven blijven

en er wél bij varen

en lang mogen wonen

in het land dat u in bezit krijgt.

– Deuteronomium 5:29-33 NBV

Het met voeten treden van JHWH’s richtlijnen en adviezen door leidinggevende, vooraanstaande en machtige Israëlieten, maakt juist dat hun arme volksgenoten een miserabel, ongelukkig en kort leven hebben.

Zevenvoudige straf

Met JHWH’s indrukwekkende toespraak kondigt de profeet een analoge straf aan voor elk van de zeven buurvolken. Israël doet er echter goed aan om daarover geen leedvermaak te hebben. Als klapstuk krijgt dit verbondsvolk ook zijn portie toebedeeld. De beschuldigingen en de daaraan verbonden straf spreken boekdelen. Amos benadrukt dat zijn Israëlitische toehoorders zelfs op tweeërlei vlak misdrijven begaan. Enerzijds tonen zij een enorm gebrek aan mensenliefde. Zij behandelen de zwakken en de armen van hun land op een mensonterende wijze. En dat zijn nog wel hun eigen broeders! Absoluut in tegenspraak met JHWH’s stelregel dat je je medemens – de zonen van je volk – moet liefhebben:

Heb je naaste lief als jezelf. Ik ben de HEER.

– Leviticus 19:18 NBV

Anderzijds is er bij hen ook geen sprake van liefde voor hun God, hun bevrijder en hun weldoener. Zij overtreden zijn wetten en krenken hem in het openbaar. Tot zelfs in zijn eigen gebedshuizen of tempels toe! Zij blijken zelfs voor zijn weldaden totaal ondankbaar. Open en bloot verkrachten zij zijn liefdesgebod:

Luister, Israël: de HEER, onze God, de HEER is de enige!*

Heb daarom de HEER lief met hart en ziel en met inzet van al uw krachten.

– Deuteronomium 6:5 NBV

Straf voor hen kan en mag volgens JHWH dus niet uitblijven.

Zijn woorden zijn zó krachtig, dat zij het publiek als het ware door elkaar schudden. Wanneer kraakt een wagen uit zijn voegen? Als hij overbelast is en daardoor heen en weer gaat schudden. JHWH vergelijkt Israël met zo’n overvolle wagen met een overgewicht aan misdaden. Hij doet hem schudden en kraken, zoals een wagen, die over zeer oneffen terrein rijdt. Het lijkt wel of er een aardbeving plaatsvindt. Misschien is dat laatste wel bedoeld. JHWH laat Israël op zijn grondvesten schudden. Het hele beeld staat dan symbool voor de verpletterende militaire nederlaag, die het leger van Israël ondergaat.

De psalmist beschrijft een daverende aarde, die JHWH’s extreme boosheid uitbeeldt. Parallel daaraan presenteert hij JHWH als een boogschutter, die pijlen naar zijn vijanden schiet:

‘Toen dreunde en beefde de aarde                                             en de grondvesten van de bergen sidderden en daverden,

omdat hij (JHWH) in toorn ontbrand was.’

– Psalm 18:8 NBV

‘Hij schoot zijn pijlen en verstrooide hen,                   hij slingerde bliksemen en bracht hen in verwarring.’

– Psalm 18:15 NBV

Amos meent dus dat JHWH Israëls leger kan verslaan en al zijn soorten strijders op de vlucht kan jagen. In de oorlog tegen de Amorieten ging JHWH zelf voorop aan het hoofd van de Israëlieten. Toen vertrapte hij Israëls vijand. Nu keert hij zich tegen zijn eigen volk. Zo verplettert hij – hoogstwaarschijnlijk door toedoen van de Assyrische vijand – zijn eigen met zware misdaden beladen volk. De snelheid van de vluchtende soldaten en ruiters, de kracht en de moed van de sterksten en de helden, vermogen helemaal niets tegen JHWH. Zelfs de in het Oude Midden Oosten zo gevreesde boogschutter met de kracht van zijn boog en zijn supersnelle pijlen, kan niets beginnen tegen deze door elkaar schuddende en verpletterende God.

Het feit dat Amos juist zeven soorten krijgslieden – de snelste man, de sterke, de krijgsheld, de boogschutter, de hardloper, de ruiter en de dapperste held – in zeven zinnen opsomt, geeft aan dat Israëls volledige leger geparalyseerd en uitgeschakeld zal worden. De supervlugge en megakrachtige strijders vermogen niets tegen JHWH. Zij redden het niet tegen hem. De herhaling van de ontkennende woordjes niet en geen benadrukken, dat er ondanks hun snelheid en kracht geen kruid gewassen is tegen de bliksemsnelle en verpletterende actie van JHWH. Zo sneuvelen sommigen bij het wegvluchten en anderen komen ter plaatse om (2:14-16). Geen enkele krijgsman brengt het er levend van af. Vluchten kunnen zij echt niet meer. Dit gegeven wordt sterk gemarkeerd door de talige insluiting of inclusie:

à verijdeld zal zijn de vlucht vanzeven soorten krijgsliedendie naakt vluchten op die dag

Dit ‘naakt zijn’ duidt op het onverwachte karakter van het gebeuren. En de aardbeving symboliseert als metafoor de plotseling opdoemende Assyriërs die ‘op die dag’ toeslaan.

Bevoorrecht Israël

De oordeelsaankondiging, eerst aan de zeven volken en daarna aan het achtste volk Israël, begon heel indrukwekkend (1:2). JHWH heeft het duidelijk gemunt op de Karmel. Deze berg fungeert als metafoor voor het Noordrijk Israël. De profeet sluit deze serie van oordeelsaankondigingen hier nu af met een plechtige bevestiging, waarbij hij de komende straf met redenen omkleedt. Hij herinnert de Israëlieten eraan dat JHWH hun bevrijder is en dat Israël bij hem nog steeds een bijzondere plaats inneemt.

Deze alinea zet de profeet in met een oproep om naar JHWH te luisteren. Hij wil hen toespreken. Als Israëls bevrijder claimt hij dat recht! Het Nederlandstalige ‘kennen’ – dat het Hebreeuwse jādāh weergeeft – wijst op een intieme relatie. JHWH is echt aan Israël verknocht, want hij houdt nu eenmaal van dit volk. Hij is begaan met zijn wel en wee. Amos’ tijdgenoot en collega-profeet Hosea vergelijkt Israël met JHWH’s geliefde vrouw (2:18-22).

18                Dan, op die dag – spreekt JHWH –,

 zul je zeggen:

                              ‘Jij bent mijn man,’

               en daarbij is geen wanklank meer te horen.

19                De namen van de Baäls zul je niet meer in de mond nemen,

               ze zullen niet langer worden gehoord.

20                Op die dag sluit ik voor mijn kinderen een verbond

               met de dieren van het veld en met alles wat vliegt en kruipt.

               Ik maak een einde aan het geweld van boog en zwaard in hun land,

               zodat ze in rust en vrede kunnen leven.

21                Ik zal je voorgoed tot mijn vrouw maken,

               ik zal je hecht aan mij verbinden,

               door liefde en ontferming.

22                Mijn vrouw zul je zijn, want ik beloof je trouw,

               en jij zult JHWH toegewijd zijn.

– Hosea 2:18-22 NBV

Juist vanwege deze unieke band met haar heeft zij bijzondere verplichtingen ten aanzien van haar heer. Daarom kan hij haar misdaden niet blijven negeren. JHWH’s echtgenote van wie hij zoveel houdt, mag zich niet zó misdragen. Als die andere volken al schuldig zijn dan is dat erg. Zij kennen hem tenminste niet zoals Israël dat doet. Hoe zijn verbondsvolk zich hier gedraagt, is absoluut ongehoord en in geen enkel opzicht goed te praten! Als lezers het latere Amos 9:7 met dit 3:2 vergelijken, dan kan JHWH beslist niet van partijdigheid worden beschuldigd.

Israël moet beseffen dat alle volken God toebehoren en dat het niet de enige natie is, waarmee JHWH zich in het verleden heeft ingelaten. Als het om Gods inmenging in hun bestemming gaat, dan stelt hij Israël op gelijke voet met Arameeërs en Filistijnen. En dát zijn nu net Israëls vijanden! Het verschil ligt daarin dat JHWH een blijvende relatie of verbond met Israël aanging, maar niet met deze andere volken:

4 “Jullie hebben gezien                                                                  hoe ik ben opgetreden tegen Egypte,

  en hoe ik je op adelaarsvleugels gedragen heb                       en je hier bij mij heb gebracht.

5 Als je mijn woorden ter harte neemt                                        en je aan het verbond met mij houdt,

  zul je een kostbaar bezit voor mij zijn,

  kostbaarder dan alle andere volken                                          – want de hele aarde behoort mij toe.

6 Een koninkrijk van priesters zul je zijn, een heilig volk …”

– Exodus 19:4-6 NBV

Ter afronding

Israëls misdaden zijn tenhemelschreiend. Armen en zwakken worden financieel, sociaal, juridisch, seksueel, politiek en zelfs godsdienstig onder een enorme druk gezet. Mozes’ voorschriften worden door de hele bovenlaag in de samenleving met voeten getreden. En JHWH’s weldaden? Die honoreren zij in geen enkel opzicht! Door zijn speciale band met zijn verbondsvolk is het niet meer dan billijk, dat JHWH op dit misdadig gedrag kordaat reageert. Hij concretiseert dit met een verpletterende militaire nederlaag, waaraan Israël niet zal ontkomen. Daar de Judeeër Amos niet welkom is in het Noordrijk, benadert hij de Israëlieten dan ook niet rechttoe rechtaan. Hij beseft dat hij daarmee JHWH’s gewenste doel niet kan bereiken. Van een zuiderbuur wensen de Israëlieten uiteraard niet de les te worden gelezen. Met de omtrekkende bewegingen in zijn toespraak – eerst de zeven buurlanden en dan pas Israël – wil hij hen overvallen. Wie weet misschien zullen deze Israëlieten – overdonderd door de niet te ontkennen feiten – uiteindelijk toch kraken?

Wordt vervolgd

*

error: Alert: Content is protected !!