1.3.1 Jezus op de bres voor … Mozes’ Thora

Zich verdiepen in de manier waarop Jezus als leraar, als rabbi de Thora van Mozes aanprijst die als de grondslag gold en geldt van het geloof van zijn volk.

 

Voor wie Jezus als de allerbelangrijkste persoon van de Bijbel beschouwt, is het een must om zijn houding ten aanzien van Gods wet of Thora te (leren) kennen en zich meteen van enkele hardnekkige misverstanden te ontdoen. ‘Christenen hebben omtrent de Thora veel af te leren en veel opnieuw te leren’.[1] In Mozes’ voetspoor nam Jezus er élke letter van in bescherming. Hij gebruikte haar als een kompas, een programma en een blauwdruk voor het geluk van mensen.

 

Inleiding

De evangelist Matteüs had een buitengewone bewondering voor Jezus van Nazaret. In de inleiding van zijn Evangelie introduceert hij hem als afstammeling van Israëls koning David én van Abraham, voorvader van alle volken. Met verplaatsing naar en terugkeer uit Egypte (onder de hoede van zijn ouders) accentueert hij Jezus’ bijzondere verbondenheid met Israël en met Mozes. Die intensiveert hij nog, omdat hij verwijst naar Gods proclamatie, waarbij hij Jezus als zijn zoon presenteert en dus als Israëls koning (Psalm 2:7). Daarna stuurt hij hem 40 dagen de woestijn in naar analogie van de 40 jaar van het volk Israël in de woestijn. Israëls beproevingen van zelfzucht, van eerzucht en van hebzucht ervaart Jezus eveneens maar hij trotseert ze omdat hij trouw blijft aan Gods voorschriften (resp. Deuteronomium 8:2; 6:16 en 6:13).

 

Jezus als tweede Mozes

Na dit succes informeert Matteüs zijn lezers dat Jezus leerlingen rekruteert en als leraar of rabbi actief wordt in de synagogen van Galilea (Matteüs 4:23). Veel volksgenoten willen hem horen, ook als hij een berg bestijgt waarop hij zich op hoor-afstand neerzet en door zijn leerlingen wordt omringd (5:1). Frappant is de overeenkomst tussen Mozes en Jezus: de een op de berg Sinaï en de ander op de berg in Galilea. Omringd door hun respectievelijke gezellen – Israëls oudsten en Galilese leerlingen – spreken beiden gelukwensen of zegeningen voor hun toehoorders uit. Tevens geven ze hen een gerichte taak. Mozes wenst van Israël dat het een heilig volk van priesters wordt met het oog op de volken van de wereld (Exodus 19:5-6), Jezus verwacht van zijn leerlingen dat zij zullen fungeren als zout voor het land (nl. Israël)[2] en als lampen voor de wereld (Matteüs 5:14-16). Matteüs’ voorstelling van Jezus als tweede Mozes stopt daar niet bij. Tussen zijn rapportage over Jezus’ activiteiten in Galilea, Perea, Juda en Jeruzalem schuift hij vijf grote tekstblokken[3] in, die thematisch in verband staan met Mozes’ vijf boekrollen (Genesis tot en met Deuteronomium).

 

Te licht bevonden voor Gods rijk

Op de berg zegt Jezus over ‘de wet’ van Mozes in niet mis te verstane woorden:

 

‘… zolang de hemel en de aarde bestaan blijft elke jota, elke tittel in de wet van kracht. Wie dus ook maar een van de kleinste van deze geboden afschaft en aan anderen leert datzelfde te doen, zal als de kleinste worden beschouwd in het koninkrijk van de hemel’ – Matteüs 5:18,19 NBV

 

Dit ‘zeer klein heten’ (NBG) is een woordgroep die letterlijk uit het Grieks is vertaald. Meestal leidt dit tot het verkeerde inzicht dat zo iemand desondanks zijn of haar klein-heten toch in Gods rijk thuishoort. De begrippen ‘groot’ en ‘klein’ in relatie tot de geboden passen niet bij het Aramees dat Jezus spreekt. In die taal gelden de kwalificaties ‘zwaar’ en ‘licht’. Bij ‘zwaar’ denkt men dan aan zwaarwegende geboden die van veel gewicht zijn en bij overtreding ervan grote schade toebrengen (zoals bij moord en echtbreuk). ‘Licht’ heeft dan betrekking op licht-wegende geboden die weinig schade veroorzaken (zoals bij het wel of niet handen wassen). Jezus stelt dus dat wie de ‘lichte’ geboden niet respecteert of ze niet belangrijk genoeg vindt, bijgevolg zelfs te licht zal worden bevonden om deel te hebben aan Gods rijk. Hij of zij hoort er dus niet in thuis! Jezus maakt enerzijds Mozes’ voorschriften onaantastbaar en voor altijd geldend en anderzijds denkt hij ze niet dezelfde waarde toe.

 

Wet of Thora?

De lezer die Jezus correct wil begrijpen moet zich koste wat het kost verplaatsen in diens joodse leefwereld. Dan kan hij of zij beseffen dat ‘de wet’ als het centrum fungeerde van hun levenspraktijk, denken, eredienst en onderwijs. Sinds de tweede eeuw voor onze tijdrekening werden de Hebreeuwse Schriften voor bijna iedereen toegankelijk. Ze werden vertaald in het Grieks dat als de lingua franca van die tijd gold. Dat vertalingen de eigenlijke betekenis wel eens onvoldoende tot hun recht doen komen blijkt ook bij o.a. de Griekse vertaling die Septuaginta wordt genoemd. De schrijvers van het Nieuwe Testament gebruiken die veelvuldig, zodat zij niet zelf de Hebreeuwse teksten hoeven te vertalen. Die Septuaginta vertaalt het Hebreeuwse woord thōrā met het Griekse woord nomos dat letterlijk ‘wet’ betekent. Dit veroorzaakt een verarming en zelfs een heuse accentverplaatsing. ‘Thora’ betekent immers letterlijk ‘onderricht, onderwijs of leer’ en bezit een heel andere gevoelswaarde dan het woord ‘wet’. Zij veronderstelt immers geen verplichting maar een uitnodiging, een aansporing, een aanbod. Bovendien moet de lezer beseffen dat het geheel van Mozes’ vijf boekrollen ongeveer vier vijfde verhalende teksten bevat en (maar) één vijfde wetteksten. De eerstgenoemde vertellen in allerlei toonaarden in hoeverre mensen in het licht van de Thora juiste of verkeerde keuzes maken.

 

Dwang of kompas?

Door de eeuwen heen kozen christelijke bijbelvertalers net als die Griekse vertaling steevast voor het woord ‘wet’. Telkens leidde dat tot een wijdverbreid misverstand dat – als hardnekkig onkruid – niet uit te roeien blijkt. Wie echter Mozes’ boekrollen goed kent, weet dat JHWH God zijn Thora niet aan Israël gaf om haar via wetten tot slavernij te brengen, maar juist om haar er uit te bevrijden. Het heersende onrecht en de daarmee gepaard gaande ongerechtigheid in Egypte mochten geen na te streven model voor Israël worden. Inhoud en karakter van de Thora moesten immers als een kompas dienen om de Israëlieten naar het land Kanaän te leiden om er gelukkig en langdurig in te kunnen leven (Deuteronomium 5:33). Dankzij het onderwijs van Mozes’ richtlijnen leerde het volk de weldoende praktijk van recht (mīsjpat) en gerechtigheid (tsedāqā). Beide staan garant voor een menswaardig leven en een duurzame sjālōm. Beide begrippen kennen wel juridische betekenisaspecten, maar ze bewijzen bovenal een dimensie van barmhartigheid en liefde. Dat is wat de boekrol Deuteronomium nadrukkelijk onderstreept: ‘het houden van de geboden is doen wat recht is in de ogen van JHWH, uw God’ (13:18) en mededogen en barmhartigheid ten aanzien van de medemens blijkt uit ‘gerechtigheid in de ogen van JHWH, uw God’ (24:10-13). ‘Tussen het evangelische agapè-begrip en het oudtestamentisch tsedaqa-begrip bestaat dan ook geen enkele tegenstelling …’.[4]

 

Het is beslist voor menig lezer een eye opener dat het boek Leviticus – helemaal gewijd aan priesters, cultus en haar voorschriften – precies in het centrum van de vijf boekrollen van Mozes staat. Bovendien treft hij of zij precies in het hart van die boekrol het hoofdstuk 16 aan dat verhaalt over de genade die JHWH aan zijn volk verleent op de grote verzoendag of jōm kīppūr. Dát betekende het goede nieuws voor elke Israëliet, die zich door berouw en omkeer met God verzoend wist. Verzoening in het hart van de zogenaamde ‘wet’? Een contradictio in terminis? Juist niet want verzoening is nu eenmaal het kloppende hart van de Thora (d.i. leer of onderwijs) die God aan Israël aanbood.

 

Thora: programma met 613 punten

Een ander wijdverbreid misverstand is, dat Mozes zogenaamde ‘wet’ maar twee soorten wetten zou bevatten: ceremoniële en morele wetten (nl. de tien geboden). In de 12e eeuw van onze jaartelling maakte Rabbi Maimonides – die net als Jezus leerde dat er nooit van een nieuwe Thora sprake zal zijn – er zijn werk van om in zijn Sefer ha-Mitzwot (Boek van de geboden) alle wetten te inventariseren, te rubriceren en te catalogiseren die in de vijf boeken van Mozes voorkomen. Hij kwam uit op 613 voorschriften! Wie ze nauwkeurig bestudeert, komt erachter dat zij zich richten op de volgende zes belangrijke levensterreinen met als illustratie van telkens twee voorschriften uit de boekrol Leviticus:

 

  1. cultus:

    alleen dieren offeren die God goedkeurt (19:5) en eerbied tonen in Gods huis (19:30);

  2. religie:

    totaal verbod op kinderoffers (18:21) en op de raadpleging van geesten van doden (19:31);

  3. politiek en rechtspraak:

    oudere mensen respecteren (19:32) en onpartijdig rechtspreken (19:15);

  4. samenleving:

    werknemers op tijd betalen (19:13) en een blinde niet doen struikelen (19:14);

  5. landbouw en natuur:

    geen twee soorten gewas zaaien in dezelfde grond (19:19) noch twee soorten dieren doen paren (19:19);

  6. gezondheid en hygiëne:

    geen gemeenschap hebben tijdens de menstruatieperiode (18:19) en geen vlees eten met nog bloed erin (19:26).

 

Elke lezer merkt dus in één oogopslag dat de Thora uit meer dan alleen maar twee soorten wetten bestaat. De genoemde voorschriften maken deel uit van een reservoir van praktische adviezen om het welzijn of sjālōm voor iedereen te realiseren. God, de Heer stelt, dat ze het leven bevorderen van wie ze navolgt (18:5) én dat ze zijn eigen karakter weerspiegelen (19:2). Was de mens niet bestemd om Gods beelddrager te zijn (Genesis 1:27) en hem als dusdanig te vertegenwoordigen? Is Israëls God immers niet diegene die in de samenleving opkomt voor de rechten van weduwen en wezen? Armen, verdrukten en vreemdelingen neemt hij toch ook in bescherming? Als dát geen recht en gerechtigheid – of kortom liefde – betekent! Toen de profeten merkten dat de Thora werd overtreden, schreeuwden zij moord en brand en traden als advocaten op van benadeelde mensen. Zij riepen op tot berouw, omkeer en gedragsverandering van de onderdrukkers. Israëls dichters en wijzen stimuleerden de logica en het gezonde verstand van hun volksgenoten om hen te doen beseffen dat de Thora een God vertegenwoordigt die vruchtbaarheid, ontplooiing en een evenwichtig bestaan op het oog heeft.

 

Thora: blauwdruk voor het leven

Een collega-leraar wil van Jezus weten welk gebod in de Thora het ‘grootst’ is. Hij  bedoelt daarmee het zwaarstwegende, belangrijkste of samenvattende gebod. Jezus citeert uit Mozes’ Thora en combineert daarvoor twee geboden: het liefhebben van God en van de medemens als zichzelf.[5]

 

28 Een van de schriftgeleerden die naar hen geluisterd had terwijl ze discussieerden, en gemerkt had dat hij hun correct had geantwoord, kwam dichterbij en vroeg: ‘Wat is van alle geboden het belangrijkste gebod?’ 29 Jezus antwoordde: ‘Het voornaamste is: “Luister, Israël! De Heer, onze God, is de enige Heer; 30 heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand en met heel uw kracht.” 31 Het op een na belangrijkste is dit: “Heb uw naaste lief als uzelf.” Er zijn geen geboden belangrijker dan deze.’ 32 De schriftgeleerde zei tegen hem: ‘Inderdaad, meester, wat u zegt is waar: hij alleen is God en er is geen andere God dan hij, 33 en hem liefhebben met heel ons hart en met heel ons inzicht en met heel onze kracht, en onze naaste liefhebben als onszelf betekent veel meer dan alle brandoffers en andere offers.’ 34 Jezus vond dat hij verstandig had geantwoord en zei tegen hem: ‘U bent niet ver van het koninkrijk van God.’ En niemand durfde hem nog een vraag te stellen – Marcus 12:28-34

 

Het ultieme doel van alle voorschriften, verordeningen, regels en in­structies is volgens hem ‘om lief te hebben’. Het is dan ook logisch dat Jezus verklaart dat de Thora voor altijd blijft gelden: echt liefhebben kent immers geen grenzen. Het vormt een blauwdruk voor een gelukkig leven met deze twee liefdesgeboden als basis en tien woorden die er hoofdlijnen van aangeven. Dat het allemaal om liefhebben draait betekent echter niet dat Jezus de voorschriften ervan verregaand versoepelt. Hij blijkt ze integendeel te verbreden en te versterken.[6] Zo roept hij o.a. op om zelfs de vijand lief te hebben (Matteüs 5:43-44).

 

Genade is niet gratis

Jezus blijft tot zijn dood trouw aan de Thora en dat erkennen ook verschillende joodse geleerden van na Tweede Wereldoorlog.[7] Hij ziet zichzelf als iemand die de Thora ‘vervult’ (Matteüs 5:17). Hij gebruikt dit werkwoord niet in zijn Griekse betekenis (nl. tot zijn voleinding brengen) maar in zijn Hebreeuwse en farizeese zin: ‘tot zijn recht brengen’. Hij verwacht van zijn leerlingen dat zij de Thora strikter toepassen dan de Farizeeën. Deze laatsten prijst hij duidelijk omdat zij Mozes’ leer correct onderwijzen maar hij laat niet na een deel van hen terecht te wijzen omdat zij er zelf niet altijd consequent naar leven (Matteüs 23:1-3).[8] Hij verzet zich verder tegen de harde lijn van de school van Rabbi Sjammai en schaart zich meestal achter de mildere leer van Rabbi Hillel en diens school.[9] Het toepassen van de Thora vergt toch wat van mensen. De christelijke theoloog Dietrich Bonhoeffer onderstreepte dat Gods genade zich niet gratis aanbiedt. Volgens hem kost zij aan de gelovige de prijs van ‘gehoorzaamheid’ aan de principes en de ethische richtlijnen van Jezus, de grote verdediger van de Thora.[10]

 

Noodzaak tot actualiseren

Betekent dit nu allemaal dat alle 613 voorschriften van de Thora rechttoe rechtaan moeten worden toegepast? Het ligt voor de hand dat er zowel een verschil bestaat tussen de principes en de regels of voorschriften die erin staan als tussen de geest en de letter van die voorschriften. De thoraprincipes blijken van blijvende aard: liefhebben! Het toepassen van de thoravoorschriften zijn echter afhankelijk van context waarin men die principes wil toepassen én de (groei)fase waarin mensen zich bevinden die deze in concrete daden willen omzetten. Vandaar de noodzaak tot het actualiseren van de voorschriften. Zij moeten immers op hun merites en functionaliteit worden beoordeeld.

 

Sommige voorschriften blijken niet meer van kracht te zijn. Dit is het geval met de cultusvoorschriften, omdat de tempel niet meer bestaat. Andere voorschriften blijven hun bestaansrecht behouden, maar moeten op hun relevantie worden beoordeeld. In een veranderende context blijft het principe wel overeind, maar moet het concrete voorschrift worden aangepast. In het Oude Israël moest de landbouwer een stuk van zijn oogst voor de armen laten staan, maar in de huidige samenleving is dit niet (meer) relevant. Het principe dat aan de basis ligt van dit voorschrift – nl. concrete zorg voor alle armen – blijft echter gelden. Het dient dan in dezelfde geest te worden geactualiseerd en aangepast. Tenslotte zijn er de voorschriften die onwrikbaar overeind blijven. Te denken valt bijvoorbeeld aan ‘niet moorden’ en ‘onpartijdig rechtspreken’.

 

De joodse nieuwtestamenticus Pinchas Lapide merkt terecht op dat Jezus een duidelijk onderscheid maakt tussen de rites enerzijds en de ethiek anderzijds, die hij veel belangrijker vindt.[11] Wie de Thora respecteert, anticipeert op wat de uitvoeringsgevolgen ervan kunnen zijn en beseft dat er een beroep wordt gedaan op zijn of haar creatieve verantwoordelijkheid. De letter ervan intact houden én tegelijk de geest ervan activeren door die te actualiseren.

 

Ter afronding

Jezus legt de Thora niet autoritair op en stelt ook niet dat zij blindelings moet worden gehoorzaamd. Hij doet wel een beroep op het gezonde verstand, zodat de toepassing ervan bijdraagt aan een werke­lijke sjālōm of geluk voor een maximaal aantal mensen. Zo wil hij de God van de Thora aan Israël en aan de volken doen kennen. Dat doet hij werkelijk op een schitterende manier.

 

 

 

[1] W. Brueggemann, Theology of the Old Testament, Minneapolis 1989, 578

[2] Traditioneel staat in Matteüs 5:13 bij ‘jullie zijn het zout van’ het woord ‘aarde’. Het woord luidt in het Hebreeuws of Aramees ‘èrèts dat ‘land’ betekent en als dusdanig kan worden vertaald. Een dergelijke keuze harmonieert meer met de thematiek in de Hebreeuwse Bijbel waarbij God zowel aandacht heeft voor Israël als voor de volken van de wereld. De evangeliën leren dat Jezus zijn leerlingen niet aanspoort om alleen maar te fungeren als zout en licht voor de aarde / wereld (waarmee hij de volken bedoelt). Hij focust op beide: het zout voor het (Joodse) land in het Joodse land en vervolgt met het licht voor de volken van de wereld.

[3] Matteüs 5:1-7:29; 10:1-11:1; 13:1-53; 18:1-19:1 en 24:1-26:1

[4] H. van Praag, Blauwdruk voor een nieuwe wereld, Den Haag, 1967, 31

[5] Marcus 12:28-34; Deuteronomium 6:5 en Leviticus 19:18

[6] D. Flusser in: Juden und Christen lesen dieselbe Bibel, Duisburg 1977, 102-113

[7] David Flusser, Samuël Sandmel, Geza Vermes, Shalom ben Chorin e.a.

[8] Een meer genuanceerdere visie bij P.J. Tomson, ‘Als dit uit de Hemel is…’, Hilversum 1997, 121-135

[9] H. Falk, Jesus the Pharisee, New York, 1985

[10] D. Bonhoeffer, Le prix de la grâce, Neuchâtel 1962

[11] H. van Praag, Blauwdruk, 31

 

error: Alert: Content is protected !!